De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De taal van de prediking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De taal van de prediking

9 minuten leestijd

In de prediking kunnen bepaalde specifiek bijbelse woorden en uitdrukkingen, die tot het wezen van het evangelie behoren en als zodanig onvervangbaar zijn, niet worden gemist, zo zagen we in het vorige artikel. Tengevolge van de tegenwoordige, steeds toenemende ontkerstening mogen ze dan voor de moderne mens onbekend zijn en krachtens diens anders gerichte denken onverstaanbaar, ze kunnen niet weggelaten worden zonder het evangelie te verminken en van zijn kracht te beroven.

Desondanks zijn er onder kerkelijk meelevende mensen, die, rekening houdend met het moderne denken, bepaalde typisch bijbelse woorden en uitdrukkingen in de prediking geschrapt willen zien. Indien ze dat willen uit bewogenheid met de van het evangelie vervreemde mens, is hun standpunt te waarderen. Maar de kwestie is, dat ze die mens daarmee geen dienst bewijzen. Integendeel, ze werken zijn vervreemding van de bijbel en het evangelie op die manier juist in de hand.

Onder kerkelijk meelevende mensen zijn er echter ook, die zich bepaald ergeren aan die specifiek bijbelse woorden en uitdrukkingen. En als dat zo is, vraag ik mij af en moeten ze toch ook zichzelf eens afvragen, of hun ergernis niet zozeer die woorden en uitdrukkingen op zichzelf betreft alswel de bepaalvorm van geloofsleven, dat in deze woorden en zegswijzen zijn uitdrukking vindt. Immers, hoe is anders de felheid te verklaren, waarmee zij op het gebruik ervan in prediking en gesprek reageren?

In bepaalde takken van arbeid en op sportgebied gebruikt men toch ook uitdrukkingen, die buiten de taalschat van de gemiddelde Nederlander liggen (de zg. vaktaal en allerlei sporttermen) en die door ongeïnteresseerden niet verstaan worden. Maar niemand, die zich daaraan ergert of zich daarover opwindt.

Moet u echter eens horen, hoe sommige mensen kunnen uitvallen, als het gaat over bepaalde uitdrukkingen op het gebied van de godsdienst, die volgens hen „door geen sterveling in onze tijd begrepen worden". Het emotionele karakter van deze reactie wijst er op, dat de oorzaak dieper ligt en dat de weerzin niet zozeer die woorden en gezegden geldt alswel de bepaalde vorm van geloofsleven, waartegenover men om de een of andere oorzaak met bepaalde ressentimenten is vervuld en waaraan men op geen enkele manier wenst herinnerd te worden.

Maar keren we tot ons uitgangspunt terug. Het ging in wezen over de verstaanbaarheid der prediking, te weten wat de manier van uitdrukken betreft, de taal dus van de prediking. In onze tijd nu legt men er zeer sterke nadruk op, dat de prediking voor iedereen verstaanbaar en begrijpelijk moet zijn.

We zagen reeds, dat dit alleen al hierom onmogelijk is, omdat de moderne mens in een heel andere denkwereld leeft dan de gedachten, die aan het evangelie ten grondslag liggen. In de denkwereld van de moderne mens is geen plaats voor God, geen plaats voor de goddelijke daad der schepping, geen plaats voor de zondeval, geen plaats voor de verlossing enz. Kortom, in het moderne denken is met de bijbel geheel en al afgerekend. Alles in de wereld verloopt volgens een gesloten systeem van natuurwetten. En het is de taak van de mens, die natuurwetten te ontdekken en in landbouw, industrie enz. aan zich dienstbaar te maken. Op die manier beheerst hij door zijn techniek gaandeweg de hele wereld, zonder op hogere machten, waaraan men vroeger geloofde, aangewezen te zijn.

