De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Sprekende of zwijgende kerk?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Sprekende of zwijgende kerk?

14 minuten leestijd

Voor velen is het een uitgemaakte zaak. De kerk mag zich niet bezig houden met de politiek en de maatschappij. Dat is haar terrein niet. Dat is het terrein waar de overheid het voor het zeggen heeft en waar hoogstens de afzonderlijke gemeenteleden hun inbreng hebben.
Voor anderen is het eveneens een uitgemaakte zaak. De kerk heeft zich primair te richten op de wereld. De wereld is het object van de prediking en van de kerkelijke activiteiten.
Tussen deze twee uitersten ligt naar het ons voorkomt het juiste midden. Daarover willen we in dit artikel iets zeggen.

Sprekend verleden
In de Nederlandse Geloofsbelijdenis is artikel 36 een onuitwisbaar document, waaruit blijkt hoezeer de kerk der reformatie oog heeft gehad voor de wereld, preciezer gezegd voor de staat en de maatschappij. In duidelijke woorden heeft de kerk daarin belijdenis gedaan van wat de Schrift over de roeping der overheden te zeggen heeft. De overheid heeft, naar het belijden der kerk, de ambtelijke plicht om als dienares van God het Koninkrijk van Jezus Christus te doen vorderen en het Woord des evangelies overal te doen prediken, opdat God door ieder geëerd en gediend wordt, gelijk Hij in Zijn Woord gebiedt. Vandaar dat de kerk in haar belijden ook wijst op de noodzaak van voorbede voor de overheden. Dat behoort tot de wezenlijke opdracht van de kerk. Dat stelt Paulus ook zo in 2 Tim. 2 vers 1—7, waarin de roeping der overheden direct geplaatst wordt in het licht van Gods bemoeienissen met deze wereld. Voor de overheden moet worden gebeden, zegt Paulus, opdat wij een stil en gerust leven mogen leiden in alle godzaligheid en eerbaarheid. Dat geruste leven is echter geen rustig leventje, want de apostel voegt er direct aan toe, dat het geruste leven goed en aangenaam is voor God, onze Zaligmaker, die wil dat alle mensen zalig worden en tot kennis van de waarheid komen. Met andere woorden, het wordt alles gezien tegen de achtergrond van de uitbreiding van Gods Koninkrijk. Als het goed is gaan kerk en staat hier hand in hand, niet in die zin dat de kerk verpolitiekt of de staat verkerkelijkt, maar in die zin dat zij beide de uitbreiding van het evangelie dienen. Er staat dan ook niet voor niets in de Openbaring van Johannes dat de koningen de eer en heerlijkheid van de volkeren in het nieuwe Jeruzalem zullen indragen. Er zijn in het leven der volkeren kennelijk dingen die direct te maken hebben met het handelen der overheden, waarvan de Schrift zegt dat ze de eeuwigheid verduren zullen en in het nieuwe Jeruzalem mee zullen gaan. Wat deze eer en heerlijkheid der volkeren is blijft verborgen. Élke poging om de dingen hier concreet te maken is menselijke projectie. Iemand zei eens, dat tot die eer en heerlijkheid der volkeren behoort een ets van Rembrandt, een cantate van Bach, de vlag van William Booth of een stukje gerechtigheid dat ergens op aarde gestalte kreeg. Hij voegde er aan toe dat hij in beelden sprak, d.w.z. eigentijdse beelden gebruikte naast de beeldrijke beschrijving uit het boek Openbaringen over het nieuwe Jeruzalem, de stad met de straten en de poorten van goud. Maar nogmaals, elke concretisering van dit moeilijke bijbelgedeelte is niet alleen gewaagd, maar bijbels gezien ook onverantwoord. Wat echter uit dit bijbelgedeelte te leren is, is dat het Koninkrijk Gods ook te maken heeft met datgene wat zich in staat en maatschappij afspeelt.
Vandaar dat de Kerk der Reformatie zo duidelijk vensters heeft gehad op het staatkundig leven. Niet alleen heeft zij beseft de noodzaak van voorbede in de gemeente voor de overheden. Maar ook heeft zij beseft, dat het geboden kan zijn om in concrete situaties te spreken. Want via de staat heeft de kerk zicht op het hele volk, ook op dat deel van het volk dat niet tot de kerk behoort. Dr. Ph. J. Hoedemaker zegt daarvan: „Men komt zo niet tot een heersende kerk. Maar het betekent dat de overheid moet worden voorgelicht door het geloof en de wetenschap, de kerk en de school, nadat deze in een organisch verband zijn gebracht" (Een staat met de bijbel, J. M. v. Dam, Amsterdam, 1902). Verder kan worden genoemd een uitspraak van de Zuid-Hollandse synode uit een schrijven dat in 1582 werd gericht tot de Leidse magistraat. Gezegd wordt: „De kerkelijke macht begrijpt (heeft te maken mèt, J. v. d. G.) alle zaken, want zij vindt in Gods Woord wat zij in alle zaken raden zal. Want er is niets in de gehele wereld waartoe zich het Woord niet uitstrekt. Daarom dwalen zij grotelijks die plegen te roepen: Wat heeft de kerk met de republiek van doen en met de wapenen en de koks? Maar als de dienaren bemerken dat in zodanige zaken de wet Gods overtreden wordt, waarom zouden zij het dan niet bestraffen en uit het Woord Gods vermanen, dat zij van de zonde afstaan? ”
Zo heeft de kerk der Reformatie hier te lande zich dan ook indringend bezig gehouden met het staatkundig leven. Niet om te treden in directe politieke zaken, maar om de overheid met het Woord te begeleiden en profetisch te getuigen wanneer van het Woord werd afgeweken. Niet alleen door de prediking, met name op bid- en dankdagen, soms uitgeschreven om een direct aanwijsbare zaak. Maar ook door adressen aan en gesprekken met de overheden vanuit de kerk. Wie hierover geïnformeerd wil worden leze er op na het boek van dr. E. B. Evenhuis, Ook dat was Amsterdam, waarin een boeiend overzicht wordt gegeven van een stukje theocratie hier te lande in de bloeitijd van onze nationale geschiedenis.
Rest nog te vermelden dat prof. dr. A. A. van Ruler in zijn boek Religie en Politiek opmerkt hoe de Nadere Reformatie ten diepste ook een nationale strekking had. Daarachter zat het zicht op de eer van God. De lof Gods diende op te klinken uit het volksleven. Dat was niet alleen een bevindelijke zaak, maar een zaak die bredere allure diende te hebben.
Wie dan ook menen mocht dat er geen lijnen van de kerk naar de staat lopen, kent zijn geschiedenis niet. Maar wat belangrijker is, verwaarloost diepe noties uit de Schrift. De vraag omtrent het spreken van de kerk inzake politieke en maatschappelijke situaties is niet: mag het? Maar de opdracht is er. Het móet. Maar uitsluitend correctief. D.w.z. wanneer het gebod Gods overtreden wordt.

