De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

18 minuten leestijd

Als goden sterven
Dit is de titel van het in juni verschenen boek van de Hattemse hervormde predikant, dr. F. de Graaff. Als ondertitel is erbij gevoegd: De crisis van de westerse cultuur. Een persoverzicht is niet de plaats om boeken aan te kondigen en te recenseren. Ook De Graaff's boek zal te zijner tijd wel in de kolommen van dit blad besproken worden.
We willen hier aandacht vragen aan enkele beschouwingen van dr. E. Masselink, die in „Waarheid en Eenheid" van 14 en 28 oktober enkele artikelen wijdde aan genoemd boek.In zijn tweede artikel geeft dr. Masselink een weergave van De Graaff's gedachten over de huidige cultuurcrisis.
Adam waar zijt gij?
Wat heeft de mens ervan gemaakt?
Welk uitzicht heeft het bestaan van de moderne mens?
Vrij weergegeven wil dr. F. de Graaff in zijn boek „Als goden sterven" daarop een antwoord geven.
In ons vorig artikel ging het om de vraag: hoe de mens en hoe de wereld van vandaag zo geworden waren. De Graaff geeft een soort christelijke cultuur-geschiedenis. In dit artikel willen we op de mens en de wereld van vandaag letten.
De mens van heden is de volgeling van de renaissance-mens en van de franse-revolutiemens. Om het in termen van De Graaff te zeggen: de renaissance doodde de god (of tussenwezen, macht, tijdgeest) van die tijd door het pausdom, de kerkelijke wetenschap, en de middeleeuwse vroomheid weg te vagen. Er kwam een nieuwe wereld door de ontdekkingen, door de boekdrukkunst, door de vrije, zelfstandige mens die zelf de waarheid zou ontdekken en zelf een levensbeschouwing zou ontwerpen.
De Franse revolutie heeft daar een nieuwe spits aan gegeven met de vrijheid zelfs tegenover God: geen God en geen meester. De vroegere machten of tussenwezens van het gezag door adel en geestelijkheid werden gedood en zo'n cultuur sterft weg (naar de Graaff's visie).
Maar een mens moet nu eenmaal machten of goden boven zich hebben en dan komen de „goden" van de 19e eeuw en van onze tijd. De macht van het kapitaal doet zijn intree. Wie het kapitaal had, beheerste het leven. Die kon fabrieken bouwen en via de arbeiders het leven beheersen. Over het kapitaal en over de aanwending daarvan door het liberalisme zegt de Graaff heel rake dingen. Die kapitaalsmacht beheerste zelfs de godsdienst inzover men God en geloof wel gebruiken kon om burgerdeugden in stand te houden.
Wie op de vorige eeuw terugziet en dan nog daaraan denkt dat Jezus de (verkeerde) macht van het geld „Mammon" noemde, die begrijpt dat het kapitaal een macht of tussenwezen (tussen God en mensen) genoemd kan worden.
Een verdere macht waardoor het mensenleven wordt beheerst is de macht van de wetenschap. Wat heeft de natuurwetenschap nu sinds meer dan honderd jaar veel geheimen van het leven doorzichtig gemaakt. Dat is mooi. Maar ook vanuit haar ontdekkingen allerlei levensverhoudingen opgebouwd. Denken we maar aan de evolutieleer.
Heel fel kritiseert De Graaff die natuurwetenschap die alleen met het menselijk constateerbare rekent en binnen die mogelijkheid zich verschanst. God en de schepping, geest en waarheid . . . alles, alles moet dan natuurwetenschappelijk verklaard worden en alles is door evolutie ontstaan.
En nog feller vuurt De Graaff zijn kritiek af op de toegepaste wetenschap, de techniek. Inplaats van een instrument in de hand van de mens is de techniek tot zulk een voortbruisende, dode en dodende macht geworden, dat niet de mens haar beheerst, maar ons leven wordt door die techniek beheerst.
