UIT DE PERS
De laatste synodezitting der Gereformeerde Kerken te Lunteren heeft uiteraard in de kerkelijke pers nogal wat aandacht gekregen. Vooral de ontmoeting met enkele voormannen uit de kringen der verontrusten, de discussie over de binding aan de belijdenis en het besluit tot aansluiting bij de Wereldraad moeten hier genoemd worden.
De verontrusten op de synode
Een drietal predikanten hebben als vertegenwoordigers van de Vereniging van verontrusten het woord gevoerd. Naar het oordeel van prof. dr. H. N. Ridderbos in zijn wekelijkse rubriek in het Geref. Weekblad van 7 november was het het woord van ds. E. J. Oomkes dat vanwege de bewogenheid het meeste gehoord werd. „Waarheid en Eenheid" van 11 november heeft de tekst van hun toespraak volledig weergegeven. Ds. Oomkes, sprekende over Schriftgezag en belijdenishandhaving, begon met zijn verontrusting uit te spreken over de weg die de Synode behandelt. De verontrusten willen geen pressiegroep vormen, en menen bovendien dat er nogal wat bezwaarschriften op de tafels der synodeleden liggen. Moet dat niet voldoende zijn?
Toch wilde hij de gelegenheid aangrijpen om het woord te voeren. Z.i. staan de Geref. kerken op een tweesprong: Of de synode handhaaft de continuïteit met het belijden van de kerk der eeuwen of zij capituleert voor de inzichten van de nieuwere theologie. Zullen de Geref. kerken leven uit het Evangelie van verzoening of verlossing of zullen ze de ergernis van het Evangelie wegnemen, door met alle geweld gehoor te willen vinden bij de moderne mens?
In dit verband is door ds. Oomkes het volgende gezegd:
Wat nu de aangelegenheden en de ontwikkeling van ons kerkelijk leven betreft, waarover wij verontrust zijn, deze zijn legio. Ik wil er enkele noemen: Daar is de prediking. De klachten, die ons van vele zijden ter ore komen, en heus niet van de eerste de beste, geven ons de indruk, dat deze zeer veel te wensen overlaat. Zonde en genade, bekering en wedergeboorte, worden maar zelden genoemd. Uit vrees „de moderne mens" nog verder van de kerk af te stoten? Vele kerkleden verkeren hieronder in nood. Ze lopen de eigen kerk voorbij om ergens anders voedsel te zoeken: Ook durven verschillende ouders hun kinderen niet meer bij hun plaatselijke predikant naar de catechisatie te sturen.
Daar is het secularisatieproces, dat steeds verder om zich heengrijpt, wat door meerderen wordt toegejuicht en aangemoedigd! Er is een voortgaande aanpassing aan een wereldse wijze van denken en leven aan de gang, waarbij wat met een oud, maar kostbaar woord, de godsvrucht genoemd wordt, steeds meer verloren gaat. Het woord van Paulus: Maar gij geheel anders, schijnt geïnterpreteerd te moeten worden als of hij schreef: Maar gij in niets anders.
Er zou veel meer te noemen zijn, maar we willen ons beperken en het bij deze summiere aanduiding laten en onze bezwaren toespitsen op twee punten. Wat ons echter bovenal verontrust is de aantasting van het gezag van de Bijbel als het betrouwbare Woord van God.
Men legt zo sterke nadruk op de menselijke woorden en de tijden, waarin het Woord van God tot ons komt, dat het goddelijk karakter daarvan schier te loor gaat, zodat we beter niet meer kunnen spreken van Heilige Schrift. De Bijbel is een door en door menselijk boek.
Dat juist door de ingeving van de H. Geest het bijbelwoord zijn eigentijdse en culturele context te boven gaat, ontgaat blijkbaar velen ten enenmale. Zeker, herhaaldelijk wordt ons door de aanhangers van de nieuwe theologie verzekerd, dat men de mensen de Bijbel niet wil ontnemen. Het moest er nog bij komen ook! Ja men wil juist de mensen beter dan tot dusver de Bijbel leren verstaan door het nieuwe licht te laten schijnen dat wij ontvangen hebben en door wat de wetenschap aan resultaten van haar onderzoek naar boven heeft gebracht. Men zegt, niet de Bijbel is in 't geding; men wil alleen een niet meer te verantwoorden bijbelbeschouwing bestrijden en vernietigen, waardoor de mensen de Bijbel helemaal verkeerd hebben gelezen en verstaan!
