De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De kerk als tot niet gekomen. . . . . .

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De kerk als tot niet gekomen. . . . . .

6 minuten leestijd

In artikel 27 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis worden schone dingen gezegd, beleden, aangaande de „enige katholieke of algemene kerk, namelijk dat zij is een heilige vergadering van ware Christgelovigen, alle hun zaligheid verwachtende in Jezus Christus, gewassen zijnde door zijn bloed, geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest. Deze kerk is geweest van den beginne der wereld af, en zal zijn tot het einde toe; gelijk daaruit blijkt, dat Christus een eeuwig koning is, dewelke zonder onderdanen niet zijn kan." Dat zijn dus vele goede dingen, schone dingen, die gezegd worden van de kerk, maar die vooral „geloofd" worden. Dat wil zeggen, dat men daarbij leven kan, dat men daaruit leven kan. Daar heeft men wat aan. Daar doet men wat mee. Daarmee dringt men in het wezenlijke van de kerk, van de ware kerk, van de kerk der oprechte gelovigen. Zo'n kerk, die kerk, is er dus altijd geweest en zij zal er ook altijd zijn. Zij zal er zijn zelfs in de donkerste tijden.
„Deze heilige kerk wordt", dan ook „van God bewaard, of staande gehouden, tegen het woeden der gehele wereld; hoewel zij somwijlen een tijdlang zeer klein en als tot niet schijnt gekomen te zijn in de ogen der mensen." Dan wordt in de Nederlandse Geloofsbelijdenis als voorbeeld genoemd de gevaarlijke tijd onder Achab. Toen, toen zelfs Elia meende maar alleen te zijn overgebleven, waren er nog een aantal profeten des Heeren door Obadja in het leven behouden, al waren er velen door Izebel door het zwaard gedood, en toen waren er ook nog de zevenduizend, die de Heere getrouw gebleven waren.
Daar zijn enkele dingen in deze zinsnede, die wij moeten overdenken. Daar is vooreerst de dubbele tijdsbepaling: „somwijlen" en „een tijd lang". Soms schijnt de kerk zeer klein te zijn geworden. Dat is niet altijd zo geweest en het zal ook niet altijd zo zijn. Het leven der kerk beweegt zich golvend door de tijd heen. Meermalen zijn er dieptepunten, meermalen zijn er ook hoogtepunten, en zij wisselen elkander af met gestage regelmaat, als de golven van de zee. Ook zijn naast de hoogste golven de diepste dalen. Naar de mate de inzinkingen van het kerkelijk leven dieper zijn, naar die mate zullen ook de hoogtepunten in het Godsdienstig leven hoger zijn. Somwijlen — een tijd lang!
De schrijver van de geloofsbelijdenis, Guido de Brés, is geen pessimist geweest, die geen oog had voor de goede dingen en voor de goede dagen. Hij was ook niet een optimist, die de donkere tijden over het hoofd zag en alleen maar juichend door het leven ging. De man leefde ook zelf in zeer zware tijd en moest ook zelf zijn geloof en zijn belijdenis met de dood bezegelen. Het geloof weet in elke tijd nuchter te staan: het weet in goede tijden voor de kerk open oog te hebben voor zonden, gebreken en bezwaren, het weet in kwade dagen oog te houden voor het goede, dat er dan toch nog wel is. Ergens lezen wij in zeer benarde tijden, dat er ook nog goede dingen waren in Juda. De kwade dingen in goede dagen kunnen ons bewaren voor overmoed. De goede dingen in kwade dagen kunnen ons bewaren voor een ongebreideld pessimisme. Ik meen, dat het één zowel als het ander zonde is! Het is zonde, als men de kwade dingen goed noemt en over het hoofd ziet in geestelijk rijke dagen. Die kunnen ons leren, dat de kerk ook altijd een zaak van mensen is, van zwakke, nietige en zondige mensen. Dit moeten wij wel bedenken, opdat niemand roeme dan in de Koning der Kerk, Christus Zelf. En het is evenzeer zonde, als men de goede dingen der kerk Gods over het hoofd ziet. Daar zijn mensen, die om elk gebrek, om de geringste smet, geneigd zijn de kerk de rug toe te keren. Dit heeft Elia, behalve in zijn vlucht naar de woestijn, nooit kunnen en durven doen. Dat neemt niet weg, dat wij met de gebreken der kerk, de dwalingen der kerk, de zonden der kerk niet mogen genoegen nemen. Heeft niet de kerk altijd te zijn strijdende kerk? Waar nog een volk is, dat God vreest en dat God zoekt te dienen naar Zijn woord, dat in God zoekt te geloven bij Zijn Woord, daar is de kerk nog altijd kerk. Of om naar de orde van Gods verbond te spreken: waar God nog een geslacht doet geboren worden bij de heilige instellingen Gods en waar God de Heere de belofte des verbonds plant, daar zal de kerk bestaan. Daar zijn kerken, landelijk of plaatselijk ten onder gegaan. Daar zijn kerken versteend. Maar niet daar, waar God aan Zijn verbond gedacht. En Hij doet dat tot in het duizendste geslacht! Maar niet daar, waar een volk woonde, dat getrouw aan Zijn verbond, die verbond niet wilde schenden. Waar het geloof in Christus verblijft, al is het bij zeer weinigen, daar is en zal blijven de kerk!
Een van de voortrekkers in de Gereformeerde Bond, ds. J. H. F. Remme heeft eens gezegd: „Het is een man, die alleen kan staan". Elia was zo'n man, Johannes de Doper was zo'n man. Als een rots in de branding hebben zij gestaan. En er is toch weer een volk rond zulke eenzame figuren verzameld, soms na hen gekomen, dat de kerk heeft gevormd. Na Elia kwam Elisa, een man in de kracht en de geest van de Heere Jezus en de kerk en de profetenscholen bloeiden allerwege op. Na Johannes de Doper kwam de Heere Christus Zelf en de kerk en de discipelenschool verscheen in heerlijke en grote glans. Waar maar, al was het één enkele man geloof oefent in de God der kerk, is de belofte voor de kerk, waar maar al was het één enkele man geloof oefent in de kerk (want de kerk is een geloofsartikel), daar zal de kerk zijn en daar kan de kerk niet teloor gaan. „Het geloof is een vaste grond der dingen, die men hoopt en een bewijs der zaken, die men niet ziet.”
Als dus in onze dagen de kerk snel en grondig ondermijnd wordt, als zij al meer invloed verliest, als haar fundamenten ondergraven worden, en haar getallen zienderogen minderen, laat ons dan nochtans voor haar hopen — al is het óp hoop tégen hoop — zelfs als zij tot niet schijnt gekomen te zijn in de ogen der mensen. Overmits de hoop op Gód (de God der kerk) en de hoop op Zijn beloften (altijd beloften voor Zijn kerk) niet vergeefs kunnen zijn, zal dan ook de hoop voor de kerk niet ijdel zijn in de Heere.
Vertroost, bemoedigt, elkander met deze woorden!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 december 1969

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De kerk als tot niet gekomen. . . . . .

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 december 1969

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's