De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De kerk en de ambten

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De kerk en de ambten

9 minuten leestijd

Tot voor kort was het voor velen heel gewoon en vanzelfsprekend dat in elke hervormde gemeente de leiding in handen is van één of meerdere predikanten en een aantal ouderlingen en diakenen. Het was zo gewoon dat men zich zelden of nooit de vraag stelde hoe dit eigenlijk zo gekomen is en of het misschien ook anders zou mogen en kunnen. Ons ambtenpatroon riep geen grote vragen op, stond vrijwel buiten alle kerkelijke discussie.
Hierin is, evenals in zovele dingen, gedurende de laatste jaren een grote verandering gekomen. Bijna niets is nog gewoon en vanzelfsprekend, ook niet in de kerk en ook niet inzake de ambten. Wij zitten in onze tijd met wat men pleegt te noemen een sterke devaluatie van het ambt. Inplaats van er hoog tegen aan te kijken, zoals vroeger het geval was, is men eerder geneigd zich er wat laatdunkend over uit te spreken. In vele gemeenten zou het kerkelijk ambt, naar men beweert, een baantje zijn dat door vrijwel niemand wordt begeerd, dat men zelfs schuwt. Velen voegen daar aan toe dat een ambt in de kerk ook niet strikt nodig is, zij spreken liever van diensten en funkties; en ook al houden zij nog wel het woord ambt aan, in feite bedoelen zij iets anders, iets wat moderner en ook wereldser is.
Met dit al wordt heel wat gelegd op onze tafel waar wij ons op hebben te bezinnen en waar wij ons een oordeel over hebben te vormen. Teveel om in een enkel artikel te behandelen. Binnen het kader van de reeks artikelen in dit nummer die allen gewijd zijn aan de kerk, namelijk aan hetgeen de belijdenis over die kerk zegt, lijkt het ons zinvol om met name twee vragen te stellen en daar dan een antwoord op te geven. De eerste luidt als volgt:

Hoe ontstond ons ambtenpatroon?
Toen in de begintijd van de Reformatie in de 16e eeuw de ene stad na de andere met Rome brak was hèt kenmerk ofwel hèt teken waaraan men de stand van zaken kon aflezen het feit of in die stad nog de mis bediend werd of dat deze vervangen was door wat men noemde de reine bediening van het Woord Gods. Was in een stad de mis afgeschaft, dan gold zij voor evangelisch of reformatorisch, was dit niet het geval dan werd zij geacht nog rooms te zijn.
Hier ligt — historisch gezien — de wortel van onze reformatorische ambtsopvatting en ook van ons gereformeerde ambtenpatroon. De Reformatie betekende een verwijdering van het altaar als offerplaats (ook al liet men het ding zelf nog staan), een afschaffing van de roomse mis en het priesterschap, een herstel van de funktie van de kansel, een herwaardering van de prediking. Het Woord Gods werd opnieuw centraal gesteld.
Voor het ambt betekende dit dat de dienaar des Woords dè ambtsdrager in de kerk werd. Hij verving de priester, de man die het sacrament bediende en door een speciale wijding daarvoor persoonlijk de gekwalificeerde figuur was geworden. De leer van de rechtvaardiging van de zondaar door het geloof alleen — de herontdekking van de Reformatie — duldde het gewoonweg niet dat er mensen, te weten ambtsdragers, zouden zijn die voor heiliger doorgingen dan anderen. Mèt de mis als een goed werk van de mens, als een offer dat God door mensenhanden gebracht wordt terwile van hun heil, viel als vanzelf ook weg de bedienaar van die mis; of beter: ook hij onderging een her-vorming, werd op de kansel gezet, als dienaar des Woords.
Het reformatorische ambtenpatroon is nimmer naar waarde te schatten wanneer niet van dit historisch gegeven wordt uitgegaan. Er is geen sprake van dat wij het, zoals tegenwoordig zo vaak beweerd wordt, zouden moeten zien als een nu eenmaal door de situatie van de 16e eeuw bepaalde zaak. Deze sociologische interpretatie van het ontstaan van de ambten zoals wij die kennen, in onze reformatorische kerken, is niet anders dan een grove miskenning van de eigenlijke en zeer diepe motieven die in het spel zijn geweest.
Hetzelfde geldt trouwens niet alleen van het ambt van de dienaar des Woords, evenzeer ook van de twee andere ambten, dat van de ouderlingen en dat van de diakenen. Hun ontstaan te verklaren uit Geneefse toestanden, zo in de trant van: Calvijn kón niet anders gezien de maatschappelijke en politieke constellatie van die tijd en gezien de traditionele en cultureel bepaalde mogelijkheden waarover hij beschikte — is hoogst oppervlakkig, getuigt zelfs van een ernstige blindheid ten aanzien van de betekenis van overtuigingen en beginselen.
Ook bij Calvijn vinden wij, geheel in de geest en de lijn van Luther, een waardering van de bediening van het Woord als het hart en centrum van heel het christelijk en kerkelijk leven. Maar daarnaast vinden wij bij hem, méér dan bij Luther, een uitermate grote zorg omtrent de concrete vormgeving van dit christelijk en kerkelijk leven. Het was hem niet genoeg dat alleen maar het Woord werd bediend, hij vroeg zich ook af: wat wordt ermee gedaan in het leven van elke dag? Het was hem niet genoeg dat op de kansel het Woord zuiver bediend werd, het moest ook in het beroep en dagelijks leven zuiver worden geleefd. Vandaar zijn zorg voor opzicht en tucht. En vandaar ook dat vooral bij hem de figuur van de ouderling naar voren kwam. En ja ook die van de diaken, namelijk als de figuur, die ambtelijk representeert dat er in de gemeente ook liefde, barmhartigheid en milddadigheid leeft.
Niet voor niets is dit gereformeerde ambtenpatroon met zoveel woorden opgenomen in onze Nederlandse Geloofsbelijdenis (art. 30). Het hoort daarin geheel thuis want het is een stuk confessie: belijdenis. Wij gelóven er in. Artikel 30 begint met: Wij geloven . . .
Natuurlijk betekent dit niet dat wij een bepaalde uitwerking van dit ambtenpatroon, zoals in een kerkorde plaatsvindt, tot in alle onderdelen verabsoluteren. Dat zou de weg van het legalisme zijn. Luther zou dan vergeefs eens het roomse canonieke recht hebben verbrand. Waar het om gaat is: de grondstructuur! Die is namelijk allerminst een willekeurige of toevallige, zelfs niet een biblicistische (niet alles uit het N. Testament is overgenomen, b.v. het ambt van apostelen en de profeten niet), maar een direkt uitvloeisel van het nieuwe en rechte verstaan van het evangelie: de bediening der verzoening, de noodzaak van de levensheiliging, de eis der concrete liefde en barmhartigheid.
Zo komen wij nu als vanzelf tot onze tweede vraag:

