Bejaardenwerk
Meer bejaarden
Het is algemeen bekend dat de mensen tegenwoordig ouder worden dan vroeger. Dit is niet alleen te danken aan een sterke afneming van de zuigelingensterfte maar ook aan betere hygiënische toestanden en vooral de ontwikkeling van de moderne geneeskunde. 10 procent van de bevolking is momenteel ouder dan 65 jaar; op sommige plaatsen zelfs 12 procent.
Ook in het kerkelijke gemeenteleven is dit goed merkbaar. ledere predikant heeft een lange lijst van „ouden van dagen" die hij wil bezoeken. Vele uren van zijn werkweek zijn daarvooruitgetrokken.Over het algemeen doet hij wel driemaal zoveel voor de bejaarden als voor de jeugd. Soms meent hij dat daarin verandering moet komen, dat hij meer naar de jeugd en de jonge gezinnen zou moeten omzien, maar er staat tegenover dat de gemeente (en de kerkeraad) van hem verwacht dat hij de oude mensen voorrang geeft. Zo is het tenminste op het platteland. Gelukkig staat er tegenover dat hoe langer hoe meer ook ouderlingen in het bejaardenwerk worden ingeschakeld. Ook voor hen zijn deze artikeltjes geschreven.
Verplichte rust
Wij zullen niet mogen onderschatten wat het voor menigeen betekent de leeftijd van 65 jaar te hebben bereikt. Voor vrouwen die alleen hun gezin hebben verandert er op deze leeftijd niet zoveel, maar voor mannen die hun werk buitenshuis hadden des te meer. Zij gaan, zoals het heet, met pensioen. Sommigen hebben daar tevoren al verlangend naar uitgezien, anderen er alleen nog maar met schrik aan kunnen denken; terwijl de meesten het passief óver zich laten komen (men kan er immers toch niets aan doen!). Er zit vaak een mooie en aantrekkelijke kant aan: men is voortaan vrij, veel thuis, enz. De minder mooie kant is: men voelt dat men oud begint te worden, en vooral: men is nu aan de kant komen te staan. Ook na een aanvankelijk gevoel van bevrijding en opluchting begint bij menigeen op de duur het nadeel zwaarder te wegen dan het voordeel. Sommigen gaan wat werk zoeken (soms voor halve dagen), anderen nemen oude liefhebberijen op; maar er blijft over de massa die zich verveelt.
De oorzaken van al deze moeilijkheden kunnen heel verschillend zijn. Men kan zich teveel aan zijn werk hebben gehecht, er zelfs een slaaf van geworden zijn — het gedwongen loslaten ervan wordt dan als een geweldige leegte ervaren. Men kan ook zichzelf hebben overschat, teveel hebben geleefd in de waan onmisbaar te zijn, het niet aan anderen te kunnen overlaten — dan wordt het als een persoonlijke belediging gevoeld dat men op een bepaalde leeftijd, terwijl men nog zo goed mee kon, plotseling werd uitgerangeerd; het eergevoel is gekrenkt en men kan zijn „draai" niet meer vinden. Een bezwaar is ook dat velen die thans oud zijn of beginnen te worden in hun jonge jaren niet een vorm van vrijetijdsbesteding hebben geleerd waar zij nu profijt van zouden kunnen hebben; vroeger was er geen tijd om een liefhebberij te leren, iedereen moest hard werken. En dan is er ook dit nog: ergens in ieder mens leeft het besef dat hij verplicht is te werken. Luiheid geldt in onze westerse cultuur voor een ondeugd. Dit is de oudere generatie van jongsaf ingeprent, bij de jongeren begint het anders te worden. Ook in de bijbel, vooral in het Spreukenboek staan harde woorden over de luiheid, en die zijn diep ingegaan in de christelijke levensopvatting. Vooral het Calvinisme heeft van zijn oorsprong af er een streng arbeidsethos op nagehouden, dat wil zeggen: de noodzaak en plicht van de arbeid dik onderstreept; niet alleen omdat er staat dat de man in het zweet van zijn aangezicht zijn brood moet verdienen (Gen. 3) maar ook vanuit het besef dat het „beroep" een „roeping" is — het oude huwelijksformulier spreekt van ons „goddelijk beroep" — waarin wij „getrouw en naarstig" moeten zijn.
