Dr. H. F. Kohlbrugge 1803-1875
III
Hoewel de verleiding groot is, om uit allerlei werk van deze kerkvader-theoloog de boeienste vondsten op te diepen, wensen wij ons te beperken. Uit de catechismusprediking, die hij naliet, is voor de belangstellende lezer een schat van Evangelierijkdom te vinden. Hoe hoog het „troostboek" bij Kohlbrugge genoteerd stond, blijkt ten overvloede uit de bewogen woorden, waarmede hij dit juweeltje van een boekje stervend aanbeval aan de zijnen, want daarin hadden ze een richtsnoer, om bij de gezonde leer te blijven. En hij verklaart, dat al wat tot God bekeerd werd, het steeds met de Catechismus, met „de oude Heidelberger" gehouden heeft. Want in deze uit het hart geschreven reformatorische belijdenis wordt het klaar ontvouwd, dat men, om zalig te leven en te sterven, weten moet, dat men door en door goddeloos is". Genade is er alleen voor een arm zondaar: Deze alleen zal de heerlijkheid van Christus te aanschouwen krijgen.
Meent daarom niet, dat hier een „goedkope" genade geleerd wordt. Kohlbrugge kan zo vlijmscherp aan een schijngelovige verwijten, „dat zijn keten hem zó lief zijn, dat hij er een bij God vervloekte handigheid in krijgt, ze met Gods Woord nog op te sieren ook". Hoe toornt hij, dat men met zijn onreine handen in de korf der genade wil grijpen, terwijl men de X geboden, de vurige Wet van Gods rechterhand, weg-evangeliseert. Zo striemt hij de vervloekte huichelarij, waarbij men roemt in een zgn. vergeving van zonden, terwijl men gemoedereerd zijn zondige begeerten aan de hand houdt en zijn harde nek niet buigt onder Gods gebod". „Wordt u dat nooit tot zonde? " dringt hij aan. Dat de genade een valse troost is, tenzij zij alles kort en klein slaat aan de mens, die vlees is en anders niet, heeft Kohlbrugge ons machtig voorgehouden. Wie durft hem dan aan te klagen als wetsbestrijder?
Zo zouden wij ook „De Tale Kanaäns" willen noemen, een omstreeks 1850 door hem geschreven en posthuum uitgegeven boekje, dat ons in meer dan éen opzicht aan Bunyans „Eens Christen reize naar de eeuwigheid" herinnert. Wanneer men terecht van Kohlbrugge's gehele prediking mag zeggen, dat zij Schriftuurlijk bevindelijk is, dan geldt dit in hoge mate van dit merkwaardig geschrift. Ter illustratie volge hier de aanhef: „Voor enige tijd, toen ik mijn hoofdkussen deed zwemmen van tranen, vanwege de bittere nood mijner ziel, en ik om antwoord aanhield, dat de Here een woord van vrede tot mijn ziel zou spreken, was het mij eerst, alsof ik verstoten was; maar niet aflatende, was het mij weldra, als hoorde ik een grote menigte in een vol koor zingen:
Hoopt op den Heer', gij vromen ...”
Of wil men een ander staal van de wijze, waarop Kohlbrugge met diep indringende ernst de catechese beoefende, lees dan het bijzonder leerzame en troostrijke boekje: „Vragen en antwoorden tot opheldering en bevestiging van de Heidelberger Catechismus", uit het duits vertaald en uitgegeven door de „Vereniging tot uitgave van gereformeerde geschriften" te Amsterdam, van welke stichting wij zo veel uitgaven der Elberfelder pastor te danken hebben.
Ik schrijf daaruit enkele vragen en antwoorden voor u af, waarin men zien kan, dat Kohlbrugge's prediking door en door pastoraal was.
Vr. Waarom is u, om in deze goddelijke troost zalig te leven en te sterven, nodig te weten, hoe groot uw zonde en ellende is?
Antw.: Als ik niet weet, dat mijn zonde en ellende dáárin bestaat, dat ik Gods gebod overtreden en Zijn heilige Wet door mijn ongehoorzaamheid miskend heb, en dat God mij daarom van Zijn heilig Aangezicht voor eeuwig moet verstoten, dan zal ik wel grote verlegenheid en berouw tonen, maar alleen opdat ik niet in de hel kome. Dan zal ik mij ook spoedig met een valse troost geruststellen. Wanneer ik echter weet, dat ik zulk een zondaar ben, dat God Zich in het geheel niet met mij kan inlaten, dan zal ik God in het gelijk stellen en mijzelven veroordelen, en dan zal God, uit loutere barmhartigheidd tot mij komen met de waarachtige troost: Hij zal mij namelijk Zijn Christus tonen als het Lam, dat aan Zijn gerechtigheid voldaan heeft. En hoe meer ik het weet, dat het van mijn zijde een verloren zaak is, des te zekerder zal ik kunnen sterven op Zijn belofte: Doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen" (Ps. 81 : 11).
Maar dan gaaf hij dieper op de zaak in.
Vr.: Wat verstaat gij onder uw zonde?
