De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Buitenkerkelijk christendom?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Buitenkerkelijk christendom?

14 minuten leestijd

(Enkele kanttekeningen bij Art. 28 van de Ned. gel. bel.)

Kan men ook een goed christen zijn, zonder dat men naar de kerk gaat? Is het voor de zaligheid wel strikt noodzakelijk dat men bij een kerk hoort? Dat zijn vragen, die wij van allerlei kanten, zelfs van een kant, waarvan we het nooit verwacht hadden, nogal eens horen stellen. Er gaan ook binnen de kerk stemmen op, die ruimte willen scheppen voor een buitenkerkelijk christendom. Onlangs werd blijkens een verslag in het dagblad „Trouw" in het Gereformeerde maandblad „Voorlopig" geschreven, dat een groeiende groep christenen geen aardigheid meer heeft in de zondagse kerkgang. „Wat daar eigenlijk gebeurt, slaat vaak nergens op. Kerkdiensten zijn geen werkvergaderingen." En dat moesten ze zijn, vindt men. Kerkdiensten zijn trouwens wellicht ook de minst geslaagde manier van godsdienstoefening. Wij kunnen „zonder schuldgevoelens thuisblijven". Er zijn immers ook andere vormen van gemeente-zijn: de huisgemeente, een actiegroep (politieke werkgroep bv.), bijbelkring, bezinningsweekends . . .
Prof. Kuitert schreef in datzelfde blad over „Kerk buiten de kerk". Daarin komt hij tot het ontstellende vermoeden, dat „de tijd van de kerk als instituut wel eens voorbij kon zijn en dat wij nieuwe tijden tegemoet gaan, waarin het volk van God meer de wereld dan het bestaande kerkelijke instituut nodig heeft om God en de naaste te dienen". Dat zou dan een gericht van God zijn over wat wij in de loop der eeuwen van de gemeente Gods hebben gemaakt. „Naast het officiële volk van God rijzen groepen op, die niet minder de kenmerken van het Godsvolk vertonen". „Ook buiten de kerk is er tegenwoordig zaligheid, zo weinig dekken kerk en kerkelijk instituut elkaar." Buitenkerkelijk christendom en buitenkerkelijke humaniteit, door dezen wordt de kerk vandaag geflankeerd.
Dit stukje import van een merkwaardige modernistische gedachte over de kerk (Sölle in Duitsland sprak over „de latente kerk") maakt het christen-zijn los van het gaan naar de kerk, het lidmaatschap van een kerk, van het gemeente-zijn in de geïnstitueerde vorm, zoals wij dat steeds hebben gekend. En als zodanig staat het in schrille tegenstelling tot een oude stelregel, waarover het in ons artikel hoofdzakelijk gaat, nl.: „Buiten de kerk geen zaligheid". Dit woord (van de kerkvader Cyprianus, ong. 250 n. Chr.) is altijd al door de r.k.-kerk verdedigd in haar massieve spreken over de kerk als het lichaam van Christus, waarin de zaligheid zo volkomen aan het instituut van de kerk gebonden werd, aan het éne episcopaat (de paus), aan de leeruitspraken, aan de sacramenten, enz. dat buiten dit instituut geen heil te verwachten viel.
Ook de reformatie heeft deze oude stelling overgenomen, zij het op een totaal andere wijze, daar zij geestelijk, dat is vanuit de verborgen omgang met God over de kerk wilde spreken. Weliswaar was Zwingli overtuigd van de zaligheid van alle uitnemende wijsgeren, heeft a Lasco geloofd in de zaligheid van alle vroeggestorven kinderen van heidenen en was daar een zekere Sebastiaan Franck (een radicale dweper), die beweerde, dat mannen als Seneca en Petrarca behouden waren, zonder dat ze ooit van Christus gehoord hadden. Met klem is echter het omgekeerde betuigd door mannen als Luther en Calvijn. In eerstgenoemde uitspraken, waarin kennelijk sprake is van zaligheid buiten de kerk, hebben we bepaald niet te doen met de beste en voornaamste weergave van de reformatie in dezen.
