BOEKBESPREKING
Dr. G. Puchinger: Hervormd-Gereformeerd, één of gescheiden? ; Uitgave W. D. Meinema N.V., Delft; 437 pagina's; ƒ 14, —.
Het interview gaat een steeds belangrijker rol spelen om in kort bestek een stuk informatie te geven of een opiniepeiling te verrichten over een bepaald onderwerp. Deze nieuwe bundel interviews van dr. G. Puchinger handelt over de verhouding tussen de Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken. Daarover komen aan het woord prof. dr. Th. L. Haitjema, H. Algra, prof. dr. W. C. van Unnik, prof. dr. R. Schippers, prof. dr. P. Smits, prof. dr. B. J. Oosterhoff, dr. C. Boertien, prof. dr. C. W. Mönnich, dr. J. J. Buskes, prof. dr. A. A. van Ruler en dr. O. Jager.
Behalve het eigenlijke thema komen heel wat andere zaken aan de orde. De interviews geven in feite voor een groot deel een doorsnede van de levensloop van de ondervraagden, toegespitst op de kerkelijke en theologische positie. Zo vormt dit boek een boeiend geheel, niet in het minst dank zij de grote deskundigheid van de samensteller, die de kunst verstaat om met scherp gerichte, kort geformuleerde vragen bij de geïnterviewden een heel verhaal los te maken.
Hoewel het niet mogelijk is op alle facetten die in dit boek aan de orde komen in te gaan, willen we toch wel enkele kritische kanttekeningen maken bij de bijdragen van de christelijk gereformeerde prof. dr. B. J. Oosterhoff en dr. C. Boertien, die tegelijk werden geïnterviewd. Hun bijdragen stellen om meer dan één reden teleur. Niet eens zozeer omdat ze zeggen dat ze zich meer aangetrokken voelen tot de huidige Gereformeerde Kerken dan tot de Gereformeerde Bond, omdat de Gereformeerde Kerken met de boodschap van het evangelie willen staan in de tijd van vandaag en de Gereformeerde Bond huns inziens te traditioneel is bepaald. Maar vooral omdat we vanuit deze hoek een duidelijker geluid hadden verwacht aangaande de huidige onrustbarende ontwikkelingen die in kerk en theologie te signaleren zijn. Typerend voor hun opstelling is de genuanceerde benadering en de uitgesproken waardering (zij het met reserve en critiek) voor prof. Kuitert en de critiek op de verontrusten. En dan mogen zij wel zeggen dat prof. Kuitert niet een toetssteen der waarheid worden mag, desniettemin moeten we zeggen dat hun waardering voor Kuitert niet op zichzelf staat, gezien hun opstelling ten aanzien van b.v. de Wereldraad van Kerken en met name ook Rome, zij het dat de één in dit opzicht wat genuanceerder is dan de ander.
Bepaald een misser vinden we de uitspraak van Oosterhoff dat de Gereformeerde Bond zichzelf als De Hervormde Kerk beschouwt en al de anderen als afwijkers die zich moeten bekeren of anders heengaan. We zouden eigenlijk prof. Oosterhoff willen uitdagen deze uitspraak waar te maken aan de hand van publicaties. We zouden van een Afgescheidene — deze benaming is als erenaam bedoeld — mogen verwachten beter geïnformeerd te zijn aangaande de worsteling om de kerk in haar totaliteit, met name om de wederkeer van de hele kerk tot haar Reformatorische oorsprong, zoals die sinds jaar en dag vanuit de Gereformeerde sector in de Hervormde Kerk is gevoerd. We mogen ook van een Afgescheidene verwachten dat hij weet wat de betekenis van het woord wederkeer, zoals dat in de acte van Afscheiding en Wederkeer voorkomt, namelijk de wederkeer tot de reformatorische oorsprong van de kerk en niet — zoals dr. C. Boertien stelt — de wederkeer tot de Hervormde Kerk. Eerlijk gezegd wordt in dit interview met deze beide christelijk gereformeerden pijnlijk de verwantschap gemist met de zaak die met het woord wederkeer is bedoeld geweest. De Gereformeerden in de Hervormde Kerk mogen dan neen gezegd hebben tegen de Afscheiding, die wederkeer is hen uit het hart gegrepen. Als je die wederkeer los laat houd je alleen de Afscheiding over. De Gereformeerden in de Hervormde Kerk hebben het dan ook niet van de Afscheiding verwacht, maar des te meer van de wederkeer.