Broeders, was het maar waar!
Inderdaad in zoverre hebben deze schrijvers en sprekers gelijk, dat het vandaag een totaal andere bijbelbeschouwing is, die naar voren is gekomen. Geheel anders dan wat tot dusver onder ons geleerd werd. Maar nieuw is ze helemaal niet. Ze is al bijna een eeuw oud en door de gereformeerde theologen Bavinck, Kuyper, Maarten Noordtzij, Grosheide, Aalders, J. Ridderbos, Greijdanus e.a. geargumenteerd en radicaal afgewezen.
En dat niet omdat zij de zwaarte van de problemen rondom de Schriftleer niet voelden of daar geen oog voor hadden, maar omdat zij onverzwakt uitgingen van het belijden: Wij houden alles voor waarachtig wat ons God in Zijn Woord heeft geopenbaard.
En juist hier zet de neo-gereformeerde radicale theologie haar critiek in, waarbij het steeds duidelijker wordt, hoe deze nieuwe Schriftbeschouwing niet maar een andere beschouwing is, die ons de H. Schrift beter doet verstaan, maar een beschouwing die de H. Schrift zelf aantast.
Wie de publicaties van de zijde van de nieuwe theologie leest, die alle min of meer over de betrouwbaarheid van de Bijbel handelen, komt al heel spoedig tot de ontstellende ontdekking, dat men zich tot het uiterste inspant, ja meer dan dat, om de onbetrouwbaarheid van de Schrift aan te tonen, met betrekking tot bepaalde feiten, geschiedenissen, woorden, data enz.
De Bijbel belijden als Gods Woord, zo zegt men, betekent niet dat alles zo gebeurd is als de bijbelschrijvers zeggen. Meerdere geschiedenissen uit het O.T. zijn volksverhalen. Van Adam en Eva als historische personen moeten wij zo gauw mogelijk af. Er is nooit een staat der rechtheid, een paradijs, geweest. Van een historische zondeval kan dan ook niet gesproken worden. De muren van Jericho zijn ten tijde van Israels intocht in Kanaan nooit gevallen, laat staan door het geloof. Onder de verhalen van Elisa, ontdekt het nieuwe licht ook legenden. Het verhaal van Jona is geen geschiedenis maar midrasj.
Ook wat het N.T. betreft, is het al evenzo gesteld. Van een werkelijk zo gezegd en zó gebeurd zijn als de Evangeliën ons voorstellen is geen sprake. Er zijn verhalen in de Evangeliën die iets legendarisch over zich hebben (Baarda pag. 84). Maria de moeder des Heren kan niet een afstammeling van koning David geweest zijn. In Hand. 2 en 4 hebben we geen historisch beeld van het leven van de eerste gemeente in Jeruzalem. De schrijver heeft een sterk geïdealiseerd beeld van deze gemeente gegeven (Augustijn). Het is de vraag of Jezus zich bewust is geweest dat Hij de Messias, de Zoon van God was. Door de opstanding van Jezus Christus is de gemeente Hem gaan zien als de Messias, de Zoon van God. En dat geloof heeft de verhalen van wat Jezus gezegd en gedaan heeft gekleurd. Achteraf heeft men het optreden van Jezus omhangen met de geloofswereld van de gemeente na Pasen. In Rom. 5 hebben we te maken niet met Adam als historisch persoon, maar als leermodel.
Zou zouden we door kunnen gaan. We hopen dat het u duidelijk is dat het niet gaat om een Schriftbeschouwing. Maar over de Schrift zelf. Nog een ding ter illustratie hiervan.
Op een vraag: Worden alle mensen behouden, antwoordt een professor in de theologie: Ik weet het niet (Valkenburg p. 59). Dit antwoord bevreemdt ons niet als we weten dat deze zelfde professor beweert dat de komst van het Kon. Gods niet komt door een catastrofe heen, maar in de weg der ontwikkeling, waarin de gedachte van een eindgericht en eeuwige scheiding niet meer past.