Eén van de grondvragen, waarom het draait in bovengenoemde vraagstelling is: Wat moeten we verstaan onder het christen-zijn? En: wat is de kerk? Welnu, daarbij is het zondermeer duidelijk, dat de reformatie het christen-zijn nooit heeft laten opgaan in de humaniteit, in een sociale of politieke beweging, hoeveel (overigens zeer afgeremde) invloeden er van het christen-zijn op dit terrein ook mogen en moeten en zullen uitgaan. Er is ook nog zoiets als de kerk als organisme. Wanneer men eenmaal de boodschap van het Evangelie heeft vermagerd (in het horizontale, humane (menselijke) en sociale getrokken heeft), komt men automatisch tot een totaal andere opvatting van het christenzijn, van de zaligheid, van de kerk. En het is dan gewoon logisch, dat men op deze wijze op de zichtbare gedaante van de kerk hoe langer hoe meer gaat afgeven, die zelfs gaat afschrijven en een soort „buitenkerkelijk christendom" gaat aanprijzen.
Dat is echter een totaal andere inzet van het spreken over de kerk als bij de reformatie wordt gevonden. Daar wordt nl. steeds over het christen-zijn gesproken in de nauwste relatie (persoonlijk, door Gods wederbarende heilige Geest) tot Christus, hoe kan het anders, tot Zijn verzoeningswerk, tot de vergeving der zonden en een leven voor God. Het ware geloof kan niet bestaan zonder Christus en de vergeving der zonden. Het leeft daaruit op, het teert daarop. Het was de grote bevrijding, die God in de dagen van de reformatie in de harten liet doorbreken, de bevrijding van het rechtvaardig zijn voor God enkel en alleen door het geloof, gewekt door de revolutionerende en wederbarende werking van Gods Geest, waardoor de mens van een verloren zondaar een mens Gods worden mag. En wie door de enge poort van de afbraak van al het zijne het koninkrijk Gods is binnengegaan, die krijgt nooit genoeg van Christus, van de liefde des Vaders in Hem, van Zijn schuldvergevende genade.
Het was, geheel Bijbels, juist deze grote bevrijding, die het denken over de kerk stempelde. Alweer: hoe kon het anders! Hierin klopt immers het hart van Christus' gemeente! Het gemeente-zijn is aller­ eerst een zaak van gerechtvaardigd worden voor God. De gemeente heet in de Bijbel de kudde van Christus, Zijn ekklesia, die Hij tot deze grote bevrijding riep, het Lichaam van Christus, Zijn Bruid, het volk Gods (nieuwe Israël), een stad op een berg, enz. Onze Nederlandse geloofsbelijdenis spreekt over de kerk als: een heilige vergadering, een verzameling dergenen, die zalig worden, een heilige vergadering der ware christgelovigen, al hun zaligheid verwachtende in Jezus Christus. ledere beschouwing, waarin dit hart niet meeklopt, als een beschouwing over de kerk is roofbouw op het erfdeel des Heeren. En het zijn juist deze beschouwingen, die we als een oordeel Gods binnen de kerk hebben te duchten!
Buiten de kerk is er, zo gezien, geen zaligheid. Want er is geen zaligheid buiten Christus en buiten het geloof in Zijn Naam om. Daarom is ze buiten dit volk Gods niet te zoeken en te vinden. Maar . . . vraagt iemand, is daarmee iets gezegd over de kerk in haar zichtbare gestalte? Is het nodig, dat men altijd maar behoort tot de kerk (met een kleine k)? En is er zo dan toch niet mogelijkerwijs sprake van een buitenkerkelijk christendom? We denken in dit verband o.a. aan allerlei buitenkerkelijke conventikels, vroeger en nu. Terwille van de gesignaleerde deformatie van alles, wat kerk heet, terzijde gebleven.