Tenslotte wil ik van deze bundel nog zeggen dat het te betreuren is dat de geïnterviewden wel steeds met de Gereformeerde Bond en de Verontrusten werden geconfronteerd, terwijl vanuit deze Kring niemand tot de deelnemers aan de gesprekken behoorden, in het zakenregister achterin het boek komen we liefst 19 verwijzingen tegen naar de Gereformeerde bond en 23 verwijzingen naar de verontrusten. De hoogleraren van Ruler, Schippers en Van Unnik zeggen nogal fundamentele dingen over de Bond en de verontrusten. Maar het is allemaal „Over u, zonder u". Is de visie van prof. dr. P. Smits inzake het vraagstuk Hervormd-Gereformeerd meer adequaat dan de visie vanuit de Gereformeerde Bond? Diverse geïnterviewden wijzen op de grote waarde van de bevinding zoals die in Gereformeerde Bondskring wordt aangetroffen. Prof. Van Ruler spreekt zelfs over de Bond als een enorm reservoir van geestelijke krachten. Zulke opmerkingen van anderen zijn echter altijd onbevredigend. Er volgt altijd een maar op.
Jammer van dit overigens boeiende boek. Wie het ter hand neemt zal het in één adem uit willen lezen. Maar als je het uit hebt dan heb je een bepaalde stem toch duidelijk gemist.
Dr. Anthony Hoekema: Spreken in Tongen; Uitgave J. H. Kok N.V., 1969; 147 pagina's; ƒ8, 90.
Het spreken in tongen is door de opkomst van de pinksterbewegingen de laatste jaren nogal eens onderwerp van gesprek geweest. Het is daarom een goede zaak dat prof. Hoekema, hoogleraar aan het Calvin Theological Seminary te Grand Rapids, aan dit onderwerp een systematische studie heeft gewijd.
In dit boek laat hij de argumenten van de pinksterbewegingen, waarmee zij de noodzaak van de tongentaal als hét teken van de vervulling met de Heilige Geest ook voor onze tijd benadrukken, de revue passeren. Vooraf echter heeft hij aan de hand van de kerkgeschiedenis aangetoond, dat we daaruit schijnen te kunnen leren dat de Heilige Geest niet is doorgegaan met deze gave, die in het Nieuwe Testament op enkele plaatsen genoemd wordt, aan Gods volk te geven, terwijl Hij wel is voortgegaan Zijn kerk in alle waarheid te leiden.
Uitvoerig besteedt de schrijver daarna aandacht aan die plaatsen uit het N.T. waarin over de tongentaal en het vervuld worden met de Heilige Geest gesproken wordt. Nauwkeurig exegetiserend gaat hij in op schriftplaatsen als Hand. 4 : 31, Ef. 5 : 18, Ef. 1 : 3, 1 Cor. 12 : 13, Hand. 11:16, Marc. 16 : 18 e.a. Grondig gaat de schrijver in op het ontvangen van de Heilige Geest door de Samaritanen na de handopleggingen door Petrus en Johannes (Hand. 8 : 4— 24), op de Geestesdoop van Cornelius (Hand. 10:44—46) en op de geschiedenis uit Hand. 19:1—7, waarin Paulus aan twaalf discipelen te Efeze vraagt of ze de Heilige Geest ontvangen hebben nadat ze geloofd hebben (de schrijver pleit voor de vertaling toen ze geloofd hebben). In al deze gevallen ziet de schrijver een uitbreiding van het gebeuren van de Pinksterdag tot heidenen en Samaritanen, zonder dat daarmee de dwingende eis van een herhaling daarvan in later tijden gegeven is. Integendeel, bij Paulus signaleert de schrijver een duidelijk geringer waardering voor de gave van de tongentaal als bij de pinkstermensen (1 Cor. 12:14). Hij zegt: „Als iemand, naar de beste gave zoekt zal hij waarschijnlijk de glossolalie niet vinden”.
Van belang achten we ook de conclusies die de schrijver aan de gevallen, waarin van een Geestesdoop in het N.T. sprake is, verbindt. In tegenstelling tot wat bij de Pinkstergemeenten voorkomt wijst hij erop dat in de genoemde gevallen de Heilige Geest aan hele groepen tegelijk geschonken werd en niet aan afzonderlijke personen uit die groepen, en dat deze gave geschonken werd aan mensen die er niet om hadden gevraagd en er niet op hadden gewacht.
We zouden deze studie van prof. Hoekema met klem ter bestudering willen aanbevelen. Bij velen rijzen vragen en ontstaat ook wel verwarring wanneer ze pinkstermensen over de geestesdoop horen spreken, vaak met geringschatting van de kerk. Als we één bezwaar tegen dit boekje zouden willen maken dan is het dat de vraag hoe, bijbels gezien, de Heilige Geest in de N.T.-gemeente dan wèl werkzaam is niet aan de orde komt. Wel merkt de schrijver op dat we van de Pinkstermensen kunnen leren dat het in de kerken vaak te geesteloos, te formalistisch is. Maar we zouden het, juist tegenover de pinkstergemeenten, een pré gevonden hebben als de rijkdom van het leven uit de Heilige Geest meer accent gekregen had. Dat was kennelijk niet de bedoeling van dit boekje, maar het zou misschien aan zeggingskracht tegenover de pinkstergemeenten gewonnen hebben. Misschien ziet de schrijver kans dit boekje door een tweede te laten volgen. Want daar is behoefte aan. Maar in ieder geval, dit boekje bevelen we van harte aan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 januari 1970
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 januari 1970
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's