Historische kontekst van de kerk in de Nederlandse Geloofsbelijdenis art. 27-29
Toen C. M. Buizer in 1917 een gravamen indiende bij de kerkeraad der Gereformeerde kerk te Middelburg tegen de artikelen 27—29 van de NGB o.g.v. de absolute tegenstelling tussen ware en valse kerk, heeft A. A. van Schelven vijf regels van interpretatie opgesteld, waarvan er een luidt: ,,De zichtbare kerk gaat niet op in het institutaire". Ik dacht, dat dit ook wel blijkt, wanneer het klassieke voorbeeld van de 7000 onder Achab (dus een aanwijsbaar getal!) wordt genoemd in art. 27 om van de enige katholieke of algemene kerk te zeggen, dat zij somwijlen een tijdlang zeer klein en als tot niet schijnt gekomen te zijn in de ogen der mensen. Wie van de zichtbaarheid der kerk een uitwendige gestalte of zelfs kenmerk van haar uitwendigheid maakt, vergeet dat „de maagdelijke moeder vruchtbaar is dankzij de Heilige Geest" (Didymus de Blinde). En wij mogen gevoegelijk erbij zeggen, dat de leden der kerk — zelf vruchten — ook vruchten dragen. Vandaar ook, dat de onzichtbaarheid der kerk niet als kenmerk van het ware kerk-zijn tegen haar zichtbaarheid mag uitgespeeld worden. In art. 27 gelden daarvoor twee argumenten: 1. de kerk blijkt uit 7000 te bestaan (7 x 1000: beide volheidsgetallen), terwijl Elia dacht, dat hij alleen overgebleven was en „zij zoeken mijn ziel om die weg te nemen"; dan was er in het geheel geen kerk over. Dat is geen punt van onzichtbaarheid, maar het verschil tussen de 7000 en de ene Elia was te danken aan het feit, dat Gods ogen de hele aarde (en heel Israël) doorlopen, en die van Elia niet. 2. De kerk is niet aan één plaats (denk aan Rome!) en aan bepaalde personen (denk aan de kurie en sekuliere en reguliere geestelijkheid!) gebonden, doch zij is verspreid en verstrooid door de gehele wereld en haar eenheid ligt daarin, dat zij samengevoegd en verenigd is met hart en wil in één Geest door de kracht van het geloof. Nemen wij de situatie van de vervolging in acht, waarin het Zuidnederlandse protestantisme rond 1561 verkeerde, dan is ook hier geen sprake van onzichtbaarheid der kerk als geloofsprincipe, maar van een reëel verspreid en verstrooid-zijn, en van een nieuwe inzet tot kerk-zijn, namelijk in de ene Geest met hart en wil verenigd, door de kracht van het geloof. Het zal wel waar zijn, dat de oorsprongen der kerk zowel in God als in ons hart onzichtbaar zijn, doch men vergete niet, dat uit het hart de uitgangen van het leven zijn, dat de Geest kerkgestalten bewerkt (zie Handelingen) en dat de herboren wil tot vereniging der verspreiden en verstrooiden vruchten droeg in de organisering der kerk, vooral bij het calvinistische kerktype. Ten diepste gaat dit alles terug op de zin, dat Christus een eeuwig Koning is, Die zonder onderdanen (zonder rijk, zonder gebied) niet zijn kan. Aan de vleeswording des Woords mag de realiteit van de kerk op aarde ontleend worden „van het begin der wereld af tot het einde toe". Des te opmerkelijker is de afleiding: der kerk van het koningschap van Christus, wanneer wij van de Heidelberger catechismus Zondag 12 hiernaast leggen, en lezen dat het koninklijke ambt van de christen door het deel hebben aan de zalving van Christus hierin bestaat, dat hij met een vrij en goed geweten in dit leven strijdt en hiernamaals regeert. Het rijk van Christus wordt dus door de Geest opgericht in de strijdende kerk. Het koninklijke, overwinnende van Christus zit hem eerder in het vrije en goede geweten (HC) en in de kracht van het geloof (NGB), dan in de schijn dat de kerk nu al zou overwinnen in haar totale gestalte. Het protestantisme, van waaruit De Brés dit beleed, is gekenmerkt door twee trekken: verstrooid en pluriform 1). De jongste studies over de zuidelijke Nederlanden (bijv. over Doornik) hebben aangetoond, hoe Luthers vele gemeenten in oorsprong waren. Ik meen, dat De Brés dit verdiskonteerd heeft in deze belijdenis van de kerk, die katholiek is (universeel christelijk). Hij neemt geen andere basis dan de verwachting der zaligheid in Jezus Christus, het gewassen-zijn door Zijn bloed en de heiliging en verzegeling door de Heilige Geest. Deze basis (breder en dieper dan de basisformule van de Wereldraad) is geen grootste gemene deler, maar treft het hart van het kerk-zijn èn het hart van de ketterijen. En daarbij mogen wij zeer waarderen, dat De Brés de eenheid in het geloof belijdend en verdedigend gevat heeft en niet t.g.o. een vijandige overheid, bij wie dit geschrift gedeponeerd is, de splinterigheden en veelvormigheid-door-eigen-schuld openbaar heeft gemaakt 2). Zoals in art. 36 niet de valse schijn van de staatskerk wordt opgehouden, doch het belijden hoger ligt dan de onderlinge praktijk van kerk en overheid, zo wordt ook hier de katholiciteit der kerk beleden boven het „aanzien wat voor ogen is". Dit artikel is niet eng, maar stringent. Het laat ook t.g.o. Rome in de vele overgangen van die tijd, de deur open. Maar de deur is Christus alleen!