De almacht van de techniek met de alwetendheid van de computer bepalen het levensniveau en de levensmanier van de mensheid. Hier komt goed uit wat De Graaff met de machten, de goden of tussenwezens bedoelt. Dat zijn de grootheden die niet meer door mensen bepaald worden, maar die namens God optreden. Alleen maar, als die machten met barmhartigheid existeren, dus de band met God bewaren, dan gaat het goed. En omgekeerd als die band moedwillig verzwakt wordt, richten die machten onzegbaar veel onheil aan; ze moeten eens sterven; en de cultuur door hen opgezet gaat ook ten onder.
Dat die machten dan in dienst van de duivel werkzaam zijn, zegt De Graaff zo: wat niet aan de opbouw van Christus' koninkrijk wil meedoen, staat in dienst van de „hinderaar" d.w.z. de macht of persoon die dat Koninkrijk verhinderen wil. Wij zouden zeggen, de duivel of Satan.
De Graaff heeft zijn term „hinderaar" overgenomen van de joodse denker Buber. Ik vind dit een verzwakking, hoe gepassioneerd De Graaff ook over de zaak handelt.
Bij die machten komt hij ook uitvoerig te spreken over de macht van publiciteit en communicatie. Die macht ontneemt ons onze laatste privacy, onze huiskamer. Vooral door de t.v. dringt die macht in ons persoonlijke leven met schone schijn op overmachtige wijze binnen. Want kijken moet je! O, heb je dat niet gezien, zo tiranniseert deze macht de mens van vandaag. De Graaff zegt het zo: „Degenen, die aan de moderne „communio" van de hinderaar deelnemen, geven blijk van een grote intolerantie t.o.v. degenen die deze „communio" vooralsnog weigeren. Verachtelijk en sterk afkeurend wordt gezegd: Heb je dat programma niet gezien? Hoe is het mogelijk!”(p. 349).
En dan nog zo’n macht: de sociologie. Het is haar taak de samenleving te registreren en zo goed mogelijk te doen verlopen. Maar dat gebeurt vaak zo neutraal, zo koud, zo zonder echte menselijkheid en barmhartigheid, dat De Graaff heel fel waarschuwt.
Samengevat: er zijn allerlei machten die ons beïnvloeden, het kapitaal, de wetenschap, de techniek, de communicatie, de sociologie enz. In deze machten komt een tendens, een „hogere" wereld tot uiting. Deze machten moeten er zijn, om het leven voort te doen gaan. Maar als deze machten zonder barmhartigheid en zonder God zich laten gelden, helpen zij de hinderaar en zijn antichristelijkheid. Dat begon reeds bij de torenbouw van Babel.
Ik vermoed dat het één van de voornaamste bedoelingen van De Graaff is om tegen alle neutralisme te velde te trekken. Neutralisme is onmogelijk omdat alle machten die in de wereld actief zijn, een richting hebben! Ze zijn ten goede, als ze met Israels God en Christus' koninkrijk rekenen; en ze zijn verderfelijk als ze neutraal lijken maar in werkelijkheid God negeren en de barmhartigheid niet kennen.
Hij doet aan het einde van zijn boek nog een scherpe uitval tegen dr. A. Th. van Leeuwen die in zijn boek over de christelijke boodschap in de technokratische tijd de z.g. saecularisatie voorstaat (het loslaten en achterlaten van alle godsdienstige vormen om aan het Evangelie op nieuwe wijze in onze tijd gestalte te geven). „Daarom is de meest heilloze verwarring die onze tijd kent, juist in die theologie te vinden, die stelt, dat saecularisatie een vorm kan zijn van het Koningschap van God" (p. 356).
Niet de afbraak van het bestaande christelijke leven (of saecularisatie) wil De Graaff, maar heiliging, dat is „het brengen van het schepsel tot de goddelijke bestemming".
Hij laat zijn boek (uiteraard) eindigen, zoals ps. 82 eindigt. Als in die psalm de machten opgeroepen zijn om namens God hun taak te doen, in een wereld waarin dat heel vaak niet gebeurt, eindigt de psalm met deze bede:
Sta op, o God, richt de aarde, want Gij bezit alle volken.