Hier, wij herhalen het, wordt de Schrift zelf als het betrouwbare Woord van God losgelaten. De bron waaruit wij onze kennis van God en de Here Jezus putten. De absolute norm in leer en leven.
Welke consequenties dit alles met zich meebrengt kunnen we vernemen uit wat er geschreven en gezegd wordt over de echtscheiding, homo-sexualiteit, abortus, gezag, revolutie enz.
Duidelijk blijkt dat waar het gezag van Gods Woord wordt ondermijnd, tenslotte niets overeind blijft staan, ook al blijven er gelukkige inconsequenties. Wij zijn er niet blind voor dat de aanhangers van de nieuwe theologie vast willen blijven houden aan de heilsfeiten van kruis en opstanding. Maar daarmee zijn we er niet. Kan men hiervoor halt houden als men eenmaal de Schriftcritiek als beoordelingsprincipe van de waarheid daarvan heeft aanvaard. En wordt er hier en daar al niet gesleuteld aan de heilsfeiten? o.a. de maagdelijke geboorte? Waar het o.i. om gaat is het centrale alles beheersende van ons christelijk geloof. Jezus Christus die in het niet te verscheuren kleed van heel de Schrift tot ons komt.
Op bewogen wijze heeft ds. Oomkes de synode opgeroepen toch trouw te blijven aan de reformatorische belijdenis inzake het Schriftgezag en deze belijdenisgeschriften onverkort te handhaven. Hij betreurt het zeer dat velen hun handtekening onder het ondertekeningsformulier plaatsen, terwijl men in de praktijk van prediking en catechese er vrijelijk de hand mee licht. Als voorbeeld noemt ds. Oomkes de ontkenning van de historische zondeval, waarmee men synodebesluiten ronduit negeert.
Daarom, praeses, brs., vragen wij dringend aan de synode, een einde te maken aan de ondermijning van het Schriftgezag en uit te spreken dat de binding aan onze belijdenisgeschriften onverzwakt geldt en geëffectueerd moet worden. Zeker zal dit moeten geschieden op onbekrompen wijze. In een levende kerk zal er altijd ruimte moeten zijn om verschil van mening en inzicht. Maar binnen het raam van de belijdenis.
Vindt men die te eng, laat men z'n bezwaren indienen.
En indien men dat niet wil, wel hoezeer wij dit zouden betreuren en veel liever zouden willen dat zij, die zulke belangrijke sleutelposities in onze kerken innemen, terugkeerden tot het volle geloof in de Schrift als Gods gezaghebbend, onfeilbaar woord — maar als hun dit niet mogelijk is, laten ze dan heengaan. De indoctrinatie heeft reeds te lang geduurd. Het is de hoogste tijd dat er een eind aan komt, evenals aan de dubbelzinnigheid van het ondertekenen van de formulieren van enigheid.
Voor de lange weg van commissie zus en commissie zo is er geen tijd meer. Nee wij begeren niet de weg van het conflict.
Wie 1944 heeft meegemaakt, heeft de schrik daarvoor wel in de botten en de huiver in het hart.
Maar wij willen ook niet dat bij de gratie van deze schrik, allerlei inzichten gepropageerd worden, die op kwade voet staan met wat door onze kerken en haar belijdenissen op grond van Gods Woord beleden wordt. Het zij nog eens met nadruk en ten overvloede gezegd: Het is verre van ons, dat wij ook maar de bedoeling hebben een breuk in onze kerk te willen. Evenmin als Luther ooit de bedoeling heeft gehad te breken met de r.k.-kerk. En toch heeft hij haar moeten verlaten. Zo kan ook, hoe zeer wij dit ook moeten betreuren, voor velen in onze kerken het moment aanbreken dat wij moeten zeggen: Helaas, zo kan het niet langer, wij moeten gaan.
Laat uw vergadering goed weten: Er is een grens!
De Here onze God verhoede, dat mede door uw beslissingen of niet beslissen, die grens wordt bereikt. Meerderen van onze leden in sommige plaatsen verkeren reeds door de prediking en de catechisaties in gewetensnood, wat ze moeten doen.
