KERK NAAR BUITEN?
„En als zij het gezien hadden, maakten zij alom bekend het woord, dat hun van dit Kindeke gezegd was.” (Lukas 2:17)
Enkele maanden geleden schreef een jonge legerpredikant in het blad „Leiding" van de Hervormd-Gereformeerde Jeugdbond dat hij het aantal ongedoopte soldaten niet zonder grond schatte op meer dan 45 pct. van het totaal aantal jongemannen dat bij elke nieuwe lichting in dienst kwam.
Dat is wel een opmerking om even bij stil te staan. Van elke 100 recruten van rond de twintig jaar zijn er nog ongeveer 55 gedoopt. Dan worden daarmee alle gedoopten van alle kerkgenootschappen bij elkaar bedoeld. Iets meer dan de helft dus. Maar dat betekent nog lang niet dat deze gedoopten ook kerkelijk meelevend zijn. Was dat maar waar . . . ! Bij hoevelen is de doop niet meer dan een formaliteit, een gebaar zonder verdere inhoud? Als de helft van alle gedoopten bij het opgroeien werkelijk meeleeft (ik denk dan nog niet eens aan het belijdenis-doen en de Avondmaalsgang), schatten we zeker niet te hoog.
We kunnen dus rustig stellen dat van de leeftijdsgroep rond de twintig jaar (wat van de recruten geldt is natuurlijk ook van toepassing op alle andere jongens en meisjes die niet in dienst zijn) ten hoogste een kwart nog in mindere of meerdere mate met de kerk te maken wil hebben.
Ten minste 75 pct van de opgroeiende generatie kunnen we beschouwen als rand- en buitenkerkelijk.
Wat zal dat beteken voor de geestelijke toestand van ons volk over — laten we zeggen — 25 jaar?
Momenteel is — over het hele volk gerekend — een percentage van ongeveer 35 rand- en buitenkerkelijk. Maar richten we ons speciaal op de jongeren, dan zien we dit in een versneld tempo toenemen.
Maar genoeg van de cijfers. U weet ook wel dat je met cijfers allerlei verkeerde en onvolledige conclusies kunt trekken. Het is ook niet waar dat nu ineens alles er „zwart" zou uitzien, terwijl het vroeger „wit" was. Er was in het verleden eveneens veel „onkerksheid", maar men bleef op papier toch lid van de kerk, omdat men „van de armen trok", of land van de diaconie in pacht had. Er zou over dit alles een stuk apart te schrijven zijn.
Waar het mij echter wel om gaat is dit: Bij alle voorzichtigheid die we met cijfers in acht moeten nemen, kunnen we toch wel stellen dat vooral in de welvaartsjaren van na de oorlog de onkerkelijkheid en buitenkerkelijkheid in sterk tempo toeneemt. Ik weet wel, het zijn lang niet altijd meer de felle anti-kerkelijken van vroeger. Integendeel, men ontmoet tegenwoordig veel sympathie voor allerlei „zichtbare" activiteiten van de kerk. Men is er „niet op tegen". Maar er naar toe gaan en echt buigen onder de prediking van Gods getuigenis, dat is er niet meer bij. Iedereen moet vrij zijn. De één om naar de kerk te gaan, de ander om het niet te doen.
Nu kan men zeggen dat „geloven" en „naar de kerk gaan" wel uit elkaar gehouden moeten worden. Het is toch niet zo dat allen, die niet meer kerkelijk meeleven, ook inderdaad atheïsten zijn? Velen zeggen dat ze wel geloven, maar op een andere manier dan de kerkmensen. Zij kunnen zich niet meer vinden in de huidige „patronen" van gemeente-zijn en kerkgang.
Ook hier ligt een probleemveld waar we niet zomaar aan voorbij mogen gaan. Hoeveel mensen zijn niet door een onbijbels leven van de gemeente van de kerk afgestoten? Dit verdient aparte bezinning.