Antithese en solidariteit
Een christen staat in de wereld, zonder van de wereld te zijn. Dat betekent enerzijds een antithetische houding (de wereld verlaten, onze oude natuur doden) en anderzijds een stuk solidariteit (Deze aarde is des Heren). Het is niet eenvoudig de rechte verhouding tussen die twee elementen op een juiste noemer te brengen. De geschiedenis kan ons leren dat dikwijls het een ten koste van het ander gaat. Bij velen in onze dagen zien we een dermate grote openheid naar een wereldse solidariteit, een opgaan in de cultuur dat elk spoor van ascese, anders-zijn, antithese ontbreekt. Anderzijds is de reformatie ook beducht geweest voor een doperse wereldmijding, die in overgeestelijkheid staat, cultuur, maatschappij etc. aan zijn lot overliet.
In een korte beoordeling van het boek van dr. De Graaff gaat ook dr. Masselink in op deze tegenstelling. Zoals reeds gezegd is, het is ons niet te doen om de boekbespreking, maar meer om wat dr. Masselink hier opmerkt:
De lezer moet aan deze auteur veel speling geven, zowel in diens gehele conceptie van ps. 82 en de wereldbeschouwing daarbij aansluitende, als in heel veel onderdelen.
Maar het vraagstuk is er ook naar. Want het gaat over Gods heilswerk in deze wereld; Gods voortgaande heilswerk en dan toegespitst op onze tijd.
Het gaat over die ondubbelzinnige maar ook ondoorzichtige tweevoudige opdracht van Christus dat Zijn Koninkrijk niet van de wereld is, maar wel in de wereld.
In andere termen (meer van Kuyper), dat er een antithese is tussen wat uit het geloof is en wat daar tegen in gaat, maar dat er ook de opdracht is, predik het Evangelie aan alle kreaturen.
Ieder gevoelt dat dit voor het christenleven ook die tweevoudige roeping meebrengt. Enerzijds het leven met Christus verborgen in God, anderzijds het mens te zijn onder de mensen. Hoe bewust en onontbeerlijk dat eerste is, het mag niet tot een wereldmijding worden dat we ons in aandacht en verantwoordelijkheid uit het leven zouden terugtrekken. Maar de bewogenheid en solidariteit met heel de menselijke samenleving mogen anderzijds aan de pelgrims- en koninkrijkspassie in ons hart niet te kort doen.
Elk christen heeft hier te waken en te bidden om de weg te vinden, en de kerk kan niet in een enkele uitspraak de nodige voorlichting geven.
In Hervormd Nederland van 5 juli heeft dr. Boerwinkel voorgesteld dat de grote saecularisatie-filosoof Van Leeuwen (typering van mij, M.) een gesprek zal aangaan met (de m.i. meer bijbelse filosoof) De Graaff. Dat is natuurlijk aan te bevelen; want ik hoop dat geen van beide nog uitgesproken is. Met spanning zie ik uit naar wat De Graaff in vooruitzicht stelt, een vervolg te geven op zijn boek.
En dan het vraagstuk over de zin der geschiedenis. Dus ook over het bestaan van wereld en mensheid voorzover die nog nooit met de God van Israël en Jezus Christus in aanraking gekomen zijn. Hoe ver dringt het licht der waarheid door (Joh. 1)? Hoe ver strekt zich Gods goedheid uit?
Kuyper gebruikte de term „algemene genade"; Schilder e.a. spraken daarnaast van algemene opdracht en ook van algemeen oordeel. De Calvinistische wijsbegeerte (der wets idee) is er uiteraad ook mee bezig geweest. En wie is er niet mee bezig? Zowel de denker als de gewone kerkmens heeft met deze dingen te maken.
Mijn bedoeling ook met dit artikel is niet om het de lezer met grote problemen moeilijk te maken, maar die (dagelijkse) levensverhoudingen en levensvragen toch eens even vanuit De Graaffs boek opnieuw onder de aandacht te brengen. Het doet goed te horen dat elk christenmens hierin betrokken is; en De Graaff maakt het een aandachtige lezer toch ook niet te moeilijk; mits die lezer niet alles van De Graaff begrijpen wil, daarvoor zijn de bedoelde vraagstukken veel te hoog. De Heiland bidt er voor in Joh. 17, maar Hij geeft geen begrijpelijke verklaring. En Gods Woord wil ons met die gegevenheden leren leven (Joh. 1, Kol. 1, Ef. 3 enz.) maar de dingen zelf blijven ons te hoog en te wonderbaar.
