Uit de Kerstpreken van Kohlbrugge
In de grote wereldstad wordt gespeeld, gedanst, gebrast. De ene verkwisting volgt de andere op, en bij dat alles wordt geklaagd, gezucht. Augustus, de machtige wereldbeheerser zucht zelf in zijn binnenste, in zijn paleis. En Rome moet geld hebben. De keizerlijke stadhouder Cyrenius is in zijn buitengewone zending in Judea aangekomen. En in het Joodse land woont bijna geen lof Gods meer. Men gaat ten huwelijk en wordt ten huwelijk uitgegeven. Men koopt en verkoopt. Alles wordt tenslotte ingespannen om tot de oude vrijheid te geraken en alles klaagt, alles zucht. Zo zucht het ganse schepsel en ligt onder de ijdelheid besloten, zonder daarvan te kunnen loskomen of zonder daarvan los te willen worden.
In diezelfde tijd gaat een prinses uit het voorheen zo schatrijke stamhuis van David, begeleid door een prins uit hetzelfde geslacht, niet geacht en niet gekend, ja miskend, zonder dat een mensenkind er nota van neemt, onbemiddeld, ja arm, de moeilijke gang van Nazareth naar Bethlehem, over hoge bergen en door diepe dalen. Deze moeilijke tocht onderneemt die vrouw, hoogzwanger zijnde. En of zij een ezelin heeft gehad, om zich daarvan te laten dragen en plagen, of dat zij haar voeten heeft moeten doorlopen, dat weet God.
En wat zij onder haar hart draagt, het is een andere man dan keizer Augustus. Het is de Heere des hemels en der aarde. Het is Degene door Wie keizer Augustus regeerde. En keizer Augustus wist het niet dat hij door Hem regeerde en de wereld kende Hem niet. Nochtans was Hij alleen der wereld Heil en Licht.
Moeten wij ook iets hieruit leren? Er zijn nóg naar geest prinsen en prinsessen uit het geslacht van David, louter vorsten en koningskinderen. Dat zij het zijn, hebben zij aan het kindeke Jezus te danken en zij zullen Hem eeuwig daarvoor dank betuigen. Ook dezen hebhen de meest moeilijke wegen door te maken, die te bedenken zijn, terwijl ook van hen gezegd kan worden dat zij „bevrucht" zijn. Immers Hij, die in hen is, is hetzelfde Kind, dat onder het hart van Maria lag. Hij is de Koning des hemels en der aarde. Nochtans zijn zij niet geacht, niet gekend, ja miskend en meestal arm en onbemiddeld. En zo maken zij de moeilijke gang over menige berg, door menig diep dal, om daarheen te komen, waar zij met de Heere heen moeten. Of zij in de tijd van nood een ezelin vinden, dan of zij zich de voeten moeten doorlopen dat weet God.
Het moet u niet bevreemden, gij koningskinderen, dat het u niet anders gaat dan het Jozef en Maria ging. Uitwendig moet ons de zon verbranden, zo worden wij naar het inwendige de Heere welgevallig. Het was van ouds af Gods weg dat Hij de zijnen door allerlei kruis en lijden en tegenspoed geoefend heeft. Al is zodanig in- en uitwendig lijden, zulk een tegenspoed van allerlei aard, wanneer dit tegenwoordig is, geen zaak van vreugde, wat schaadt het een mens, zo hij maar in die weg het beeld des Zoons gelijkvormig wordt? Maria, de moeder des Heeren, had er zich wel aan mogen ergeren, dat God haar zelfs niet de minste geriefelijkheden van dit leven ten deel liet vallen, daar zij toch, naar het woord van de engel, Dien onder het hart droeg, die een Koning zou zijn over het huis van Jacob en aan Wiens koninkrijk geen einde zou zijn. Wij lezen echter niet dat het haar geërgerd heeft.
* * *
„Vrede op aarde!” zo luidde het tweede lid van het gezang der engelen in Bethlehems velden. De menigte des hemelsen heirlegers moet van de zaligheid van verloren zondaren toch iets in de hemel hebben gezien, wat wij zo niet gezien hebben.
Intussen, wie tot God bekeerd wordt, die ziet toch iets van Zijn heerlijkheid. Die ondervondt toch iets wanneer hem de last der zonde afgenomen wordt, wanneer het juk hem van de schouder verbroken wordt. Iets dat hij nooit meer kan vergeten. En dan breekt hij ook uit in een gejuich, dat evenzo daarheen rolt als het gezang der engelen. Maar dat de heilige God er waarachtig zulk een welbehagen in heeft om het verlorene te redden en in Zijn zaligheid op te nemen — ik zeg „het verlorene" — dat kan een menselijke ziel zó niet geloven als de engelen dat kunnen zien, terwijl zij het aangezicht des Vaders, die verloren kinderen vrijwillig liefheeft, gedurig aanschouwen en ook gedurig de lofliederen, de dankzegging, de verheerlijking vernemen, welke de vele zielen, die, verlost door het bloed des Lams, voor de troon Gods zijn. Hem toebrengen. Dat de engelen echter zo vol gejuich zijn kan ons moed geven, dat ook wij de juichtoon aanheffen, wij die vrede bij God gevonden hebben door Jezus Christus.
Het „vrede op aarde" heeft voor het hart toch iets dat gelukkig, dat zalig stemt. Het doet het hart van een arme en ellendige zo weldadig aan, dit te vernemen, hetzij dan dat hij weet vrede bij God te hebben, hetzij dat hij het voor zichzelf nog niet zo recht weet . . .
Geen staatkundige vrede is het geweest welke de engelen bezongen hebben. Want ofschoon het evenzeer een vrucht van de geboorte en van het lijden van onze Heere is, dat er soms uiterlijke vrede heerst, en ofschoon allen die vrede bij God gevonden hebben ook vreedzaam, dat is vredemakers zijn, zo is er toch naar het uitwendige geen vrede op aarde te verwachten, en allerminst voor de ware gelovigen. Licht en duisternis, leven en dood, Christus en de duivel zullen wel steeds tegen elkaar in oorlog liggen, en de gelovige kinderen Gods zullen, zolang de wereld bestaat, het moeten ondervinden, dat de wereld hun een gloeiende haat toedraagt. En al wie godzalig willen leven in Christus Jezus, die zullen erop gewapend moeten zijn, dat zij dagelijks de smaad en het kruis van Christus zullen te dragen hebben . . .
Daarom is hier een geestelijke vrede bedoeld, die uitgaat van het Kind in de kribbe. Een vrede tussen God en de conciëntie, gepaard met een vrede onder elkander, van al degenen die vrede bij God gevonden hebben, waarvan de profeet Jesaja heeft geprofeteerd in het 11de hoofdstuk. Want het Woord des geloofs heeft deze uitwerking, dat het een mens leert hoe hij zijn hart stillen kan, of hoe God zelf het stilt voor Zijn Rechterstoel. En dat Hij het is die de meest verschillende gezindheden tot die éne gezindheid brengt, welke in Christus is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 december 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 december 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's