Maar in het algemeen willen we toch — vanuit de visie der belijdenis — eraan vasthouden dat „geloven" en „meeleven" met ,,de kudde van de Goede Herder" niet van elkaar te scheiden zijn. Christus roept een volk samen rond Woord en sacrament. Daarmee is ten diepste heel veel, zó niet alles gezegd. De kerk gaat nu eenmaal eenzelfde weg door deze wereld, als welke Christus is gegaan: „Hij was veracht en de onwaardigste onder de mensen”.
Toch zending?
Ja, want tegelijk is van kracht de roeping van Christus: „Ik zend u als schapen temidden van de wolven". En we denken aan dat andere woord uit het Nieuwe Testament: dat we hebben te zijn als lichten temidden van een krom en verdraaid geslacht.
Als we zien op alles wat al door vele gemeenteleden is geofferd voor de zending in verre landen, dan mogen we dankbaar zijn. Diep dankbaar dat God de Heere deze liefde in het hart van velen heeft gelegd. Er is ook reden tot blijdschap als we zien dat onder de heidenen ver weg het zaad van het evangelie ontkiemt. Er ontstaan „jonge kerken", die zich door ons willen laten helpen opdat ook zij hun roeping zo goed mogelijk zullen volbrengen.
Maar het zou niet goed zijn, als wij in Nederland alleen maar aan landen in de verte dachten, en vergeten dat naast onze deur het heidendom zo ontzettend toeneemt. Is niet juist het kerstgebeuren en de daad van de herders ook in dit opzicht een belangrijk teken? Christus is gekomen tot het Zijne, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Dat gold in de eerste plaats van het Joodse volk. Maar kunnen we dat ook niet van toepassing achten op al die mensen onder ons, die het teken van het Verbond aan het voorhoofd dragen en er al jaren „niet meer aan doen? " En op al degenen die — hoewel zelf niet meer gedoopt — toch behoren tot de „duizend geslachten", die niet los te denken zijn van Gods grote daden ook onder ons volk?
Pinksterfeest is zendingsfeest: Gaat dan uit, verkondigt het Evangelie aan alle creaturen. Kerstfeest is ook zendingsfeest. Met enige voorzichtigheid gezegd: „inwendige-zendingsfeest". Want toen gingen de herders tot hun volksgenoten en maakten zij alom bekend . . .
Twee fronten
Hier ligt één van de taken van de Bond voor Inwendige Zending, namelijk om niet alleen als Bond te arbeiden onder hen, die „buiten staan", maar ook om de gemeenten en gemeenteleden ervan te doordringen dat juist zij de eerste roeping hebben om een getuigenis te doen uitgaan van het Kind dat aller hulde waard is.
Het blijkt namelijk dat nog lang niet allen oog hebben voor deze 'dichtbije' zendingstaak. Men neemt het vaak als vanzelfsprekend aan dat de buurman „niks" is. Er is een zekere gelatenheid, wanneer er geconstateerd wordt dat er zoveel verval en afval is.
Nu kunnen we inderdaad stellen dat het (met alle voorzichtigheid gezegd) in zeker opzicht makkelijker is om iemand tot Christus te roepen, die nog nooit van Hem gehoord heeft, dan iemand die het station van het Christendom al „gepasseerd" is. De mens die het Christelijk geloof achter zich heeft schijnt moeilijker te benaderen dan de verre heiden. Hoe het ook zij, wij mogen alleen zien op het gebod en voor het overige moeten we blind zijn.
Schort het daaraan niet vaak? Wat denkt u: Als we mèt de herders waarlijk in het geloof gezien hebben het Kind, dat gekomen is om te zoeken wat verloren is, dan gaan we toch ook bekend maken het woord dat ons van dit Kindeke gezegd is? We mogen ons toch niet verschuilen achter allerlei verontschuldigingen? Ik weet wel dat wij zo te kampen hebben met ons eigen ongeloof en kleingeloof. En dat we er zo tegen opzien om er met onze kennissen en buren over te praten. Maar is er niet een roepende God die tegelijk krachten geeft?