Het christelijk geloof hoeft ook niet alles met het menselijk verstand te doorgonden om toch in verantwoordelijkheid, verwachting, trouw, en bewustheid de weg des levens te kunnen gaan.
Pascal, de denker die veel verzet doorstaan moest, die heel veel aan het leven geleden heeft en die zijn lied uit de diepte vol passie heeft gezongen, Pascal heeft eens geschreven (het komt bij De Graaff niet voor, meen ik): „Jezus Christus lijdt tot aan het einde van de wereld, en het past ons niet in die tijd te slapen".
Het is goed hierover eens na te denken.
De vragen van christelijk geloof en cultuur, van saecularisatie en evangelieverkondiging staan op het ogenblik in het brandpunt der belangstelling. Dat vraagt van elk onzer een stuk bezinning. Het boek van dr. De Graaff kan ons, hoezeer men mogelijk met de auteur van mening kan verschillen, stimuleren dit vragencomplex te doordenken. Het is inderdaad — en daarop wijst dr. Masselink terecht —, een boek breed van allure, boeiend en actueel, waarin een dwarsdoorsnede gegeven wordt van de cultuurgeschiedenis. Bedenken we voorts, dat dr. De Graaff een van de medeopstellers is geweest van de „Open Brief" dan begrijpt elke lezer, dat hij ons niet vermoeien wil met speculatieve vragen, maar dat hij vanuit de door hem ontwikkelde gedachtengang onze ogen wil openen voor allerlei tendenzen in de huidige cultuur die niet uit het Evangelie voortvloeien, maar ronduit daemonisch zijn. En het is goed en nodig hierover na te denken.

Een gevaarlijk breekijzer
In het Hervormd Weekblad, orgaan der Conf. vereniging van 30 oktober wijdt Prof. dr. G. P. v. Itterzon een artikel aan een aan de synodeleden toegezonden rapport over gemeentevormen en gemeenteopbouw. Hij wijst er op hoe na een aantal goede opmerkingen over de kerk en haar opdracht in de inleiding van dit rapport, geleidelijk aan de sociologie haar kans krijgt en de huidige situatie als uitgangspunt genomen wordt. De utrechtse hoogleraar heeft veel critiek op allerlei onderdelen van dit rapport, maar gaat uitvoerig in op een bepaalde passage over de Kerkorde van 1951.
Er volgt dan een passage, die uiterst merkwaardig is. Ze bevat namelijk een zin, die men letterlijk in een artikel van ds. Landsman in Hervormd Nederland kan terugvinden. Men kan zich nu afvragen, of ds. Landsman zijn inzichten aan het commissierapport te danken heeft, of dat hij wellicht voor de inhoud van dit rapport of een gedeelte ervan geestelijk verantwoordelijk is. Op blz. 8 staat immers: We moeten „tot de teleurstellende conclusie komen, dat bij de vormgeving van het werk van de innerlijke vernieuwde kerk vooronderstellingen hebben meegespeeld die bij het invoeren van de Kerkorde in het begin van de vijftiger jaren al verouderd waren. De Kerkorde vormt de afsluiting en bekroning van een honderdjarige strijd om kerkvernieuwing en kerkherstel. Op het moment dat de kerk dit geschenk ten deel viel, was het verouderingsproces, zonder dat dat toen zichtbaar was, al begonnen. We moeten constateren, dat dat, gezien de menselijke inzet, het geloof, de trouw en de arbeid die opgebracht zijn om tot die kerkorde te komen, uitermate teleurstellend is. Nu kunnen we gelukkig zeggen, dat dit oordeel te globaal is. Niet alles wat aan wijsheid en inzicht in de Kerkorde is vastgelegd is verouderd. Dezelfde inzet waaruit zij kon ontstaan, zal de kerk ook nu weer de kracht kunnen geven om doelbewust vorm te geven aan zichzelf en aan haar werk. Die vormgeving zal dan echter moeten worden getoetst op zinvolheid of zinloosheid, gezien de situatie waarin de kerk nu verkeert en de opdracht die zij nu heeft”.