Wat kan van dit alles vallen?
Die vraag is niet uit de lucht gegrepen, zij wordt ons herhaaldelijk gesteld. Maar vanuit welke gezichtshoek? Naar het soms schijnt vanuit een nieuwe interpretatie van de gegevens van het N. Testament die betrekking hebben op de vormgeving en regering der kerk. Het nieuwe Schriftonderzoek zou aan de dag hebben gebracht dat niet één maar verscheidene ambtspatronen in het N. Testament naast en door elkaar heenlopen. Met die verscheidenheid kan men dan natuurlijk niets beginnen en de conclusie is: De Schrift biedt ons hier niets!
In onze Nederlandse Geloofsbelijdenis (art. 30) lezen wij heel iets anders. Zoals reeds werd opgemerkt, het ambtenpatroon van de Reformatie was niet een produkt van een biblicistisch omgaan met de Schrift. Maar niettemin wel door en door bijbels, steunend op uitgesproken teksten. De Schrift werd in die dagen nog gelezen als een eenheid. Men dacht er niet aan de Pastorale Brieven te scheiden van Handelingen; en dat allerlei brieven die op naam staan van Paulus onecht zouden zijn was een gedachte die zelfs nog nergens bij de reformatoren opkwam.
In feite zit achter heel de bewering dat het N. Testament zelf ons dwingen zou ons ambtenpatroon in discussie te stellen iets totaal anders dan alleen maar een nieuw inzicht in bijbelse gegevens. De vraag kan worden gesteld in hoeverre men nog leeft bij wat de kern is van de prediking van het N. Testament en ook de kern geworden is van de reformatorische prediking: de bediening der verzoening. De aanvallen op ons gereformeerde ambtenpatroon komen voort uit een andere, nieuwe vorm van christenzijn en christelijke verkondiging. Er is niet slechts een formeel verschil, in de zin van een verschillende benadering van allerlei Schriftgegevens, in het geding, maar een zakelijk verschil: een andere visie op de kerk, haar geloof en haar prediking.
In dit alles wordt ook een heel belangrijk woordje meegesproken door de moderne tijd. De reeds genoemde devaluatie van het ambt schijnt de kerk er toe te nopen haar oude ambtenpatroon los te laten en te gaan experimenteren met nieuwe vormen, waaruit dan ook nieuwe namen zullen worden geboren.
Wij kunnen daar niet anders tegenin brengen dan dat wij vastzitten aan de Schrift en haar verkondiging, op de wijze zoals de Reformatie die heeft herontdekt. Wil men dat conservatisme noemen, eventueel confessionalisme, dat is niet erg. Wij weten voor onszelf dat het om méér gaat dan alleen een kunstmatig overeind houden van een oude gevel die op instorten staat.
Toegeven op dit punt zou een prijsgeven van het Evangelie zijn. Zomin de kerkorde van de belijdenis kan worden losgemaakt, even zo min de belijdenis van de kerkorde. Bij het woord kerkorde hebben wij in dit geval natuurlijk niet voor ogen heel dat dikke boek met al zijn ordinanties en overgangsbepalingen dat in onze kerk thans vigerend is. Wij hebben wèl voor ogen het gereformeerde ambtenpatroon dat — gelukkig — ook nog in deze kerkorde het stramien van het hele borduursel is. Jammer genoeg is er al heel wat aan gerafeld, maar het patroon is nog zichtbaar. Doch juist daartegen richten zich op het moment alle aanvallen.
Heel veel is en blijft voor wijziging (laten wij hopen: verbetering) vatbaar. De vormgeving van de ambten draagt altijd iets tijdelijks in zich; niet alles heeft eeuwigheidswaarde. Maar het is een nieuwe en onbijbelse denkwijze om alles in de tijd te laten opgaan. Het Woord Gods, de prediking daarvan, de sacramenten, het christelijk leven, de heiliging, de liefde en de barmhartigheid hebben waarde voor de eeuwigheid. Om dié dingen gaat het thans, om niets minder. Zoals in andere tijden andere artikelen van onze Geloofsbelijdenis beslissend werden voor de kerk en haar toekomst, zo in onze tijd die twee of drie, die zolang wat vergeten in ons kerkboek stonden, te weten de artikelen over: De regering van de kerk (30), De ambtsdragers van de kerk (31) en De orde en de tucht van de kerk (32).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 december 1969

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De kerk en de ambten

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 december 1969

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's