Wat art. 28 betreft, moeten we de klassieke uitspraak: buiten de kerk geen heil, lezen niet als een boemerang die op het hoofd van de uittredende Reformatie terugkeert, doch als een kwalificatie van de eenheid der kerk. Die te onderhouden betekent tevens zich te onderwerpen aan haar onderwijs en tucht, en zich te gedragen als lidmaat van het lichaam, welks Hoofd in de hemelen is. Vanuit de ongedeelde Christus is er het katholieke verstaan der kerk, en vanuit het geloof in de heilige, katholieke en apostolische kerk is er de uitspraak: buiten de kerk geen heil. Deze woorden richten zich ongetwijfeld tegen de roomse orde, doch ook tegen de dopersen met hun indifferentisme t.o.v. wat kerk-zijn in de praktijk te betekenen had. Maar wanneer vervolgd wordt, dat het ambt aller gelovigen is om zich af te scheiden van degenen die niet van de kerk zijn en zich te voegen tot deze ene kerk, zelfs tegen bedreiging en straffen in — o.g.v. het verzuimen der mis — dan gaat dat minstens net zo scherp tegen de (latere) Nationaal-gereformeerden, die zich ermee vergenoegden om o.g.v. ontwikkeling positief te staan jegens de „nye leere" en toch organisatorisch rooms te blijven. Onder „ambt" versta men inmiddels niet meer dan „schuldige plicht”.
Wie de laatste zin van art. 28: „Daarom al degenen die zich van haar afscheiden en niet daarbij voegen, die doen tegen de ordonnantie Gods", verbindt met art. 29: „Wij spreken hier niet van het gezelschap der hypocrieten, welke in de kerk onder de goeden vermengd zijn, en intussen van de kerk niet zijn", die verstaat dat een voorbarig beroep op dit art. 29 ten gunste van Afscheiding en Doleantie niet opgaat. Anderzijds moet worden toegegeven, dat met hypokrieten in de kerk eerder bedoeld zijn degenen die de schijn van leven en orthodoxie hebben en in werkelijkheid er niet toe behoren, dan een aparte vrijzinnige modaliteit. Vandaar ook: „Wij spreken hier niet van het gezelschap der hypokrieten . . . maar wij zeggen, dat men het lichaam en de gemeenschap der ware kerk onderscheiden zal van alle sekten, die zeggen dat zij de kerk zijn". Gaat het hier om de grens tussen bestaande kerken? A. D. R. Polman wijst erop, dat men in de tijden van de Reformatie iedere godsdienstige gemeenschap onder een bepaald hoofd „kerk" noemde. Daarom dienen wij voorzichtig te zijn met een uitleg van dit artikel, waarbij de grens tussen ware en valse kerk met institutaire grenzen samenvalt. Men denke aan de strijd van Calvijn met de „libertins" te Geneve, ook binnen de kerk (avondmaalskwesties!), men denke aan de Nikodemieten in de zuidelijke Nederlanden, waartoe jarenlang Prins Willem behoorde. Bij de aanduiding der sekten gaat het eerder om de benaming van wat pertinent „buiten" de kerk zich opstelde, dan om een uitzuivering van de protestantse kerken door uitwerping van hypokrieten (De Labadie).