Hebben wij een Boodschap?
Dat lijkt een merkwaardige vraag. Men is geneigd daarop bij voorbaat al met „ja" te antwoorden. Immers, wij willen goede preken horen, die het getuigenis van de Schrift ten volle willen doorgeven. Tot onze grote droefheid zien we bij velen een verzwakking, wanneer het gaat om het prediken van de noodzakelijkheid van geloof en wedergeboorte, van een eeuwige ondergang welke hèm wacht die niet zijn toevlucht zoekt bij de Rots der eeuwen. We noemen slechts enkele punten.
Maar als wij dan in alle ootmoed ernaar streven de Bijbelse Boodschap onverkort door te geven; als we ook menen dat juist deze prediking het moet doen voor leven en sterven; als dit het reddende Woord is voor een wereld verloren in schuld, hoe komt het dan dat we er zo traag mee zijn, deze heilsboodschap naar buiten uit te dragen?
Ik geloof van harte dat juist het getuigenis dat naar Schrift en belijdenis is, de toekomst heeft. Waar vele andere pogingen verzanden of schipbreuk lijden, daar heeft het evangelisatiewerk in echt gereformeerde lijn nog betekenis. En waarom? Omdat het de volle breedte en diepte van Gods Woord wil honoreren. Dat betekent onder meer: ruimte laten voor de Heilige Geest en beseffen, dat uiteindelijk niet onze methodieken het laatste woord hebben, maar wel dat het Gode behaagt om mensen toe te rusten tot arbeid in Zijn wijngaard. Maar Hij alleen is het die de wasdom geeft.
Als we dan deze Boodschap hebben, laten we hem dan ook brengen.
Leer en leven
Bij alle mogelijke bezwaren die er zijn tegen het Leger des Heils, mogen we toch zeggen: Elke gemeente dient in de lijn van Gods Woord een beetje „Leger des Heils" te zijn. Een stad op een berg, een licht op de kandelaar. Dat kan geschieden door middel van een persoonlijk getuigenis. O zeker. Maar hier wil ik — tenslotte — graag even de nadruk laten vallen op de betekenis van het dagelijks leven van elk gemeentelid persoonlijk en van de kerkelijke gemeente in zijn geheel.
Heel veel goed georganiseerde evangelisatie-arbeid loopt stuk op het feit dat het „thuisfront" voor de rand- en buitenkerkelijke eerder een afstotende dan een aantrekkende werking heeft. Men kan iemand tot aan de deur van de kerk krijgen, maar wat zou het jammer zijn als hij dan weer door de manier waarop de gemeenteleden leven en door de wijze waarop de gemeente samen komt wordt afgestoten.
Laten we ons steeds goed bewust zijn van het feit dat de dingen die in onze ogen hoofdzaken zijn, voor een buitenkerkelijke de indruk van „bijzaken" kunnen hebben, terwijl de bijzaken-in-onze-ogen door hem als wezenlijke hoofdzaken worden gezien. Dat betekent: we moeten een aantal dingen goed overdenken, maar dan alleen met de Schrift in de hand. En dan niet vergeten dat de liefde het voornaamste is, in het leven van de gemeente, maar ook in het inwendige-zendingswerk.
Dat wil niet zeggen dat er geen punten zijn waarover de natuurlijke mens zich niet zal blijven „ergeren". Als het maar de bijbelse „ergernis" is, en niet een aanstoot nemen aan sommige eigengemaakte regels en gewoonten.
Boven dit alles staat het woord van Paulus: De tijd is voorts kort! We leven op de wederkomst aan. In de tussentijd moeten we uitgaan in de heggen en steggen om te nodigen, opdat het huis vol worde. In de tijd van Advent spreekt ons dat temeer aan. De zaak des Konings heeft haast.
Mogen we in dat besef straks Kerstfeest vieren, zelf gezegend en tot zegen voor anderen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 december 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 december 1969
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's