Broeders, doet waartoe u geroepen bent: Snijdt het Woord der waarheid recht!
Vraagt naar de wil des Heren en laat geen vrees u leiden. Laat het Woord de lamp voor uw voet zijn en de Heilige Geest u in alle waarheid leiden! Daartoe gaat ons gebed dagelijks voor u op.
Met opzet hebben we een groot deel van deze toespraak hier geciteerd. Het zijn geen nieuwe dingen die gezegd zijn. Worstelen we binnen de Hervormde kerk niet jaar en dag met dezelfde problemen? En bovendien, in de kolommen van „Waarheid en Eenheid" zijn telkens weer deze geluiden te horen.
Of deze toespraak wat uit zal werken? Ter synode is breedvoerig over dit alles gesproken. Zeker, er was bij verschillende synodeleden een klankbodem voor de vrees en de klachten van de verontrusten, zoals Ridderbos in het GW schrijft. Maar we hebben uit de uitvoerige verslagen toch de indruk gekregen dat men over het algemeen weinig antenne heeft voor de diepste beweegredenen die de verontrusten bezielen. Zelfs zijn woorden gebruikt als „morele chantage", „exclusivisme bij de verontrusten", „een kerkelijke sfeer, die verontrustend zou werken op de theologische studie" enz. enz. Aldus het verslag in Scheps' Kerknieuws, dat ook meedeelt dat prof. Kuitert de laatste spreker was die inging op de uitlatingen van de verontrusten. Afgaande op de persverslagen krijgen we de indruk dat juist door Kuitert naar voren gebracht is waartegen de verontrusten bezwaar maken. De verschuivingen in de werkelijkheid maken dat we ons niet bezig houden met de werkelijkheid van gister, want die is geen werkelijkheid meer. Daarom bepleitte Kuitert een moedig voortgaan op de weg van het experiment. Gaan de Geref. kerken inderdaad deze weg op? We menen dat het met het gereformeerd karakter van deze kerk dan gedaan is. Het is dan te hopen dat het bewogen pleidooi van ds. Oomkes e.a. gehoor vindt.
De binding aan de belijdenis
Erg gerust zijn wij daar niet op, als we de discussies volgen over de kwestie van de ondertekening waarmee men zijn instemming betuigt met de reformatorische belijdenis. Door de deputaten werd gesproken van een binding aan de belijdenis naar haar zakelijke inhoud en naar haar intentie en tevens werd door hen voorgesteld een nieuw ondertekeningsformulier te ontwerpen. Dat alles doet verdacht veel denken aan de beruchte „geest- en hoofdzaak-formule”.
Prof. Augustijn verklaarde ronduit dat de bestaande belijdenis haar tijd gehad heeft. De kerk moet niet haar uitgangspunt nemen in geschriften van drie eeuwen geleden, maar op de voorgrond stellen hetgeen voor onze tijd nodig is, b.v. de taak der kerk voor de noodlijdende wereld. De formulering uit de hervormde kerkorde („in gemeenschap met") noemde Augustijn oneerlijk, althans nu, in dit stadium. Wij zoeken immers ook gemeenschap met roomsen etc. Nu is ter synode deze visie krachtig weersproken, o.a. door de hoogleraren Polman en Ridderbos. Maar toch krijgt men uit de discussies het gevoel dat velen binnen de Geref. kerken op de een of andere wijze naar een formulering toe willen zoals we die vinden in de Hervormde kerkorde, en de binding reduceren tot een bepaalde kern.
De zaak blijft wat in de mist. Het is vurig te hopen dat hierin de nodige helderheid gebracht wordt. Zeker, ook bij binding aan de belijdenis blijft verschil van inzicht. Ook is ten volle waar, dat ondertekening van een formulier geen garantie is voor het op de rechte wijze functioneren. Bepalend is de vraag: Leven wij uit hetzelfde geloof als de reformatorische vaderen. Beslissend ook hiervoor is de vraag naar de erkenning van het gezag van de Schrift. Het een kan immers niet losgemaakt worden van het ander.