Intussen mag het woord „sekten" ons leren, dat Guido de Brés hier verdedigend bezig is om wat Rome de „nye leere" aanwreef (sekte te zijn!), aan de hand van de merktekenen op haar eigen hoofd weer te doen keren. Die merktekenen van de ware kerk bestaan — bij mijn weten in tegenstelling tot alle gereformeerde belijdenisgeschriften in de zestiende eeuw — niet uit tweeën, zoals te doen gebruikelijk: rechte Woordbediening en rechte sakramentsbediening; doch uit drieën: de kerkelijke tucht wordt erbij gevoegd. Ik heb hier geen verklaring voor. Men kan de wellicht uitzonderlijke verhouding tussen kerk en overheid als een mogelijkheid tot dit derde kenmerk noemen, doch dat geldt nog nauwelijks ten tijde van de opstelling van de NGB. Wat de inhoud van de tucht betreft, valt ons reeds rond 1575 op, dat de overheid zoveel mogelijk tuchtzaken (bijv. huwelijkskwesties) delegeerde aan de kerk, die ze echter niet ontvankelijk verklaarde bij haar kompetentie, omdat zij de geestelijke politie en niet de burgerlijke voerde. Eventueel kan dit extra kenmerk gezien worden tegen de achtergrond van een tamelijk uitgebouwde ecclesiologie (5 artikelen!) 3) terwijl in de tijd, die volgde op de zestiger jaren, de losmaking van de Nederlanden uit het Habsburgse rijk en de vorming van een stadhouderlijke republiek ruimte lieten voor een duidelijke tuchtvorming als kenmerk der kerk. Wat dit betreft, staat de reformatie in de Nederlanden in een uitzonderlijke positie. Men zie echter in art. 32, dat De Brés hierbij niet aan een strikt kerkordelijke discipline dacht.
De merktekenen van de christenen zijn: geloof, ontvluchten van de zonde en najagen der gerechtigheid, liefde tot God en de naaste, kruisiging van het vlees met zijn werken. Opvallend dat dit stukje begint met het merkteken van het geloof en ook eindigt met de vergeving der zonden in de Heere Jezus „door het geloof in Hem". Men behoeft niet te vragen, wat het belangrijkste, katholieke merkteken van de christenen is!
Tenslotte: de valse kerk stelt haar ordinantiën boven het Woord Gods qua autoriteit, bedient de sakramenten niet naar Christus' instelling, grondt zich meer op mensen dan op Christus, vervolgt degenen die leven naar Gods Woord en haar bestraffen over gebreken, gierigheid en afgoderijen. Bij het afdoen en toedoen aan of van de sakramenten naar Christus' instelling behoeven wij niet alleen aan de tekst Openb. 22 vers 18 te denken, waar hier op gedoeld wordt, doch ook aan de zeven sakramenten bij Rome en het ex opere operato-karakter van die sakramenten i.t.t. de verzegeling der beloften Gods, het karakter van zichtbaar Woord, dat de gereformeerde tak van de reformatie van Doop en Avondmaal beleed. Tevens is hier eventueel te denken aan een afwijzing van het doperdom. De fundering op mensen, meer dan op Christus, zal gelezen moeten worden in het verband van het middelaarswerk van Christus en de tussengeschoven positie der heiligen.
Uit bovenstaande opmerkingen laat zich verstaan, dat de belijdenis bedoelt zowel te belijden als te verdedigen, en dat ongetwijfeld dit belijden boven de praktijk van het reformatorisch kerkzijn uitgaat, doch met het voorbehoud, dat wat hier beleden werd, in de vervolgingssituatie duidelijker, overzichtelijker en sneller gestalte aannam dan ten tijde van de organisering der kerken. Zo zou dan ook de laatste zin van art. 29: „Deze twee kerken zijn gemakkelijk te kennen en van elkaar te onderscheiden", opgevat kunnen worden. Dat de nadere uitwerking van dit belijden in een kerkordelijk verband van stonde af aan wel degelijk bedoeld is, bewijzen de artikelen 31 en 32. Reden waarom W. Niesel de gereformeerde kerkorden met vrucht op hun belijdeniskarakter onderzocht.
Kinderdijk C. A. T.
1) Ik bedoel hier met pluriform niet de modus Vivendi in de gescheidenheid der kerken, doch de gebroken beleving van de eenheid in de Geest.
2) Daarom had Schilder geen gelijk toen hij in De Reformatie 1920 het getuigenis van Datheen over Germaanse predikanten (al dan niet Lutherse) als argument tegen de erkenning der Lutherse kerk in dit verband aanvoerde. Men moet hier oog hebben voor de verschillende positie van de verstrooide kerk t.o.v. de in principe georganiseerde kerk. Een soortgelijke herwaardering trof Datheen t.a.v. de Prins van Oranje, die ongetwijfeld in het oorspronkelijk reformatorisch verzet werd geaccepteerd, doch van wie Datheen later het kwalijke woord bezigde, dat de prins even makkelijk van religie als van hemd wisselde.
3) Bovendien worden hier sakrament en biecht uit elkaar gehaald: de opsomming in drieën heeft dus ook hierin een spits tegen Rome.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 december 1969
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 december 1969
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's