Dat is in korte trekken de lijn van het moderne denken. En we moesten vaststellen, dat dit denken aan kerkmensen niet voorbijgaat. Onwillekeurig worden ze erdoor geïnfecteerd. Ook voor kerkmensen wordt het bestaan van God problematisch gemaakt. Ook kerkmensen worden voor de vraag gesteld: vertelt die bijbel u wel de waarheid? Kunt ge wel alles wat er in die bijbel staat, geloven?

Hoe in déze wereld het evangelie te brengen, is voor de kerk het grote probleem van deze tijd. We hebben nu wel begrepen: van aanpassen kan en mag geen sprake zijn. Dat deden de apostelen in hun tijd ook niet. Temidden van de heidenwereld brachten zij het evangelie, voor de Joden een ergernis en voor de Grieken een dwaasheid. Wel in de volkstaal van die dagen, maar vierkant tegen het denken van die tijd in. Zij braken het heidense denken af en het behaagde God door middel van hun prediking op de puinhopen van het oude heidendom een nieuwe wereld op te bouwen, doortrokken van het evangelie van Jezus Christus.

Zo zullen wij predikers van deze tijd hier in ons land het evangelie te brengen hebben in het Nederlands van nu, maar zonder het evangelie aan te passen aan het denken van deze tijd, zonder iets van het evangelie àf te doen en zonder er iets aan tóe te vóegen.

Of allen, die er kennis van nemen, het dan begrijpen en aanvaarden zullen? Daar kunnen we niet op rekenen. De taal van de kerk, hoe ook gemoderniseerd en gestroomlijnd, blijft voor de mens van de wereld een vreemde taal, die hij niet verstaat. De kerk roemt de grote werken Gods, de wereld roemt de grote werken van de mens. En ook nu is het evangelie van het Kruis voor mensen met de Joodse mentaliteit (wij kùnnen het) een ergernis en voor mensen met de Griekse mentaliteit (wij wéten het) een dwaasheid. Het past niet in hun gedachten-systeem. En zolang zij aan hun eigen gedachten vasthouden, zullen zij het evangelie afwijzen.

De Heere echter heeft beloofd, de rechte prediking van zijn Woord te willen zegenen. En waar dit gebeurt, wordt het eigengerechtige en waanwijze denken stuksgewijze afgebroken en komt er plaats voor het evangelie van Jezus Christus. Dan stapt de mens van zijn voetstuk af en wordt hij zondaar voor God. Dan aanvaardt hij de Heere Jezus Christus als de van God gegeven Zaligmaker en laat hij zich in zijn denken en doen leiden door het Woord van God, dat de Heilige Geest hem leert verstaan en dat dan de kracht van zijn leven wordt.

Nog één keer kom ik terug op het begrijpelijk willen presenteren van het evangelie aan de moderne mens. Men legt daarop in onze tijd sterke nadruk en meent, daardoor het evangelie ook aannemelijk te kunnen maken.

Het evangelie begrijpelijk maken is echter al direct onmogelijk, zagen we. De twee verschillende denkwerelden van evangelie en onze tegenwoordige tijd staan zo diametraal tegenover elkander, dat overeenstemming ten enenmale uitgesloten is. In die twee denkwerelden gebruikt men onderling, geheel verschillende woorden. En als men nog dezelfde woorden gebruikt, hebben ze een totaal verschillende inhoud. Ook de gedachtengangen zijn over en weer geheel verschillend, zodat met de gedachtengang uit de ene denkwereld een gedachtengang uit de andere niet is duidelijk te maken.

Trouwens, gesteld dat men het evangelie door herhaalde en nog eens herhaalde omschrijving voor een buitenkerkelijk, modern denkend mens begrijpelijk had gemaakt, zodat hij zeggen moest: nu heb ik het dóór waarom het gaat en wat jullie christenen geloven, — dan is daarmee nog helemaal niet gezegd, dat het evangelie voor hem aannemelijk is geworden. Dan kan hij nóg laten volgen: maar dat jullie dat nu geloven, moet je zelf weten; ik pas ervoor. Zoals een professor eens heeft gezegd: het is mijn eer te na, dat een ander mijn schuld aan een kruispaal boet; als ik schuld heb, wil ik daar zelf voor staan. — En die professor wilde allerminst voor een ongelovig mens gehouden worden.

