Schepping en evolutie
V.
Geen versimpelingen
Enerzijds is het dus ontoelaatbaar om de inhoud van de Schrift, in dit geval de eerste hoofdstukken van Genesis, zo te versimpelen en te reduceren dat er niets anders van overblijft dan de gedachte dat God op een of andere wijze aan het begin staat van de wording van de kosmos. Maar anderzijds dreigt ook het gevaar dat we de inhoud van Genesis 1 e.v. aan de andere kant versimpelen. We hebben al eerder de woorden van Calvijn aangehaald, die zegt dat Mozes zich in Genesis 1 heeft geschikt naar het kleine begrip der mensen in het algemeen en derhalve in de historie van de schepping geen andere werken Gods verhaalt dan wat met onze ogen gezien kan worden. Enerzijds spreekt Calvijn dus van historie. Dat zouden we allereerst willen onderstrepen. In Genesis 1 worden ons de afzonderlijke scheppingsdaden Gods als feitelijke gebeurtenissen meegedeeld. Maar anderzijds wijst Calvijn er dus op, dat Mozes in de beschrijving hiervan zich gericht heeft naar het kleine begrip der mensen. Daarom kunnen we nu ook weer niet zeggen dat we uit Genesis 1 kunnen aflezen hoe alles nu precies in zijn werk is gegaan. Daarvoor is het wonder van de schepping te groot en te groots. Van de schepping worden slechts enkele facetten vermeld. De schepping in zijn totaliteit is veel grootser dan ons in het bestek van één bijbelhoofdstuk beschreven kan worden. De Schrift volstaat met te zeggen dat God de dingen één voor één geschapen heeft. Maar hoe dit alles in zijn werk is gegaan blijft een mysterie, een wonder dat alleen te geloven maar niet te doorgronden is. Wie Genesis 1 e.v. dan ook nauwgezet leest komt tot de conclusie dat we op veel vragen geen antwoord krijgen. Deze hoofdstukken komen tot ons als Openbaring van God. En daarom wie deze hoofdstukken lezen gaat met wetenschappelijke vooringenomenheid raakt verward. Want ze passen niet in natuurwetenschappelijke kaders.
Daar komt bij dat Genesis 1 e.v. ook verschillende punten bevat, die exegetisch gezien niet eenvoudig zijn. Deze moeilijke punten mogen niet door allerlei „logische" gevolgtrekkingen gladgestreken worden. Hoewel van bevoegder zijde over de exegese van Genesis 1 gesproken kan worden, willen we toch een drietal hoofdmomenten, die exegetisch voor moeilijkheden plaatsen, kort aanduiden.
In de eerste plaats rijst de vraag wanneer het In den beginne, waarmee de bijbel begint, is geweest. Velen hebben altijd gesteld dat de Schrift ons laat zien dat de aarde en de hele kosmos 6000 jaren oud is. We menen echter dat de Schrift zich daarover in het geheel niet uitlaat. Nadat gezegd is dat God in den beginne de hemel en de aarde schiep en dat de aarde woest en ledig was, wordt gezegd: En God zeide, daar zij licht. Na de schepping van hemel en aarde volgt de beschrijving van de afzonderlijke scheppingsdagen. Augustinus heeft er in zijn tijd dan ook al op gewezen dat er een pauze ligt tussen het tweede en het derde vers. Wanneer, dat wil zeggen hoe lang geleden, God hemel en aarde geschapen heeft, wordt niet gezegd.
In de tweede plaats worden er voor de schepping in Genesis 1 verschillende woorden gebruikt, ook in de grondtekst (de woorden barah en asah). Er wordt gezegd dat God de hemel en de aarde schiep. In vers 7 wordt gezegd dat God het uitspansel maakte. Van de planten en de bomen wordt gezegd dat ze door de aarde werden voortgebracht (vers 12). God maakte de lichten des hemels (vers 16) en de dieren werden door de wateren voortgebracht. Dit verschillend woordgebruik is te meer een reden om voorzichtig te zijn met voorbarige conclusies. Nogmaals het dàt van Gods scheppingsdaden is duidelijker dan het hóe. Iemand zei eens: God heeft de bomen met jaarringen en al geschapen. Natuurlijk is dit mogelijk. Maar laten we niet denken dat we dit zo lezen in Genesis 1. Daar staat alleen dat ze werden voortgebracht door de aarde. Alles wat er meer van wordt gezegd, is meer dan wat op grond van de Schrift zelf te verantwoorden is.
