Dr. H.F. Kolbrugge 1803-1875
II
Hier volge nu een korte doorsnede van Kohlbrugge's levensloop.
Van vaders zijde verraadt de naam de duitse afkomst der familie. Evenwel als Nederlander wordt Kohlbrugge te Amsterdam geboren in het jaar 1803 en wel op 15 augustus, de verjaardag van Napoleon. Zijn vader was zeepzieder, die hard moest werken, om zijn gezin te onderhouden. Hij behoorde tot de Hersteld Evangelisch Lutherse gemeente. Kohlbrugge's moeder behoorde tot de Hervormde kerk. De vroege dood van zijn vader werpt een schaduw over zijn jonge leven. Maar, al was zijn gezondheid niet al te best, en al moest hij in de zeepziederij hard werken om den brode, toch kon hij, dank zij een ijzeren wil, theologie studeren. Zijn ijver werd beloond toen hij, in 1826 toegelaten tot de Evangeliebediening, een benoeming ontving als hulpprediker in de Lutherse gemeente te Amsterdam.
Kohlbrugge mocht daarin de hand des Heeren opmerken. Het zou evenwel anders lopen dan hij zich had voorgesteld. Reeds in 1827 kwam daar een conflict, omdat hij de dienstdoende predikant ds. D. R. Uckerman, had durven aanvallen op grond van ernstige bezwaren tegen diens prediking op het stuk van de rechtvaardigmaking. Daar hij, jonge man als hij was, pertinent weigerde, daarover zijn verontschuldiging aan te bieden, werd hij afgezet.
Deze zaak had een nasleep. Want toen Kohlbrugge, na grondige studie van de gereformeerde theologie, begeerde predikant in de Nederlandse Hervormde Kerk te worden, moest hij uiteraard eerst lidmaat van die kerk geworden zijn. Maar daartoe was een door de reglementen voorgeschreven bewijs van „goed gedrag" vereist. En de Lutherse kerk van Amsterdam was klein genoeg, dit niet af te geven. Reden genoeg voor de o zo „verdraagzame" Hervormde instanties om hem het gewenste lidmaatschap naar Kohlbrugge's gewettigde klacht „willekeurig te beletten". Men wilde „rust" hebben en men was doodsbenauwd, dat men verontrust zou worden door een prediker, die getoond had alles te trotseren om des Woords wil.
De waarschuwing in het Evangelie: „In de wereld zult gij verdrukking hebben", was aan de jonge en begaafde prediker niet onbekend. Dat tot deze „wereld" ook of juist een verbasterde kerk behoorde, werd hem nu voor de tweede maal geopenbaard. Want daar was en daar is nog altijd een „sekte, die overal tegenspraak ontmoet" (Hand. 28 : 22). „Lijden om der gerechtigheid wil werd hem niet bespaard. En dan die aanvechtingen! Het geloof kwam wederom in de smeltkroes. „Maar", schrijft hij later, „God heeft op Zijn wijze Zijn Woord aan mij waar gemaakt", — dat is genoeg". En in een van zijn brieven in 1848: Welk een genade, dat onze hope op God niet beschaamd wordt. Hij vervult al Zijn goede woorden op Zijn tijd, en er ontbreekt niets aan. Wat is het zoet, geleerd te hebben, dat het heil des Heeren is”.
De Heere geeft te Zijner tijd genade en ere. Want reeds een jaar voor het bovenstaande geschiedde, promoveerde Kohlbrugge tot doctor in de godgeleerdheid van Utrecht's universiteit op een schitterend proefschrift over de 45e Psalm, dat door hem op meesterlijke, maar geheel tegen de tijdgeest indruisende wijze Messiaans verklaard en bekwaam verdedigd werd tegen de door hem voorziene bestrijding er van, waardoor hij in ieder geval respekt afdwong. Daar in Utrecht was hij in nauwe aanraking gekomen met de broeder-en-zusterkring van het Réveil, dat ook in ons land een geestelijke opwekking bracht. Interessant zijn in hoge mate de aantekeningen, die de zeldzaam begaafde dichter-improvisator Willem de Clercq maakte in zijn prachtig dagboek, later voor het belangrijkste deel door Allard Pierson uitgegeven. Het Réveil met zijn piëtistische inslag stond van meet aan wat gereserveerd tegenover Kohlbrugge. Men kon hem niet helemaal volgen in zijn prediking, die, trouwens naar de Schrift, Christus predikte in Zijn absoluutheid als de gerechtigheid en heiligheid, die God schenkt en toerekent aan de door een waar geloof met Hem verenigde zondaar. Rom. 7 was voor Kohlbrugge niet een beschrijving van de mens vóór zijn bekering, maar juist in en dus ook na zijn bekering. Vlees blijft vlees ook of juist in de bekeerde mens. „Ik ben niet heilig, maar mijn Heiland is heilig." En toen de reeds genoemde preek over Rom. 7 : 14 het licht zag, kwam er inzonderheid met da Costa een verwijdering. Da Costa verstond onder heiligmaking een trapsgewijs heiliger worden. Kohlbrugge had de komma ontdekt in Rom. 7 : 14 tussen „vleselijk" en „verkocht onder de zonde", waarvan de laatste woorden een nadere, klemmende omschrijving mag heten van dit paulinisch getuigenis. Kohlbrugge hield staande mèt Calvijn en Luther (en Kuyper ook later!), dat hier niet gesproken werd over de mens vóór zijn bekering, maar van de zondaar, die genade had ontvangen in het bloed des Kruises, en zichzelf had leren kennen als verloren en onheilig, nochtans volmaakt zijnde in Christus Jezus. „Het is niet zo, dat rechtvaardiging en heiliging samenvallen, m.a.w., dat de heiliging in de rechtvaardiging opgaat", maar wie door een waar geloof met Christus verenigd wordt, is „een goddeloze, die alleen aan de hand der genade de weg van Gods geboden gaat en als zodanig heilig is". Want Christus is hem geworden „wijsheid van God en rechtvaardigheid en heiligmaking en verlossing". En indien er éen geweest is, die de Wet Gods haar eer gegeven heeft en de gerechtigheid Gods ook voor de praktijk der godzaligheid gepredikt heeft, dan is het wel Kohlbrugge geweest. Men leze zijn Catechismuspreken over de X geboden maar eens!