Het evangelie is nu eenmaal niet naar de wensen van ons natuurlijk hart. Het komt ons mensen niet in het gevlei. Integendeel, het kruis van Christus, dat toch het wezen, het hart van het evangelie vormt, stelt ons schuldig voor God (Christus sterft niet voor eigen zonden maar voor de onze). Het roept onze geestelijke onmacht uit (Christus doet in onze plaats wat wij niet konden en niet wilden). Ja, het stelt onze vijandschap tegen God in het licht (God geeft ons tot redding zijn Zoon en wij werpen Hem uit).

Als wij dit alles verstaan, is daarom onze eerste reactie nooit: wat een heerlijk evangelie is dit! Dan is onze eerste reactie: wrevel, weerzin, verzet, 't Is inderdaad onze eer te na. Het tast ons zelfgevoel aan.

Wie voetstoots het kruis van Christus omhelst, heeft het niet begrepen en kon er zich wel eens ernstig aan bezeren. Men ziet dan ook nog al eens, dat mensen, die het kruis van Christus zo gemakkelijk aanvaarden, het even gemakkelijk weer loslaten.

Wat hebben de apostelen het aanvankelijk moeilijk gehad met dat kruis van Christus! Toen Hij nog bij hen was en erover sprak met hen, hebben ze het steeds maar afgewimpeld. En toen het kruis werkelijkheid geworden was, waren ze totaal uit het veld geslagen en zijn ze niet eerder in hun evenwicht hersteld en tot geloof gekomen dan nadat de opgestane Christus hun verschenen was.

En wat heeft de apostel Paulus een tijdlang tekeer gegaan tegen allen, die de gekruisigde en opgestane Christus aanhingen! Ook aan hem is de verheerlijkte Christus zelf moeten verschijnen om hem van een tegenstander in een voorstander te veranderen, van een vijand in een vriend.

En nu gaat het met iedereen niet als met de apostelen, maar eer wij het kruis van Christus als een levende realiteit en als de oorzaak van onze zaligheid, ootmoedig en dankbaar, voor eigen hart en leven aanvaarden, moeten wij over onze ergernis heengebracht worden. En dat kan niemand anders dan God de Heere zelf.

Al spannen wij predikanten ons nog zo in en doen wij nog zo ons best, het evangelie voor moderne mensen uit te leggen, al gebruiken wij daarbij de meest moderne taal en de meest actuele beelden, het evangelie voor hen begrijpelijk en aannemelijk maken, kunnen wij niet. Zoals men vroeger wel eens zei: de dominee kan het niet verder dan tot het oor brengen, de Heere zelf moet het tot de harten doen doordringen. En natuurlijk, dat kan gezegd zijn om zich van het appèl, dat van het evangelie uit gaat, af te maken en in zijn ongeloof, vijandschap en verzet te volharden. Niettemin blijft het waar: de Heere moet het evangelie tot ons hart doen doordringen.

En gebeurt dit wérkelijk, dan laten we ons door de Heere gezeggen. Dan wordt door het Kruis onze trots geknakt. We erkennen: ik had daar moeten hangen; naar recht had ik dat alles moeten ondergaan. En tot in het diepst van ons hart geroerd door Christus' grote zondaarsliefde, die zich in onze plaats wilde stellen en ons door zijn bitter lijden en sterven met God heeft verzoend en uit de macht van Satan heeft vrijgekocht, knielen we in gedachten neer bij zijn kruis en zeggen: dank Heere Jezus, dat u dit alles voor mij hebt willen dragen en hebt willen doen. Zonder U ben ik een verloren schepsel. Maar door U en met U ben ik behouden. U wil ik daarom toebehoren en mijn leven wijden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1970

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De taal van de prediking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1970

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's