Van zwijgende kerk tot sprekende kerk
Nadat in 1795 de band tussen kerk en staat hier te lande verbroken was, is de kerk, bedoeld is dan de Nederlandse Hervormde Kerk, een zwijgende kerk geworden. Inplaats van te komen tot een profetische houding binnen ons staatkundig bestel, heeft zij zich meer of minder van staatswege laten bevoogden. Eén van de wezenlijke opdrachten van de kerk geraakte op de achtergrond.
Totdat in de tweede wereldoorlog de kerk, onder invloed van de Barthiaanse theologie, het zwijgen verbrak en weer spreken ging in concrete politieke situaties. Dit gebeurde in Duitsland door de Bekennende Kirche die in de Barmer Thesen een duidelijk neen liet horen tegen het demonische stelsel van het nationaal socialisme. Eén van de thesen was: wij verwerpen de valse leer dat er terreinen van ons leven zijn waarin niet Jezus Christus maar andere heren te gebieden zouden hebben, daarmee duidelijk stelling nemende tegen het nationaal socialisme.
We laten hier verder buiten beschouwing in hoeverre de Barthiaanse theologie, waardoor dit spreken der kerk werd geactiveerd, in dezelfde lijn lag als het Reformatorisch belijden, waardoor art. 36 van de N.G.B. tot stand kwam. Ongetwijfeld zat hier achter een eenzijdige apostolaatsvisie. Voldoende is echter om te constateren dat de kerk zich haar roeping tegenover het staatkundig en maatschappelijk leven weer bewust werd en oog kreeg voor de machten die in de staat werkzaam waren. Als we dit zo zeggen dan neemt dat niet weg dat we tevens moeten zeggen hoe riskant deze weg van het spreken der kerk is, hetgeen ook metterdaad gebleken is. Het gevaar voor grensoverschrijdingen is immers bijzonder groot. Gemakkelijk raakt de kerk verstrikt in politieke zaken. Aan dit gevaar is de Ned. Herv. Kerk ook niet ontkomen. Ze heeft zich soms gemengd in concrete politieke kwesties, waarvan het op z'n minst onduidelijk was of er enige bijbels aanwijsbare reden tot spreken was. We denken hier b.v. aan de Nieuw-Guinea kwestie. Zodra bovendien de kerk gaat selecteren uit de voorhanden zijnde politieke kwesties dan is het gevaar aanwezig dat zij in de eerste plaats niet namens al haar leden spreekt, terwijl zij daarnaast onderwerpen laat liggen waarvan anderen zouden zeggen: waarom hier dan niet gesproken? Prof. dr. G. P. van Itterzon zegt in het blad van de Confessionele Vereniging van 23 okt. 1969: „Figuren die als deskundigen willen worden beschouwd en dit ook zijn, roerden zich stevig in de Indonesië politiek en wisten alles van Nieuw Guinea af. Bij straatdemonstraties deden zij mee. Momenteel zwijgen zij als het graf. Geen woord over Nieuw Guinea al staan de kranten er vol van. Geen woord over Israël, al zou de brand in de Aska-moskee ook een wereldoorlog kunnen ontketenen.”
Al zijn we het enerzijds met deze uitspraak van prof. Van Itterzon van harte eens, anderzijds blijkt hier eens te meer voor welke riskante dilemma's de kerk staat wanneer zij zich met concrete politieke zaken bezig houdt. Deze weg is, naar het ons voorkomt, de juiste niet, zeker niet de historisch-reformatorische. Daarin gaat het veel meer en veeleer om structuren waarvan het onbijbelse karakter aangewezen wordt. Maar dan moet ook volkomen duidelijk zijn dat het inderdaad gaat om zaken waarover de bijbel een helder licht laat vallen. Of, om het in één hoofdgedachte te zeggen, dan moet het gaan om die zaken waarin de dienst aan God heel duidelijk in het geding is. Wanneer in dit opzicht blijkt dat structuren ontstaan of beslissingen worden genomen waarbij de dienst aan God duidelijk in het geding is, dan heeft de kerk te spreken. Dit is dan geen verpolitiekt spreken, maar een kerkelijk spreken, vanuit de profetische roeping der kerk.