Ook op dit punt is de reformatie niet onduidelijk. Allereerst zij opgemerkt, dat in de artikelen van de Nederlandse geloofsbelijdenis over de kerk niet alleen sprake is van de onzichtbare kerk, maar ook van de zichtbare. Het vloeit zelfs ineen. Er wordt immers gehandeld over de merktekenen der ware kerk, de prediking, de sacramenten, de tucht. De kerk heeft een adres. Ieder is schuldig zich bij de ware kerk te voegen en zich aan haar onderwijzing te onderwerpen. Altijd weer noemen de reformatoren dan de bekende tekst uit de Romeinenbrief (10: 14): Hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in Welke zij niet geloofd hebben? En hoe zullen zij in Hem geloven, van welke zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen zonder die hun predikt? En hoe zullen zij prediken, indien zij niet gezonden worden? " Het geloof is uit het gehoor en het gehoor uit het Woord Gods. Evangelie, geloof, prediking, sacrament en kerk zijn nauw op elkaar betrokken. (Vgl. ook Ef. 4: 11 e.v.) „Hij kan God niet tot een Vader hebben, die de gemeente niet heeft tot een moeder", was een bekende uitspraak in de dagen der reformatie. De gemeente van Christus is de ark van Noach, de tempel van Jeruzalem. En hoewel onder Israël in de tempel ook de voorhof was (met vele geveinsden in de godsdienst), het was niet geoorloofd buiten die tempel om elders de eredienst te onderhouden. Luther wijst erop, dat buiten zulk een christenheid (waarin vergeving der zonden, de genade en de sacramenten zijn) geen heil bestaat. Calvijn zegt in de catechismus van Geneve: Waarom voegt gij aan de kerk de vergeving der zonden toe? Omdat niemand haar verkrijgt, of hij moet tevoren met het volk Gods verenigd zijn en de eenheid met Christus' lichaam standvastig tot het einde toe onderhouden en op deze wijze legt hij getuigenis af, dat hij een waar lid der kerk is. Stelt gij op deze wijze vast, dat er buiten de kerk alleen verdoemenis en verderf is? Gewis! „Want deze dingen, die God samengevoegd heeft", zegt Calvijn in de Institutie, „mogen niet gescheiden worden (Matth. 10 : 9), dat voor hen, voor wie Hij een Vader is, de kerk ook een moeder zij. Want indien wij niet onder Christus, ons Hoofd, verenigd zijn met alle overige ledematen, wacht ons geen hoop op het toekomend erfdeel. Daaruit volgt, dat allen, die de geestelijke spijs der ziel, welke hun van Godswege door de handen der kerk toegereikt wordt, versmaden, waardig zijn om van honger en gebrek om te komen”.
Als ik dit goed lees, betekent het minstens, dat men niet zonder schuldgevoelens op zondagmorgen op zijn bed kan liggen, wanneer men in de kerk had kunnen zijn. Ja, het is altijd al het hoogste verlangen geweest van die God vreesden om daar te zijn, waar Christus Zichzelf laat vertegenwoordigen in het gewaad van Zijn beloften en bevelen. Maar, vraagt u, is het dan niet waar, wat geschreven staat: „Waar twee of drie in Mijn Naam vergaderd zijn, daar ben Ik in het midden"? Luther zei op grond daarvan, dat de kerk zelfs in het slaapvertrek gevonden werd.
Ik moet daarop antwoorden, dat in deze waarheid het goed recht van de reformatie in haar breuk met Rome ligt. Toen de waarheid in en met haar dienaren uit de kerk van Rome gebannen was, en deze kerk zichzelf daarmee voor vals had verklaard, werden Gods kinderen als het ware geworpen op dit woord: Waar twee of drie . . .! En zij zijn niet zonder de ambten en zonder ambtelijke bediening uit die kerk weggegaan, omdat zij altijd beleden hebben te geloven in het algemeen priesterschap der gelovigen, waaruit mede de ambtelijke bediening onder hen weer opbloeide. Maar dat betekende dan ook, dat zij leraren en herders aanstelden en geen gemeente wilden zijn buiten de verordeningen van Christus om, buiten prediking en sacramentsbediening. Ik kan niet inzien, dat de afscheiding en doleantie in de vorige eeuw op dezelfde gronden kan worden verdedigd. Maar daarmee raken we aan het probleem van de gescheidenheid van de reformatorische kerken, waarover het in dit énige artikel niet tegelijk ook kan gaan.
Onze hoofdgedachte is: Christus vergadert Zijn Gemeente desnoods per twee of drie leden. Maar ogenblikkelijk zijn daarmee prediking, sacrament en ambten gegeven. Dat is al evenzeer naar Zijn bevel. Alleen zo kan men recht in Christus' Naam vergaderd zijn, als daar ook is: de prediking, doop en avondmaal, de ambten . . .! De dopersen redeneerden dit alles als uitwendige zaken in hun radicalisme weg. Zij lieten zich leiden door het inwendige Woord en meenden de kerk als instituut niet nodig te hebben. Daartegen verzet zich artikel 28 van onze Nederlandse geloofsbelijdenis zeer. Niet alleen het ongeestelijke standpunt der r.k.erk, maar ook het overgeestelijke van de dopersen wordt afgewezen. Ieder heeft de schuldige plicht (ambt) om zich bij de ware kerk te voegen en zich af te scheiden van degenen, die niet van de kerk zijn . . . Wie anders handelt, doet tegen de ordinantie Gods.