Heeft ds. Landsman, wiens uitspraak in dit citaat voorkomt, en ds. R. Kaptein, die secretaris is van een paar Raden in onze kerk, die voorzitter is van bovengenoemde commissie en dus een grote medeverantwoordelijkheid voor het bewuste rapport draagt, ten volle bedacht, wat hun verklaringen over die kerkorde, die al dadelijk in 1951 aan het verouderen was, zouden kunnen inhouden? Hebben zij er zich voldoende rekenschap van gegeven, dat op de algemene kerkvergadering, die men nu ontketend heeft, progressieve figuren, die de gevestigde orde ook in de kerk willen laten verdwijnen, hun kritiek zullen richten op diegenen, die zij als typische representanten van die gevestigde kerkorde (het zgn. establishment) beschouwen? En als ds. Landsman en ds. Kaptein zo nadrukkelijk het breekijzer in het bestel der kerk zetten, als zij doen, kunnen ze toch moeilijk verwachten, dat de slopershanden het bij de kerkordelijke bepalingen over kerkeraden en gemeenten zullen laten. Ik denk aan het wijze woord van Mordechaï tot koningin Esther: Beeld u niet in, dat gij alleen van al de Joden ontkomen zult, omdat gij in het paleis des konings zijt. Want wie gelooft, dat de progressieve brekers het hele apparaat van synode en raden ongemoeid zullen laten, als de secretarissen daarvan nu al verklaren, dat zij hun werkzaamheden te danken hebben aan een kerkorde, die in 1951 al verouderd was? Maar we komen in een andere serie artikelen op de spraakverwarring en twistingen, die de algemene kerkvergadering, die de synode uit handen heeft gegeven en aan Kerk en Wereld heeft toevertouwd, binnenkort, naar we hopen, wel uitvoerig terug.
Het rapport, dat aanvankelijk een goede start had, komt later met uitspraken, die het gehele kerkelijk leven, zoals het in verschillende gemeenten nog bloeit, levensgevaarlijk bedreigen.
Het hier door v. Itterzon genoemde rapport is toegezonden als bijdrage tot het gesprek. Maar het is duidelijk dat het bedoelt een pleidooi te zijn voor geheel nieuwe kerkstructuren. Daarbij is de huidige situatie min of meer tot uitgangspunt genomen en tot norm. Men vraagt zich af welke kerkbeschouwing er in deze gespreksbijdrage zit.
Te meer klemt deze vraag als men nagaat wat in concreto in dit rapport voorgesteld wordt. Prof. v. Itterzon noemt het volgende:
Blz. 89: „Er komt, naast de belijdenis des geloofs, een andere mogelijkheid tot het avondmaal te worden toegelaten. Er wordt nagegaan, of het mogelijk is om een vorm te scheppen waardoor men door een schriftelijke aanmelding lidmaat van de kerk kan worden”.
Dus: men schrijft een brief en verneemt dan, dat men tot lidmaat is toegelaten. Waarschijnlijk met de vermelding van de contributie, die men jaarlijks zou moeten betalen. Want deze vorm van lidmaat-worden is m.i. puur verenigings-matig.
Blz. 141c: „De positie van predikanten en hulppredikers wordt zodanig gewijzigd dat zij voor de sociale wetgeving als loontrekkenden worden beschouwd." Motief: „Zij derven de kinderbijslag voor de eerste twee kinderen en zijn ook verder duidelijk benadeeld” (141b).
Als de predikanten „loontrekkenden" worden, wie zijn dan hun werkgevers?
Blz. 135: „De territoriale exclusiviteit van de gemeente wordt opgeheven in die zin, dat ieder volwaardig lid kan worden in de gemeente waarin hij dat wil zijn. Beschikt iemand over twee woningen, dan moet hij in twee gemeenten van zijn keuze volwaardig lid kunnen worden”.
