OPBOUW EN VRIJHEID
Hij zal mijn stad bouwen en Hij zal mijn gevangenen loslaten . . . Jesaja 45 : 13 m.
Het woord van de profeet is aanvankelijk vervuld in de verlossing van Israël uit de ballingschap en de opbouw van stad en tempel. Daarvoor heeft de Heere gebruik willen maken van Cyrus. De volle vervulling wordt echter geschonken in de Heere Jezus Christus en Zijn volbrachte verlossingswerk. Aan Zijn komst in deze wereld denken we weer inzonderheid in de kersttijd. „Hij zal mijn stad bouwen", zegt de Heere.
Ontroert u dat niet? Mijn stad, Jeruzalem, de stad die God Zich verkoren had, maar die Hem schandelijk had verlaten. God heeft deze stad nog niet verlaten. Ze ligt wel in puin onder de oordelen Gods, maar de Heere zal deze stad om de wille van de komende Verlosser nog laten herbouwen. En 't is ook inderdaad gebeurd.
In veel heerlijker zin nu zal Christus Gods stad bouwen. Hij komt midden in verwoesting. Door onze zonde en schuld is hier alles een ruïne, en wijzelf ook.
Maar nu gaat God bouwen door Zijn werk en de muren van de stad Gods worden opgericht op het kind in de kribbe en het offer van Golgotha. Dit bouwen kost maar niet wat geld en wat materiaal.
Neen, 't kost Gods eigen Zoon, 't kost Hem Zijn bloed. Zo schoon wordt de stad, dat de apostel er van zegt: Een stad met gouden straten en paarlen poorten. Daarin zal niemand meer zeggen: ik ben ziek, want de inwoners van die stad zullen vergeving van ongerechtigheid hebben. Ge kunt ook zeggen: die stad, dat is de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, waarop gerechtigheid wonen zal. En als ik dat lees van die stad, dan denk ik ook aan de inwoners van die stad. Allen, die daarin komen zijn ook door de Christus gebouwd, want van nature liggen we allen in puin. Ons leven is verwoest, ons hart verdorven. Als Christus gaat bouwen aan de stad mensenziel, waarvan wij nog zulke goede en schone gedachten hebben, dan breekt Hij af, d.w.z. Hij gaat eerst het puin wegruimen, alles wat wij opbieden in eigengerechtigheid en ongerechtigheid. Hij doet ons met smart zien wat wij ervan terecht gebracht hebben. Als Christus levende stenen gaat maken om ze in te voegen, dan laat Hij ons dat verstaan, opdat wij gewillig gemaakt zouden worden ons door Christus te laten herbouwen. Ja, dat doet pijn, maar toch worden we zo pasklaar gemaakt en gelegd op dat eeuwige fundament Christus Jezus. Ook al lijkt het bouwwerk soms niet te vorderen, ook al lijkt het alsof de vijand de muur opnieuw neerwerpt, ook in 't eigen hart, toch zal Gods bouwwerk rijzen naar Zijn gemaakt bestek. Want Gods stad zal vol mensen zijn, vergaderd uit alle geslacht en taal en natie.
Wil dat geschieden, dan moeten de gevangenen worden losgelaten. In Babel zitten ze. Om der zonde wil. De Heere noemt ze, o wonder van genade, mijn gevangenen.
Gevangenen, die Ik daar gebracht heb, die Ik nog niet loslaat, die Ik nog genadig zal zijn.
Straks mogen de ballingen uit Babel vertrekken naar Jeruzalem. God leidt ze en bewaart ze. Ze zongen er van: God heeft bij ons wat groots verricht. Ze lachten en juichten, 't Was hun een droom!
Dit is nog maar een schaduw van de verlossing in Christus Jezus.
Hij komt om Gods gevangen van nog veel groter gevangenschap te bevrijden en tot veel heerlijker vrijheid te leiden.
Daar ligt de mens — eens de kroon der schepping — machteloos gebonden in satans macht. Omstrikt met koorden van zonde en onrecht, begraven in het zondegraf. Wie zal daaruit verlossen? De Heere Jezus Christus.
Wat een boodschap, dat de Verlosser, die God geeft, dat kan. Deze prediking wordt nu door ons als blijde boodschap begroet, wanneer we met de doodsbanden des satans zitten.
Wanneer we rammelen aan de gevangenisdeuren en we kunnen niet loskomen.
Weet ge wanneer dit gebeurt? Als Christus ons vrij gaat maken. Dan leert Hij ons zien, hoe langer hoe meer, dat wij met doodsbanden gebonden zijn. Dat wij de kracht der zonde in ons leven niet kunnen breken. We mogen al aan de banden rukken, we mogen ons al inspannen, 't is alles tevergeefs. Dan leren we iets kennen van Psalm 116: Ik lig gekneld in banden van de dood . . .
Zie . . . dan is de Heere reeds aan 't vrij maken. Hij maakt het zo, dat wij het in de gevangenis van satan en zonde niet meer kunnen uithouden. Hij leert ons roepen: Och Heere, redt Gij onze ziel! Dan is Hij die Christus, die komt en toeloopt, die zelf de deur open zet, die zich over ons heenbuigt en de banden gaat verbreken en de knopen losmaakt. Hij is degene, die de ziel door Zijn Woord en Geest inleidt in het werk van kribbe en kruis, dat toepast aan ons hart. O, dan wordt iets van de bevrijding gesmaakt, als we met de verloren zoon, terugkerende met schuldbelijdenis naar de Vader, gaan ondervinden, dat de Heere goed is, genadig en rechtvaardig. Zo zelfs, dat Hij ons het beste geeft wat Hij heeft en ons trekt aan Zijn Vaderhart. Dan eerst ademen we in de vrijheid, die de Zoon ons schenkt. Zou dan ook onze tong niet juichen, zou het dan ook niet zijn of we dromen? Heeft dan de Heere bij ons niet wat groots verricht?
Dat alles ligt besloten in dat kind in de kribbe!
Ga dan aan deze stal niet voorbij. Maar kom met al uw armzaligheid en zonden om uit de hand van het Kind Jezus de verlossing te ontvangen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 december 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 december 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's