Schepping en evolutie
II.
Waardering nu
Darwins evolutietheorie is lange tijd binnen de kerken, met name ook onder veel christelijke wetenschapsbeoefenaren, contrabande geweest. Men wees de evolutietheorie af als zijnde in strijd met de gegevens van de bijbel. De afgelopen jaren is daarin echter een flinke kentering gekomen. We behoeven er hier niet verder op in te gaan dat het evolutionisme, dat wil zeggen de levensbeschouwing waarin geloofd wordt in de autonomie der natuur, ook thans nog volop gehuldigd wordt. Voor diegenen, voor wie het geloof in de God der Schriften en Zijn scheppende daden geen levende werkelijkheid is, is het evolutionisme het enige geloof dat overblijft om het ontstaan en het voortbestaan van wereld en kosmos te verklaren.
Het gaat ons nu echter veelmeer om de evolutietheorie, die in toenemende mate binnen de kerken aanvaard wordt en waarmee men dan noodgedwongen het scheppingsverhaal van Genesis 1 in overeenstemming brengen moet. Als belangrijkste pleitbezorger van de evolutietheorie binnen de Nederlandse kerken mag wel genoemd worden prof. dr. J. Lever van de Vrije Universiteit te Amsterdam. Hij mag geen evolutionist genoemd worden, in die zin dat hij God als Schepper achter al het bestaande ontkent. Wel heeft hij in woord en geschrift er uiting aan gegeven dat hij de evolutietheorie waardeert als een vaststelling van de feitelijke gang van zaken met betrekking tot het ontstaan van de verschillende organismen. In zijn boek Creatie en Evolutie heeft hij zijn visie hierop jaren geleden al neergelegd. En in een serie radiolezingen voor de N.C.R.V. heeft hij deze visie in gepopulariseerde vorm herhaald. De weergave daarvan is te vinden in het boekje Waar blijven we? (Uitg. J. H. Kok, Kampen). Zonder Lever nu helemaal op de voet te volgen kan gezegd worden dat hij de theorie aangaande het ontstaan der soorten aanvaardt. Miljarden jaren geleden bestonden er oceanen die, onder invloed van ultraviolette stralen uit het zonlicht, geleidelijk aan tot een soort bouillon werden, vol van stoffen die voor het ontstaan van het leven van belang waren. Uit deze bouillon ontstond het eerste leven, aanvankelijk in heel primitieve vorm. Daaruit ontstonden de lagere diersoorten, vervolgens de hogere diersoorten en tenslotte de mens. De levende natuur zou dus ontstaan zijn uit de levenloze natuur, de ene diersoort uit de andere en de mens uit het dier. Aldus de visie van Lever.
Herinterpretatie van Genesis 1
Het kan niet anders of een visie zoals die o.a. door Lever ten aanzien van het ontstaan der dingen wordt gehuldigd, heeft consequenties voor de hantering van de Heilige Schrift. In dit opzicht heeft Lever zich dan ook duidelijk uitgesproken in zijn genoemde boekje Waar blijven we? Daarmee is de ontwikkeling die Lever in dit opzicht doorgemaakt heeft in feite in een eindstadium gekomen. Wie vroegere publicaties van Lever over deze materie leest, ontdekt dat hij vroeger genuanceerder over deze dingen heeft geschreven. Later werd zijn visie op de juistheid van de evolutietheorie stelliger en thans kan gezegd worden dat de twijfels in feite verdwenen zijn. De evolutiegegevens, zoals die uit de wetenschap bekend zijn en die tot een evolutietheorie zijn uitgewerkt, hebben Lever tot een ondubbelzinnig pleitbezorger van deze theorie gemaakt. En zoals gezegd, dit heeft consequenties voor de benadering van de Schrift. De vele pogingen die gedaan worden om tot een nieuw verstaan van Genesis 1 te komen hebben echter in feite één ding gemeen, namelijk dat de historiciteit van Genesis 1 wordt ontkend. Sommigen verklaren Genesis 1 tot mythe, dat is — eenvoudig gezegd — een verhaal met een strekking (Kuitert). Anderen lezen er wel een beschrijving van de schepping in, maar dan geplaatst in een bepaald kader, een raamwerk waarin in een voor de mens bevattelijk verhaal iets van de scheppingsdaden van God wordt getekend (Ridderbos). Voor Lever is