Dus: We gaan nu in de kerk het kapitalistisch stelsel invoeren. Mensen met veel geld, zoveel, dat ze er een tweede woning in Gelderland of Drente op kunnen na houden, krijgen vanwege hun kapitaalkrachtige positie stemrecht in twee gemeenten.
Blz. 72: „Er worden mogelijkheden geschapen, waardoor het avondmaal veel meer dan tot nu toe het geval is een levende werkelijkheid in en voor de gemeente wordt. Wij denken daarbij aan het bedienen van het avondmaal in (bijbel)kringen en incidentele bijeenkomsten door een ouderling of een diaken. Ook andere mogelijkheden zouden moeten worden onderzocht”.
Dus: We roepen een heel conventikelwezen in het aanzijn. In kringen kan avondmaal worden gevierd onder leiding van een ouderling of een diaken. Blijkbaar is dat nog niet ruim genoeg en wordt ook nog naar andere mogelijkheden gezocht. Het komt me voor, dat er niet zo naarstig gezocht behoeft te worden, want men zou ook regelrecht kunnen bepalen, dat niet-lidmaten der kerk het avondmaal mogen bedienen. In die richting wijzen blz. 51 en 68, waar men het volgende kan lezen:
Blz. 51: „Er komt een regeling, waardoor leden van andere kerken in alle Hervormde organen volwaardig kunnen meewerken. Eenzelfde regeling wordt nog gezocht voor hen die Christus als hun Heer belijden maar die er (nog) niet toe kwamen om lid van een kerk te worden”.
Dus: Geen lid nog van een kerk en toch in alle (er staat een accent op!) Hervormde organen volwaardig medewerker. In alle, dus in de kerkeraad, in de synode enz. Het is nu duidelijk, wat er op blz. 45 met het volgende wordt bedoeld: „De doordenking van de ambts-problematiek wordt, ook in de gemeenten, met het oog op de huidige situatie en de huidige opdracht van de kerk met kracht bevorderd". De aandachtige lezer merkt het al: Bij alle zaken, ook bij (wat men dan noemt) de „ambtsproblematiek" geeft „de huidige situatie" de toon aan.
Blz. 68 is al heel merkwaardig. Daar lezen we, dat de mogelijkheden dat gemeenteleden in kerkdiensten voorgaan verruimd moeten worden. Men vraagt zich dan af, of we nog artikel XXX nodig hebben met het oog op het dreigend tekort aan predikanten. We hebben straks, als we verstandig zijn, nagenoeg geen dominees meer nodig. Lees het rapport maar goed. Bovendien spreekt blz. 68 over de mogelijkheid, „dat er naast de gewone zondagmorgendienst kerkdiensten op kleinere schaal in de gemeente komen", waarvoor men dan plaatsen en voorgangers zal moeten zoeken.
Ik vraag: Zijn dan de gewone diensten nog wel nodig? Men klaagt nu hier en daar over verminderd kerkbezoek (zie het rapport). Kan straks de kerk niet definitief dicht?
Blz. 180 en 187 doen voor mij de deur dicht. Wie niet slaapt, kan daar de mogelijkheid lezen, dat gemeenten zich van de Hervormde kerk afscheuren. Men zegge niet, dat ik overdrijf. De kerkrechtkenners moeten mij maar controleren. Als dr. Kuyper in deze tijd had geleefd, had hij, gesteld dat blz. 180 en 187 werkelijkheid werden, gemakkelijk kunnen doleren. Men kan er alleen nog over twijfelen, of de kerk, die ds. Landsman en ds. Kaptein zich dromen, een verzameling van vrije gemeenten zal zijn, dan wel van vrije verenigingen. Het rapport dringt in de laatste richting.
Men kan zeggen: Het is maar een gespreksbijdrage. Maar daarmee is de zaak niet afgedaan. Want de opstellers beogen meer. Het is vurig te hopen dat de synode vanuit de reformatorische visie op het kerk-zijn voldoende „tegenspel" zal geven als dit rapport in bespreking komt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 november 1969

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 november 1969

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's