Maar heeft de stelling, dat er buiten de kerk geen zaligheid is (ook niet buiten het instituut van de kerk) dan te betekenen, dat de Heere nooit en nergens Zijn kinderen heeft, of ze moeten ingeschreven staan in kerkelijke registers? In Frankrijk waren in Calvijns dagen duizenden reformatorische christenen, wie de openbare eredienst verboden was. Zij hielden hun huiselijke erediensten en woonden verder de r.k. diensten bij om verdenking van ketterij tegen te gaan. Calvijn keurt dit ten zeerste af en roept hen op te breken met de r.k.-kerk, met hoeveel strijd en vervolging dit ook gepaard ga. De pauselijke kerken zijn vergaarbakken van dwalingen en ketterijen. Wanneer men de openbare eredienst elders wel kan onderhouden, emigrere men daarheen. Dit alles betekent niet, dat Calvijn deze franse christenen niet voor echte gelovigen heeft gehouden ondanks hun verkeerde instelling. Maar wel wordt heel duidelijk uit zijn uiteenzettingen, hoezeer hij in alle omstandigheden het saamvergaderd-zijn met het volk Gods, onder de bediening van Woord en sacrament en onder ambtelijke leiding heeft aangewezen en aangeprezen als de weg, waarlangs Christus de Zijnen geestelijk komt onderhouden, voeden en verkwikken. Om dit laatste is er altijd al onder Gods kinderen een bijzondere hoogachting geweest voor de heilige instellingen Gods, in de ambten, in de prediking o.a., met hoeveel ingezonkenheid in het gemeentelijk en geestelijk leven het vaak ook gepaard ging. Waar de notae ecclesiae (de kenmerken van de kerk), al is het met veel breuken en tekorten gevonden worden, daar hebben wij te zijn. Calvijn schrijft: „Wij mogen niet lichtvaardig om het één of ander verschil de kerk verlaten, wanneer slechts in haar die gezonde leer ongeschonden gehouden wordt, waarop de godzaligheid onaangetast berust en wanneer het door de Heere ingestelde gebruik der sacramenten bewaard wordt. Wanneer wij intussen ons best doen te verbeteren, wat ons mishaagt, dan handelen we daarin naar onze plicht . . . Omdat de herders niet altijd zo ijverig waken, soms ook wel eens wat toegeeflijker zijn dan behoorde of verhinderd worden die gestrengheid te oefenen, die ze wilden, gebeurt het soms, dat niet altijd zij, die in het openbaar slecht zijn, uit het gezelschap der heiligen verwijderd worden . . . Maar ook al zou de kerk in haar plicht nalatig zijn, dan mag daarom nog niet terstond ieder lid oordelen, dat hij zich moet afscheiden”.
Welnu, dat God Zijn kinderen heeft gehad en nog heeft in buitenkerkelijke conventikels bv., doet niets af van het feit, dat zij en wij allen steeds de schuldige plicht hebbén gehad naarstig tot de gemeente Gods te komen (H.C. Zondag 38). En wat buiten de gewone orde Gods in sommige gevallen mogelijk is, is voor ons geen norm van handelen. De uiterlijke prediking van het Woord Gods en de bediening van de sacramenten zijn bepaald niet maar bijkomstig.
Tenslotte: als wij in dit artikel het buitenkerkelijk christendom als een tegenstelling in zichzelf van de hand wezen, betekent dat niet, dat wij hebben te roemen. Het oordeel zal beginnen bij het huis Gods. Het verval in leer en leven van dienaren en leden der kerk rust als een afschuwelijke schuld op ons allen. Hier ligt de oorzaak, waarom ook onze Nederlandse Hervormde kerk zo onaantrekkelijk is geworden bij degenen, die buiten zijn. En ook kunnen wij weten, dat wij Gods majesteit niet eindeloos kunnen tarten. De dreiging, dat de Heere de kandelaar gaat wegnemen is vreselijke realiteit. Niettemin zullen wij op het oordeel van God niet vooruitlopen. Dat heeft niemand van Gods kinderen ooit met recht gekund. Wel hebben zij geworsteld met God en gestreden met de moed des geloofs, hoe moedeloos ze soms ook waren. Juist omdat zij wisten, dat de kerk niet door mensen is gesticht, en daarom ook niet door mensen kan worden afgebroken. Zij zal er blijven tot de laatste dag. En tot op die dag zal de wereld het weten, dat er mensen zijn, die van Christus niet scheiden kunnen noch van het gepredikte Woord omdat ze Hem in de zomen van dit gewaad hebben aangeraakt en ervoeren, dat er kracht van Hem uitging.
Zeist                                                                                                           C. den Boer

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 december 1969

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Buitenkerkelijk christendom?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 december 1969

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's