Antw.: „Niet alleen mijn zondige hartstochten, maar ook al het bedenken en streven van mijn hart en alle overleggingen van mijn verstand, volgens welke ik altijd anders wil dan God wil; terwijl ik alles, wat Hij zegt, verkeerd uitleg, alles, wat Hij recht en goed gemaakt heeft, bederf; en alles wat Hij goed geordend en geschikt heeft, verdraai en verwring. Ook versta ik Hem in Zijn gerechtigheid en in Zijn goedertierenheid nooit, zo als ik moest, maar koester kwade gedachten van Hem, blijf in het zichtbare hangen, verzet mij tegen Zijn eeuwige wijsheid, ja ik heb mij geheel onbekwaam gemaakt, en maak mij nog voortdurend onbekwaam voor Zijn goede Wet en Zijn heilig gebod; zodat ik, in éen woord, niet kan en niets wil, hoewel het willen bij mij is”.
En in vervolg daarop komt dan nog even de punt op de i te staan.
Vr.: En wat is uw ellende?
Antw.: „Dat ik naar mijn gewaarwording zo dikwijls ben, alsof er voor mij geen God was; dat ik Zijn vertroosting niet altijd ondervind, en dat ik de Heilige Geest bedroef door mijn verkeerdheid, mijn onverstand en mijn ongeloof. In éen woord, dat ik in deze boze wereld, in het zondige vlees, en niet in de hemel bij mijn God en Heiland woon.”
Onmachtsprediking, zegt wellicht iemand. Alsof er niet geschreven stond: „Een mens kan niets aannemen, zo het hem uit de hemel niet gegeven zij". Maar Kohlbrugge weet zeer goed van de verantwoordelijkheid van de mens. Als iemand zich goddeloos achter de onmacht gaat verschuilen, haalt Kohlbrugge hem uit zijn schuilhoek te voorschijn en dan bepaalt hij hem bij zijn onwil en zegt, dat hij Matth. 21 : 28 en 29 maar eens moet lezen aangaande die zoon, die opdracht kreeg, in de wijngaard zijns vaders te gaan werken, maar antwoordde: Ik wil niet. — Goed Gereformeerd is het, onmacht en onwil niet te scheiden, maar ze, naar ik meen bij Aegidius Franken gelezen te hebben, „met elkander verstrengeld" te zien.
En dan komt in genoemd gulden boekje de toepassing, om zo te zeggen.
Vr. Waarom is u, om in deze goddelijke troost te leven en te sterven, nodig te weten, hoe gij van al uw zonde en ellende verlost zijt?
Antw.: „Als ik dat niet wist, dan zou ik mijn troost zoeken in mijn boete en in mijn berouw; in mijn zedelijke en verbeterde levenswandel of in mijn vrome werken; in mijn bekering en in de weg, die God met mij houdt; in mijn aanvechtingen en tegenspoeden; in mijn roepen om genade en om vergeving; en in beloften, die ik zelf voor mij heb uitgedacht; in mijn strijd tegen de zonde, en in een schijnbare overwinning; in het kerkgaan, in het avondmaalhouden, in het geven van aalmoezen en in al de werken mijner liefde; — zodanige troostgronden zijn echter niet bestand tegen de herinnering aan slechts één enkele zonde. Zo zou ik dan in valse gerustheid vervallen bij een regelmatig leven; in vermetelheid om te doen en te drijven wat de begeerte ingeeft, en dan toch mijn geloof daarbij roemen; of ik zou in wanhoop geraken bij het bewustzijn, dat ik door mijn verdorvenheid alles wat God in mij heeft opgebouwd, moedwillig weder heb afgebroken. Thans echter heb ik een daad en een woord van mijn God. De daad is deze: Op Golgotha heeft Gods eigen Zoon, mijn Borg en Plaatsbekleder, voor mij gebloed. Hij is voor mij gestorven. Hij heeft voor al mijn zonden, ook voor mijn zonden van deze dag, volkomen betaald. Hij heeft Gode een eeuwig geldende voldoening gebracht, een volkomen gehoorzaamheid; mijn schuld heeft Hij uitgedelgd, de straf gedragen; met God ben ik door de dood Zijns Zoons verzoend en daardoor heeft Hij mij Zijn vrede gegeven, een eeuwige zaligheid in het leven hoop van eeuwige zaligheid in het leven van Christus, mijn Heere. Zo heeft God mij zalig gemaakt zònder mij, ja tégen mijzelven, naar het raadsbesluit van Zijn welbehagen in Christus Jezus, in hetwelk Hij mij van eeuwigheid heeft uitverkoren. Bij mij heeft Hij niets gevonden dan zonde, bij Hem vind ik enkel barmhartigheid in het geloof des Zoons van God. Dat is mijn troost in leven en in sterven. En in deze troost, in dit licht, is dit het woord, dat ik van God heb: „Het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.”
Zo is het. Want Kohlbrugge werpt ons altijd weer op het Woord terug . .. Het „sola fide" (door het geloof alleen) geeft toegang tot het „sola gratia" (door genade alleen) en de onwankelbare grond daarvan ligt in de vastigheid: Hij heeft het Zèlf gezegd!
Geleidelijk zullen, als wij ons niet vergissen, allerlei geschriften van Kohlbrugge het licht weer zien. Minder bekend is de briefwisseling, door hem gevoerd met familieleden en vrienden, die in het Kohlbrugge-archief als een kostbare erfenis bewaard zijn. Daar leren wij hem zo mogelijk nog meer als de troostende pastor kennen en slaan wij een blik in zijn bewogen en door de liefde van Christus gedrongen hart. Daarover naar wij hopen, een volgende keer.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 januari 1970
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 januari 1970
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's