Een sprekende kerk toch een zwijgende kerk
In dit verband zou het toch wel eens zo kunnen zijn dat de Ned. Herv. Kerk, zoals die zich in de naoorlogse jaren heeft ontwikkeld, eerder een zwijgende kerk dan een sprekende kerk genoemd moet worden. Het is een bekende bijbelse uitdrukking dat een kerk die niet spreekt naar het Woord geen dageraad hebben zal. Het Woord is de enige mond waarmee de kerk spreken mag. De kerk mag haar identiteit dan ook niet verloochenen. Ze dient de hoedster te zijn van het geheimenis dat haar in het Woord is toevertrouwd, en het leven van mens en volken te stellen in het perspectief der eeuwigheid. Dat alleen kan haar richtsnoer zijn wanneer zij de schijnwerper richt op de samenleving.
Momenteel ontmoeten we echter, niet in het minst ook binnen onze kerk, een ontwikkeling die dreigt te gaan leiden tot een totaal andere wijze van kerk-zijn dan op grond van het Woord te verantwoorden is. De kerk heeft zich geworpen op de problemen rondom de humaniteit. Ze maakt zich druk om aards recht en aardse gerechtigheid. En zonder deze noties op enige wijze te diskwalificeren, moeten we zeggen dat een kerk, die in deze dingen opgaat, zich er in feite aan te buiten gaat en er uiteindelijk aan te gronde gaat. Waarom dient het dan primair te gaan? Om, zoals we al eerder zeiden, de vraag of en hoe God in de samenleving wordt gediend. Wanneer we de ontwikkeling van ons volksleven zien dan zou de kerk geen dag rust meer mogen hebben, gezien de schrikbarende ontkerstening die zich aan het voltrekken is. Een krachtig telkens herhaald getuigenis, van de enige weg ter zaligheid en de eis van het dienen van God ook in de samenlevingsverbanden is hier en nu de primaire roeping. Daarmee zal de samenleving zijn gediend en de eer van God worden bevorderd. In plaats daarvan voltrekt zich een geruisloze legitimering van de secularisatie. De kerk heeft haar bakens verzet en heeft zich geworpen op de structuren van de samenleving, voornamelijk ook in wereldverband, waarbij zij aan de vraag van de humaniteit prioriteit geeft boven de vraag naar het leven naar Gods geboden, naar de vraag dus van geloof en bekering. De notie uit 1 Tim. 2, waarin gezegd wordt dat het God om de zaligheid van de mens en de kennis der waarheid begonnen is en dat in dat licht ook het handelen der overheden dient te worden bezien, is op de achtergrond gekomen. De kerk heeft van de nood een deugd gemaakt. De nood in de wereld, die niet anders is dan de nood van de afval van God, wordt of niet meer gepeild of als zodanig niet erkend, omdat in de plaats daarvan is gekomen de nood van de mens in hun onderlinge verhoudingen. Alles wat de kerk over dit laatste zegt zal echter geen profetisch getuigenis meer zijn wanneer de diepere dimensie van het skandalon van de gekruisigde Christus, die gezet is tot een val en opstanding, niet in de eerste plaats duidelijk doorklinkt en wanneer daar niet achter zit het besef van het gezicht, waarin de honden en de afgodendienaars buiten het Koninkrijk Gods gesloten worden (Openb. 22 : 15).
Zo bezien zouden wij willen zeggen dat een sprekende kerk toch een zwijgende kerk kan zijn. Als zij spreekt met een andere mond dan de mond van het Woord. Als zij de geheimenissen van Woord en Geest prijsgeeft voor een religieus getint humanisme en dit gaat verkondigen als dè essentie van de bijbelse boodschap.