Met de broeders van de Afscheiding, die hem in hun gemeenten begeerden op te nemen, wilde Kohlbrugge niet meegaan. In de Afscheiding zag hij geen heil. En het is wonderlijk, dat God het zo beschikte, dat hij, vanwege zijn zwakke gezondheid in Duitsland vertoevende, daar kennis gemaakt heeft met mensen, die later het middel werden, waardoor hij na allerlei pelgrimage tenslotte in het jaar 1847, dus enkele tientallen jaren na zijn afzetting in Amsterdam, predikant werd bij een „Nederlands gereformeerde gemeente" te Elberfeld in het Rijnland, alwaar hij tot 1875, zijn sterfjaar, onafgebroken het wondere Evangelie van de Here Jezus Christus bediend heeft. Zo heeft God de Heere naar Zijn belofte op Zijn tijd „het goede niet onthouden dengene, die in oprechtheid wandelde”.
Ook in zijn particuliere leven zijn er stormen over hem heengegaan. Was hij in eerste huwelijk getrouwd met Katharina Louise Engelbert, die, getuige de brieven door hem en haar geschreven in hun verlovingstijd, zijn in alles, met hem medelevende en in het geloof medestrijdende steun is geweest, in de jaren der beproeving. Hoe zwaar is de slag geweest, die hem trof, toen hij haar na een kort gelukkig huwelijk kwam te verliezen. Meer dan ooit werd hij een eenzame, terwijl hij juist in zijn aan spanningen overbelaste leven iemand nodig had, die hem verstond en liefdevol achter hem kon en wilde staan. In een schrijven, gedateerd 12 febr. 1835, gericht aan een van zijn vrienden, komt de volgende ontboezeming voor: „Mijn dierbare en getrouwe Catharina, de steeds bekommerde en zich zelve steeds onwaardig achtende nederige dienstmaagd van onze lieve en getrouwe Heiland, is heden, de 12e dezer, des morgens te drie uur met blijdschap en verheuging ingegaan in het paleis onzes Heeren en Konings, in het paradijs onzes Gods; ik heb met haar gestreden, ben met haar in duisternis des doods geweest, en heb met haar mogen juichen; ik ben met haar tot aan de poorten des hemels geweest, en toen zij was ingegaan, heb ik de Heere geloofd over Zijn ontferming en goedertierenheid". Machtig en benijdenswaardig geloofsgetuigenis! Maar dan volgen onmiddellijk de ontroerende woorden: „Gedenk mijner in uw gebeden, opdat de almachtige kracht onzes Heeren ons verder sterke, vooral op de dag, dat haar dierbaar overschot ten grave daalt, welke is maandag de 18e dezer. Zij heeft haar kinderkens gezegend met dierbare zegeningen". En dan komen er woorden, waarin wij achter de geloofsroem van het begin de hevige zielestrijd bespeuren: „De Heere houde Zijn krachtige hand op de mond van mijn vlees en bloed, dat nu eens stille is, en dan weder hevig uitbarsten wil”.
Later komt het tot een tweede huwelijk met een andere, door God hem gegeven vrouw, t.w. Ursulina Philippine, baronesse van Verschuer. Met haar is hij een lange reeks van jaren gelukkig gehuwd geweest, tot ook zij nog vóór hem haar geloof verwisseld zag met aanschouwen.
Kohlbrugge heeft wel ondervonden, dat de Heere Zijn volk klein houdt, opdat Hij alleen onze laatste troost mag zijn. Hier kan geen „gestolen troost" een mensenkind helpen. Hier moet de Heere Zelf overkomen met Zijn genade en Geest in alle verdrukking en het Woord is de kracht, die in „getrooste vertwijfeling" (Luther) doet belijden: „Hij is mijn Rotssteen en in Hem is geen onrecht”.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 1970
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 1970
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's