In de derde plaats willen we wijzen op de bekende kwestie van de dagen in Genesis 1. Professor dr. H. N. Ridderbos wijst er in zijn Beschouwingen over Genesis 1 (Uitgave J. H. Kok, Kampen) op, dat de bijbelschrijver het scheppingsverhaal in een kader van zes dagen heeft gezet. Het is dus een soort rubricering door de bijbelschrijver zelf. We menen echter dat op deze wijze aan de menselijke factor in de Schrift een te grote eer wordt bewezen. Op deze wijze gaan wij toch weer met een bepaalde vooringenomenheid de Schrift benaderen, zelf daarbij schiftende wat menselijke inkleding en wat goddelijke openbaring is. We menen dat prof. Gispen terecht stelt in zijn boek De schepping, dat met de dagen in Genesis 1 werkelijke dagen bedoeld zijn geweest. In de tien geboden wordt er immers op teruggegrepen als gezegd wordt dat God in zes dagen de hemel en de aarde heeft geschapen. Maar dat neemt niet weg dat het met die dagen nu direct zo eenvoudig ligt. Als we in het eerste gedeelte van Genesis 1 lezen dat God op de eerste dag het licht schiep en dit dag noemde en de duisternis nacht, terwijl in het veertiende vers wordt gezegd dat God op de vierde dag de lichten des hemels, zon, maan en sterren maakte om te zijn tot tekenen en tot gezette tijden en tot dagen en jaren, dan blijkt hieruit dat deze kwestie nu ook weer niet zo gemakkelijk is. De dagen, maanden en jaren, de seizoenen en alles wat daarmee samenhangt, komen in de beschrijving van Genesis 1 pas op de vierde scheppingsdag.
We hebben deze punten er even uitgelicht om aan te geven dat er in Genesis 1 ook momenten voorkomen die ons voor moeilijke exegetische vragen stellen. Als we dan ook zeggen dat we de Schrift lezen moeten „zoals het er staat" dan is daarmee nog niet alles gezegd. Want dan geldt eveneens dat vele dingen moeilijk te verstaan zijn.
Aan de ene kant dreigt het levensgrote gevaar dat de wetenschap met haar uitspraken de Schrift gaat overwoekeren, zodat mensen gaan uitmaken wat in de Schrift nog geloofwaardig is en wat niet. Aan de andere kant moet er ook voor worden gewaakt dat datgene wat in de Schrift zelf wordt opengelaten, niet toegegrendeld wordt door „logische" conclusies waartoe de Schrift zelf ons niet het recht geeft.
Geoorloofde wetenschap
Na wat we tot nu toe over schepping en evolutie hebben gezegd, is het dunkt ons nodig om nog enige aandacht te besteden aan de vraag of het bedrijven van wetenschap een geoorloofde bezigheid is. Sommigen neigen tot de conclusie dat het maar beter is, gezien de spanning die er tussen geloof en wetenschap vaak bestaat, zich van elk wetenschappelijk werk te onthouden. Laten we ons echter niet vergissen. Niemand van ons ontkomt aan datgene wat door de wetenschap, en als direct gevolg daarvan, door de techniek tot stand gekomen is. Ons leven wordt omspoeld door allerlei producten van de techniek, die een direct gevolg zijn van wetenschappelijk speurwerk. De agrariër gebruikt bestrijdingsmiddelen en kunstmeststoffen, waardoor hij — menselijkerwijs gesproken — steeds minder afhankelijk is van allerlei omstandigheden dan vroeger wel het geval is geweest. Ons leven is in tal van opzichten veraangenaamd door producten van de techniek. In de medische wetenschap worden, door allerlei medicamenten, steeds grotere vorderingen gemaakt in de strijd tegen allerlei ziekten. En wij allen gebruiken deze middelen. Zo zou veel meer genoemd kunnen worden. Het zou dan ook inconsequent zijn om enerzijds al datgene wat wetenschap en techniek ons bieden te gebruiken en anderzijds elk bezig zijn in de wetenschap af te wijzen.