Een zwijgende kerk en een zwijgende God
Nog één facet vraagt onze aandacht in verband met het aan de orde zijnde onderwerp. We begonnen dit artikel met de krachtige belijdenis van de kerk der reformatie inzake de overheid en in verband daarmee de staat en de maatschappij. Dit artikel ondervindt bestrijding. Men acht het uit de tijd. Het is geschreven in een tijd toen de samenleving nog duidelijker de sporen droeg van de gang van de bijbel in onze westerse samenleving. Thans staan we in een andere situatie, in een ontkerstende maatschappij. Daarin kunnen de dingen zó niet meer worden gezegd, zo is de redenering. Laten we echter niet vergeten dat de kerk hier spreekt vanuit het bijbels belijden. Ze vertolkt slechts wat de Schrift over overheden en staten zegt. Daarbij mag wel nadrukkelijk worden onderstreept dat de apostelen, o.a. Paulus in 1 Tim. 2, gesproken hebben in een situatie waarin de toenmaals bekende wereld beheerst werd door het Imperium Romanum, waar de keizercultuur hoogtij vierde en er geen plaats was voor de dienst aan Israels God. Toch hebben de apostelen zó gesproken. En zó hebben de opstellers van de belijdenis het nagezegd. Zó mag de kerk van nu het ook nazeggen. De kerk mag niet berusten in een verworden situatie. Ze heeft als kerk te belijden dwars tegen de eigentijdse situatie in. De kerk leeft als het goed is in een permanente onrust over een wegzinkende wereld waarin de dienst aan God overspoeld wordt door de dienst aan de machten der duisternis. En vanuit dat belijden mag de kerk spreken. Wanneer de kerk zwijgt, wie zal dan nog spreken? Heeft God zijn getuigenis niet gebonden aan Zijn Woord zoals dat door de kerk verkondigd moet worden? Daarom is het te vrezen dat wanneer de kerk zwijgt, God zelf gaat zwijgen en de samenleving aan de doorgaande ontkerstening wordt prijsgegeven. Inmiddels wijzen de tekenen er wel op dat het er voor de kerk niet eenvoudiger op zal worden om haar roeping in de samenleving te vervullen. Het kan ook zijn dat de kerk in haar getuigenis zo alleen komt te staan dat het voor haar zelfs een halszaak worden zal om te spreken binnen een gesaeculariseerde samenleving. Dat de kerk als het ware gedwongen wordt haar belijdenis tot voor Pontius Pilatus, als we het zo eens zeggen mogen, uit te spreken. Die naam staat niet voor niets in het Apostolicum. Christus heeft onder hèm geleden. Dit kan ook wel eens de weg zijn waarop de kerk haar Hoofd volgen moet.
H.                                                                                                         J. v. d. G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 december 1969

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Sprekende of zwijgende kerk?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 december 1969

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's