Genesis 1, met name de paradijsepisode, een stuk waarin de vragen en conflicten in het leven van ieder mens van alle tijden aan de orde komen. Het gaat daarin volgens hem niet om één enkel plekje op aarde waarbij de twee eerste mensen betrokken waren. Neen, het is het levensverhaal van de mensheid. En bij dit alles openbaart God zich — aldus Lever — als de Schepper, de Levensbron. De oeroceanen werden door de Schepper in handen gehouden en in de evolutie trok God als het ware als Schepper mee. In de ontwikkeling der soorten, de een uit de ander, was Gods scheppende hand aanwezig. Maar genoeg hierover. We menen dat deze korte aanduiding voldoende is om te constateren dat zo van een historisch karakter van deze Schriftgegevens geen sprake meer is. Genesis 1 wordt zo gezien als een symbolische beschrijving van het leven der mensheid, maar werkelijkheidskarakter heeft het niet. Deze opvattingen winnen inmiddels in toenemende mate terrein. Daarmee worden de leerlingen op de middelbare scholen geconfronteerd. In veel toonaarden klinkt dit in allerlei prediking door. En ook al zijn deze opvattingen dan niet evolutionistisch in die zin dat het bestaan van de Schepper wordt ontkend, we menen toch dat op deze wijze ernstig tekort wordt gedaan aan het zelfgetuigenis van de Heilige Schrift. De menselijke interpretatie wordt geschoven voor de Openbaring zelf. Alvorens we daar echter nader op in gaan is het van belang na te gaan in hoeverre de argumenten van Lever en anderen, die tot aanvaarding van de evolutietheorie hebben geleid, en bij gevolg vragen om een hernieuwde interpretatie van Genesis 1, voldoende grond hebben om inderdaad deze weg in te slaan.
Parallel met de kwestie Galilei?
Lever, en velen met hem, wijzen er herhaaldelijk op dat de huidige kwestie van de evolutietheorie in dezelfde lijn ligt als de zogenaamde kwestie Galileï in de zeventiende eeuw. Galileo Galileï kwam op grond van waarnemingen die hij deed met sterrenkijkers, zoals die onder andere ontwikkeld waren door onze landgenoot Christiaan Huygens, tot de conclusie dat de zon het centrum was van ons planetenstelsel. De planeten, waaronder de aarde, bewegen in een baan rondom de zon. Hiermee bevestigde hij een theorie die in dit opzicht al eerder was opgesteld door Copernicus. Maar daarmee kwam hij tevens in conflict met de gangbare mening dat de zon om de aarde bewoog. Daarmee kwam hij met name in conflict met de (Rooms katholieke) kerk, die naar aanleiding van de uitspraak van Jozua: Zon sta stil te Gibeon, en gij maan in het dal van Ajalon, altijd gesteld had, en vooralsnog bleef stellen, dat niet de aarde bewoog maar de zon, en dat ten tijde van Jozua dus inderdaad de zon had stil gestaan. De strijd hierover is fel opgelaaid. Luther, die zich ook in deze strijd gemengd heeft, zei: „De dwaas wil de hele astronomie omkeren, maar de Heilige Schrift zegt ons dat Jozua de zon stil liet staan en niet de aarde." Door de kerk werden allerlei maatregelen genomen om Galilei's invloed tegen te gaan. Zijn boeken werden op de Index geplaatst en zelf werd hij gedwongen zijn laatste levensjaren in eenzaamheid door te brengen. Pascal heeft hierover opgemerkt:
„Tevergeefs hebt gij (d.i. Jezuïeten) het decreet tegen Galileï uitgevaardigd. Want als de aarde werkelijk draait zult gij haar niet kunnen beletten verder te draaien en u zelf niet kunnen beletten mee te draaien." Momenteel kunnen we ons nauwelijks meer voorstellen dat over die kwestie zo hartstochtelijk is gestreden. Thans zal wel niemand meer willen verdedigen dat de aarde stil staat en de zon draait. De feiten liggen nu eenmaal anders. Dat is direct waarneembaar. Maar we moeten niet vergeten dat hier een eeuwenlang gehuldigd wereldbeeld in duigen viel en plaats moest maken voor een ander. Dat is toch een ingrijpend gebeuren, zeker als daarmee tevens samenhangt dat de Schrift op het betreffende punt altijd verkeerd is geïnterpreteerd.