De vraag is maar hoe wetenschap bedreven wordt. Het geschapene is ons gegeven. De wetenschap mag daarmee bezig zijn. We haalden al eerder aan wat dr. Dippel zei: „De schepping is alleen te geloven, maar de weldaden van de schepping liggen om ons heen". De wetenschap mag zich diepgaand bezig houden met wat in het geschapene voorhanden is. Ze mag daarbij allerlei dingen bloot leggen waarover in de Schrift, ook bij de beschrijving van de schepping, gezwegen wordt. In Psalm 8, het loflied op de schepping, wordt van de mens gezegd dat God hem met eer en heerlijkheid heeft gekroond en hem doet heersen over de werken van Zijn handen. Maar het mondt alles uit in de lof aan God: O Heere, onze Heere, hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde. Zo alleen kan een christen wetenschap bedrijven. Tot eer van Zijn Schepper. Zo hebben ook veel natuurwetenschapsbeoefenaars in de loop van de tijd dit gezien. Van de grote geleerde John Keppler is een gebed bewaard, waarin hij zegt: „Ik dank U, Schepper en Heere, dat Gij mij deze vreugde in Uw schepping, dat genot in de werken Uwer handen hebt geschonken. Ik heb de heerlijkheid van Uw werken aan de mensen bekend gemaakt voorzover mijn eindige geest Uw oneindigheid mocht verstaan. Waar ik iets heb gezegd dat Uwer onwaardig is of eigen eer mocht hebben gezocht, vergeef mij dat genadig." Dit voorbeeld zou met vele andere kunnen worden aangevuld. Als illustratie noemen we slechts dit ene, omdat daarin kernachtig is gezegd hoe op de rechte wijze wetenschap bedreven kan en moet worden.
In dat licht bezien behoeft er geen vrees te zijn voor wetenschapsbeoefening. Het heeft overigens wel iets te zeggen dat de moderne natuurwetenschap ontstaan is binnen de christelijke cultuur. Bij de uitgever R. Brockhaus te Wuppertal is een boekje van Donald M. Mackay verschenen, getiteld „Christentum in einem mechanistischen Universum". Daarin wordt een boeiend overzicht gegeven van de beginperiode, van de huidige natuurwetenschappen. Mackay wijst erop dat de moderne natuurwetenschap ontstaan is binnen de christelijke cultuur en dat haar eerste beoefenaren zonder uitzondering vrome christenen waren. Er waren weliswaar wel invloeden vanuit de Griekse cultuur, o.a. dank zij de geometrie en vanuit de Arabische cultuur door de rekenkunde en de algebra, maar de echte ontplooiing van de natuurwetenschap vond plaats binnen de westerse cultuur. Hij zegt dan (citerend): „Uit de rij van grote culturen uit het verleden ontstond de natuurwetenschap slechts in één enkele, juist de christelijke cultuur van West Europa. De veronderstelling dat geen andere cultuur de natuurwetenschap had kunnen voortbrengen, zou weliswaar te naïef zijn, maar het is van betekenis dat geen andere het deed". Nu is dat op zichzelf niet zo verwonderlijk. De moderne natuurwetenschap en het christelijk geloof hebben namelijk één ding gemeen. Bijbels gezien mogen we uitgaan van de orde en regelmaat die in de schepping ligt. Deze orde en regelmaat in het geschapene heeft de wetenschap nu juist in haar vizier. De fysicus G. J. Sizoo heeft hierover gezegd: „De bijbel vertelt ons over alle dingen en fenomenen die we rondom ons ontwaren ondubbelzinnig en nadrukkelijk dat ze geschapen zijn door God en absoluut van Hem afhankelijk zijn, en dat derhalve de orde en uniformiteit die we erin ontdekken door Zijn wil zijn bepaald".
Maar hier ligt dan ook tevens de begrenzing van de wetenschap. Alleen de orde en regelmaat in de natuur kan binnen de wetenschap onderzocht worden. Daarvanzegt Galileï: De werken van Gods vinger (het geschapene dus) en de werken van Gods mond (Zijn Woord) kunnen elkaar niet tegenspreken.
Zodra echter God de natuurlijke orde door Zijn Almachtige hand doorbreekt in de wondertekenen die hij verricht, dan heeft de wetenschap te zwijgen. Daar gelden geen natuurwetenschappelijke redeneringen meer. Het geloof heeft zijn redenen waar de rede niet toegankelijk is (Pascal). Zo ligt het ten diepste met de schepping. Daarom zegt Johannes in zijn brief: ,,Hetgeen van den beginne was, hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze ogen, hetgeen wij aanschouwd hebben en onze handen getast hebben van het Woord des Levens, dat verkondigen wij u". (1 Joh. 1: 1). Deze verkondiging van het Woord des levens, die ten aanzien van wat in den beginne was veel rijker en dieper is dan wat welke wetenschap ons ooit zeggen, late de gemeente zich niet ontnemen.
H. J. v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 december 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 december 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's