Van hofje tot bejaardencentrum
Er zijn nog steeds resten van oude hofjes, een bewijs dat ook voorgeslachten de zorg voor de bejaarden kenden. Maar in onze moderne ogen is zij gebrekkig geweest. Vooral na de laatste wereldoorlog zijn we heel andere eisen gaan stellen aan de bejaardenzorg. Eerst verrezen er bejaardentehuizen, tegenwoordig bejaardencentra. Terwijl de bejaarden eerst uit de maatschappij en samenleving werden weggehaald, is thans het streven hen zoveel mogelijk en zo lang mogelijk daarmee in contact te laten. Er is wat men noemt een zekere „humanisering" in de ideeën aangaande bejaardenzorg waar te nemen, men tracht menselijker met hen om te gaan.
Onjuist lijkt het me echter de voorgeslachten op dit punt harde verwijten te maken. Er waren niet alleen minder bejaarden maar bovendien werden zij, als zij niet meer alleen konden zijn, opgenomen in het gezin van een van de kinderen. Trouwens, onder de boerenbevolking is dat meestal nog zo. Hierbij werden soms zware offers gebracht. Een oude vader of moeder aan zijn of haar „einde" te brengen kan heel wat betekenen. Al is het anderzijds ook waar dat het spreekwoord niet voor niets zegt, dat één moeder beter tien kinderen kan grootbrengen dan dat tien kinderen zorgen voor één moeder. Het was ook vroeger niet alles ideaal, verre van dat; er was veel goeds èn er was veel kwaads, net als nu!
Maar hoe dat ook is, de tijden zijn thans geheel veranderd. Of we er over treuren of juichen we hebben ermee te rekenen en ons er op in te stellen. De meeste woningen zijn veel kleiner, de gezinnen zijn veel dynamischer geworden (ongeregeld eten, meer van huis zijn, meer aanloop, de kinderen drukker) en hulp in de huishouding is helemaal niet of slechts moeilijk te krijgen (of niet te betalen); en het wordt nu dan ook wel uiterst moeilijk nog ouders in het gezin er bij op te nemen. Waar het toch gebeurt is er vaak veel leed, óók al blijkt er weinig van naar buiten.
Een gevolg van dit alles is dat naar mijn inzicht de generatie van nu er goed aan doet concreet te gaan rekenen met (als men het beleven mag) een opneming in een of ander huis of centrum later. Daarvoor bestaat bij velen nog een zekere huiver; soms is men er zelfs zonder meer afkerig van. Dit zal toch moeten worden overwonnen. En predikanten, ouderlingen en diakenen hebben hier een taak. Uiterlijk lijkt het of hiermee van de kant van de kinderen een stuk piëteit jegens de ouders wordt prijsgegeven, en toch is dat niet waar. Neemt men, soms met tegenzin, soms in overmoedig enthousiasme, ondanks alle bezwaren die er zijn, tòch een vader of moeder in zijn gezin op en loopt het dan later verkeerd, zodat men tenslotte met een bitter hart zijn vader of moeder ten grave draagt, dan is daardoor die piëteit dunkt me heel wat erger geschonden.
Velerlei zorg
In haar zorg voor de bejaarden staat de kerk niet alleen. Van overheidswege wordt ook heel wat gedaan. Bijv. het beschikbaar stellen van gebouwen of lokaliteiten voor bejaardenactiviteiten, het in stand houden van bejaardenclubs enz. En dan is er ook nog het zogenaamde „vrije initiatief": het organiseren van clubs, reisjes, enz. òf door de bejaarden zelf of door bepaalde personen òf verenigingen.
Het is fijn dat dit er allemaal is, al kon er aan het een en ander wellicht wat meer inhoud worden gegeven. Soms krijgt de kerk daar de kans toe, en die mag zij dan niet laten voorbijgaan. Men bereikt er soms mensen mee die men anders niet of slechts heel moeilijk bereikt. In vele gemeenten organiseert de kerk ook zelf bejaardenmiddagen, enz.
Zo is er van alle kant aandacht voor deze categorie mensen. De arbeid aan hen besteed vinden we zinvol. Daarover een van de volgende keren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 januari 1970
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 januari 1970
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's