Zoals gezegd, wordt momenteel deze kwestie echter aangegrepen om daarmee kracht bij te zetten aan de gedachte dat tot onze tijd toe de Schrift eveneens verkeerd is gelezen en geïnterpreteerd ten aanzien van de schepping. De gegevens van de wetenschap zouden ons ook nu dwingen afscheid te nemen van een verouderde visie op bepaalde bijbelgegevens. Genesis 1 vraagt om hernieuwde interpretatie.
Prof. Lever vraagt in zijn eerder genoemde boekje: „Is naar uw mening de aarde rond of plat en draait de zon om de aarde of de aarde om de zon? Wanneer u deze vragen in overeenstemming met het huidige wereldbeeld beantwoordt dan hebt u een heel beslissende stap gedaan. Een eerste stap op een weg waarop anderen reeds, maar om dezelfde redenen, een groot aantal stappen deden". En even verder: „Slechts diegenen die vasthouden dat de aarde plat is zijn consequent in het afwijzen van onze huidige kennis en dus van ons huidige wereldbeeld." Zoals Lever de zaken hier stelt trekt hij echter een valse parallellie. Bovendien wordt dit op demagogische wijze gepresenteerd. En daarom willen we hier tegen deze uitspraak ernstig bezwaar maken. Als Lever de zaken namelijk eerlijk had voorgesteld had hij moeten stellen dat op grond van natuurwetenschappelijk gevonden wetmatigheden de verlenging van een dag, zoals dat ten tijde van Jozua het geval geweest is, een onmogelijkheid is. En vervolgens dat dus in de geschiedenis van Jozua sprake is van een symbolische weergave, waarmee bedoeld zou zijn dat b.v. een zongodin en een maangodin van het volk waartegen Israël streed, tot zwijgen werd gebracht. Dan alleen heeft de vergelijking met Genesis 1, dat ook symbolisch geïnterpreteerd zou moeten worden, een logische achtergrond. Nu zwijgt Lever echter over het al of niet historisch zijn van de Jozua episode, maar van Genesis 1 ontkend hij de historiciteit. En daar ligt uiteindelijk ten volle de kwestie waarom het gaat. Wie de geschiedenis uit Jozua in zijn feitelijkheid aanvaardt, doet — in tegenstelling tot wat Lever wil doen geloven — niet inconsequent als hij ook Genesis 1 in zijn feitelijkheid aanvaardt. De enige parallel die tussen de geschiedenis uit Jozua en het scheppingsverhaal onzes inziens getrokken zou mogen worden is dat, evenals we stellen mogen dat de geschiedenis van Jozua geschreven is in een voor de mens bevattelijke taal, ook het scheppingswonder, zoals we dat in Genesis 1 beschreven vinden, weergegeven is in een voor de mens bevattelijke taal. We mogen van de beschrijving van het stilstaan van de zon inderdaad zeggen dat het niet de bedoeling van de bijbelschrijver is geweest om iets te vertellen over de feitelijke loop van de hemellichamen, maar wel dat hij in bevattelijke taal heeft uitgedrukt dat God in het natuurgebeuren heeft ingegrepen. Zoals wij ook nu nog — tegen de natuurwetenschappelijk geconstateerde feiten in — zeggen dat de zon opkomt, zo heeft Jozua ook gezegd: Zon sta stil. Het is gezegd in een voor de mens bevattelijke taal. Dat nu zegt Calvijn in zijn Institutie ook van Genesis 1. Hij zegt dat Mozes zich in Genesis 1 geschikt heeft naar het kleine begrip der mensen in het algemeen en derhalve in de historie (let op dit woord, J. v. d. G.) van de schepping geen andere werken Gods verhaalt dan wat met onze ogen gezien kan worden. Als dan ook zó de parallel tussen de geschiedenis van Jozua en het scheppingsverhaal gesteld wordt, dan ligt de zaak dunkt ons eerlijker dan nu door Lever is gesteld. Dan is in beide gevallen de zaak waarom het gaat het juiste verstaan van wat ons in eenvoudige bewoordingen wordt gezegd. Maar de historiciteit blijft onaangetast.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 november 1969
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 november 1969
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's