In het blad „De Wekker" van 14 november gaat ds. J. H. Velema in op deze discussie. Hij schrijft onder meer:
De synode wil, na het debat over deze kwestie, nu nagaan welke factoren er zijn die in de weg staan aan het vragen van een „volledige instemming met de belijdenisgeschriften" en men wil de vraag onder ogen zien of en zo ja hoe de kerk tot een nieuwe belijdenis zou kunnen komen op een voor onze tijd duidelijke wijze en in een voor onze tijd duidelijke taal.
De synode sprak tegelijk de verwachting uit dat alle ambtsdragers zich in het licht van het bovenstaande zullen gedragen naar hetgeen bepaald is in de ondertekeningsformulerien.
Men kan vragen welke waarde deze verwachting heeft in aanmerking genomen de opvattingen, die er t.a.v. de binding aan de belijdenis heersen.
Het lijkt er veel op dat de Geref. kerken bezig zijn het klassiek gereformeerde spoor te verlaten en zich te begeven naar het algemeen-christelijke, dat in feite geen grenzen kent; dat de waarheidsvraag in de mist laat en dat Gods Woord naar eigen zin en mening wil verstaan.
We hebben geen enkele reden om ons op de borst te slaan en te menen dat we beter zijn en dat zoiets bij ons nooit zal gebeuren. Elke kerk van gereformeerde belijdenis staat vroeg of laat aan deze gedachten bloot. Ze zijn een product van de tijdgeest. Ze passen in de sfeer van de nieuwere theologie. Ze stammen uit het klimaat van een functionele theologie waarin alle nadruk gelegd wordt op het doen, de functie, de nuttigheid en waar het wezen van de dingen niet meer aan de orde komt.
We betreuren het dat deze ontwikkeling de Geref. kerken in haar greep krijgt, althans schijnt te krijgen.
Prof. Van der Woude schreef terecht over een deconfessionaliseringsproces. Men wil van de confessie, de belijdenis af.
Zijn er dan geen vragen m.b.t. de gereformeerde belijdenis? Ongetwijfeld zijn er vragen. Ik denk b.v. aan de kwestie van het Schriftbewijs in de belijdenis. Heerst de belijdenis over de Schrift of de Schrift over de belijdenis?
Het is onmiskenbaar dat men de binding aan de belijdenis tot een tyrannieke zaak kan maken. Aan dat gevaar ontkomt m.i. terzelfdertijd de Hoogeveense synode van de Vrijgemaakte kerken niet, maar als ik kiezen moest tussen Lunteren en Hoogeveen dan voel ik me uiteindelijk meer verwant aan Hoogeveen dan aan Lunteren, — maar ik behoef niet te kiezen; gelukkig niet.
Voor allen, die gereformeerd willen blijven, was de laatste oktober-week een donkere week. Het gereformeerd-zijn is geen aanlokkelijke zaak meer (weer bedoel ik niet het lidmaatschap ener kerk, maar het willen leven naar de belijdenis). De gereformeerde papieren devalueren.
En wat krijgt men er voor in de plaats? Een oeverloos christendom; een christendom, waarin de mens in het middelpunt staat en het Evangelie verdund wordt tot een doe-recept.
Wat zullen de consequenties zijn van dit alles? Als prof. Ridderbos schrijft: De synode heeft niet onduidelijk te verstaan gegeven dat zij voor het heden het bindend gezag aan de drie formulieren bevestigd wil zien, en dus op de meest eenparige en duidelijke wijze gepersisteerd bij de binding aan de belijdenis der reformatie, dan moge hij naar de letter gelijk hebben. We menen toch dat hij de zaak te optimistisch voorstelt. Is het niet veeleer zo, dat men in een impasse verkeert en toen („voor het heden") de zaak gelaten heeft zoals ze is? En dat laatste juist roept de problemen op. Want de binding is gezien allerlei uitlatingen van hoogleraren en predikanten in het geding. Daarom staan de Gereformeerde kerken inderdaad op de tweesprong! Zal het haar gelukken de tegenstellingen te overbruggen? Voor de toekomst van deze kerk, haar reformatorische karakter en haar inbreng in het geheel van kerk en samenleving is het antwoord, wat op deze vragen gegeven wordt, van eminent belang.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 november 1969
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 november 1969
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's