„WIE ZIJT GIJ?”
En dit is de getuigenis van Johannes, toen de Joden enige priesters en Levieten afzonden van Jeruzalem, opdat zij hem zouden vragen: Wie zijt gij? En hij beleed, en loochende het niet, en beleed: Ik ben de Christus niet. En zij vraagden hem: Wat dan? Zijt gij Elias? En hij zeide: Ik ben die niet. Zijt gij de profeet? En hij antwoordde: Neen. Zij zeiden dan tot hem: Wie zijt gij? opdat wij antwoord mogen geven degenen, die ons gezonden hebben; wat zegt gij van uzelf? Hij zeide: Ik ben de stem des roependen in de woestijn: maakt de weg des Heeren recht; gelijk Jesaja, de profeet, gesproken heeft. (Joh. 1:19-23).
Wanneer Johannes de Doper het Woord Gods verkondigt, gaat er een schok van ontroering door het volk. Alleen maar van ontroering? Is het niet eerder een schok van herkènning? Al zovele jaren was de mensen immers niets anders gebracht dan het vermaan van de Schriftgeleerden met hun precieze afbakening van het leven; met hun nauwkeurige omlijning van wat mocht en niet mocht, en waar werd de stem der profetie nog gehoord? Zou het woord van Anna, de profetes, nog wel ver hebben doorgeklonken onder Israël?
En nu opent Johannes de mond, de zoon van het wonder, die het Woord van het wonder brengt. En herkennen de mensen nu niet in wat deze man zegt het levende Godswoord? Zijn woord brengt in elk geval beroering teweeg. Zoals het Woord Gods altijd doet. Het stoot immers een ieder van de hoge plaats, die hij had ingenomen, en het stelt een ieder, klein of groot, schuldig voor God. En als bij een aardbeving dringen de schokken ook door tot Jeruzalem en het hoge college van Israëls leiders ziet zich genoodzaakt, eens nader te informeren naar wat daar toch aan de hand kan zijn, daar in de woestijn bij de Jordaan. Zo arriveren op zekere dag een aantal mensen bij Johannes om hem eens enkele vragen te stellen. Ze hebben hun lastbrief bij zich: ze hebben Johannes kort en duidelijk de vraag te stellen: Wie zijt gij? Anders gezegd: Man, wie heeft u het recht gegeven en waar haalt u de autoriteit vandaan om hier het Woord van God te verkondigen? Nog afgezien van de vraag, of het wel het Woord van God is, dat hier wordt verkondigd!
En natuurlijk is dan de eerste gedachte, die opgekomen is: zou hij de Christus zijn? Men zou niet kunnen weten; het zou wel heel onwaarschijnlijk zijn, dat God op een dergelijke wijze Zijn beloften zou hebben vervuld —, maar laten we het hem toch maar vragen!
Maar Johannes is de Christus niet. Dat verklaart hij openlijk en plechtig. En hij is ook Elia niet. Elia, die eens zou terugkomen om voor de Messias de weg te bereiden. En evenmin is hij de profeet, al in het Oude Testament genoemd. Al korter worden Johannes' antwoorden. Tenslotte zegt hij alleen maar: Neen. Wat dringen de mensen toch op hem aan? Gaat het om hèm? Is het dan zo belangrijk, te weten, wie hij is? Och, zij willen hem natuurlijk een plaats geven in hun kerkelijke kaartsysteem, hem onderbrengen in hun registers; en nu zouden zij zo graag willen weten, of zij hem moeten rangschikken onder het hoofd „Profeten" of „Leraren" of dat zij hem moeten onderbrengen in de rubriek „Verleidende Geesten". En Johannes beseft dat wel. Vandaar de kortheid van zijn antwoord, Hij is immers Elia niet, noch de profeet, En hij is allerminst de Christus. Wie is hij dan? Hij is alleen een stem; de stem van een, die roept in de woestijn. Wie in feite spreekt, staat achter hem; hij mag alleen Zijn woorden uitdragen. En om Hem gaat het immers?
Ja, om Hèm.
Johannes gaat dan ook aan de kant staan om plaats voor Hem te maken. Hij bezwijkt niet, voor de verleiding, de mensen te binden aan zijn persoon. Het gaat om Christus, dat Hij heerschappij mag hebben in de harten; dat Zijn Naam heerlijk mag zijn. Dat Hij Koning mag zijn over de gedachten en de woorden en over het gehele leven. Hij moet wassen, maar ik minder worden.
Ja, het gaat om Hem. Die in deze wereld gekomen is als een Knecht, als de minste slaaf. Maar dan is waarachtig geloof nodig, wil men hem zien; geloof en verootmoediging en bekering. Dan dient de levensnood een realiteit te zijn, waarin wij ons geworpen hebben en waaruit wij roepen om Hem, die alleen kan verlossen. Anders komen wij niet verder dan tot Johannes, die boeit en meesleept door zijn machtig woord, en blijft onze vraag: Wie zijt gij? Johannes gaat op deze vraag niet lang in. Het gaat immers om die Ander?
In dit terugwijken en aan de kant gaan staan is Johannes groot. Groot in het Koninkrijk der hemelen. Hoe vaak staan wijzelf immers wel in het licht. Zijn wij bevreesd, dat wijzelf niet gezien worden, in plaats ervan, dat wij terzijde gaan staan, opdat het licht mag vallen op Hem, die alleen groot is. En dat met name, wanneer wij in de gemeente als ambtsdragers de stem mogen zijn van Hem, die roept, hoewel het tegelijk een ieder geldt. Wij kunnen elkaar in de weg staan; wij kunnen voor de Heere staan, door onze zwaarwichtigheid, door onze vroomheid, zodat Hij niet wordt gezien. Johannes wijkt terug, en in zijn terugwijken wordt de wet vervuld van het Koninkrijk Gods van het wijken en minder worden, opdat de eer zij aan de Ander, aan de Heere Zelf, die alleen Koning is. Daarin ligt dan ook behoud; daarin ligt de vreugde en het leven. Wie zijn leven verliezen zal... Dat wordt door Johannes in praktijk gebracht. Weten wij er óók van? Of staan wij nog recht overeind, omdat wij onze plaats niet willen afstaan, niet willen overgeven aan Hem, die er recht op heeft? We mogen het elkaar toch zeggen, er bij elkaar op aandringen, aan het begin van dit jaar opnieuw: Hij is niet gekomen om der mensen zielen te verderven, maar om te behouden. Maar om dit Goddelijke werk te kunnen doen moet u Hem de ruimte geven. Hij moet de handen vrij hebben. Om u te zeggen, waartoe Hij komen moest, en waarom Hij moest komen zoals Hij gekomen is. Is dan de vraag: wie zijt gij? nog van veel belang? Kan Johannes één zonde vergeven; één leven reinigen van zijn onreinheid?
Wie is Hij, dat is de vraag. En Hij is de Christus, in Wie God Zelf Zich neerbuigt tot het verlorene. Wilt ge Hem zo wel kennen? Werpt dan uw verzet neer en zegt het Hem: Heere, ook wij hebben geen aandacht gehad voor U. Maak Zelf plaats in mijn leven en in mijn hart. Laat mij verliezer mogen zijn, bij de gratie Gods. Dan zal Hij zeggen: Ik zal u mijn heil doen zien.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 1970
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 1970
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's