De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

13 minuten leestijd

Gereformeerde synode over interkerkelijke samenwerking

Op synodevergadering van 5—9 januari in Lunteren kwam uitvoerig ter sprake de kwestie van de samenwerking en gemeenschap van de gereformeerde kerken met kerken van reformatorische belijdenis. Directe aanleiding tot de behandeling van deze zaak zijn geweest een rapport van de deputaten over het vraagstuk van de gemeenschappelijke avondmaalsviering met andere kerken, alsmede een aantal ingekomen stukken over deze zaken.

Overigens wijst prof. dr. W. D. Jonker er in het Geref. weekblad (Kok, Kampen) van 16 januari op dat de werkelijke achtergrond gezocht moet worden in de ontwikkeling der gereformeerde kerken sinds de tweede wereldoorlog, een ontwikkeling waarbij de isolementsgedachte op de achtergrond kwam te staan.

Prof. Jonker stelt voorop dat de voorgestelde bepalingen overigens geen totaal nieuwe inzet betekenen. Apeldoorn (1961 '62) had reeds enigermate ruimte gegeven aan de huidige ontwikkeling. Op plaatselijk vlak is een en ander gebeurd. Terwijl de kerkorde zelf steeds in de richting gewezen heeft van samenwerking en contact met kerken en groepen van reformatorische belijdenis.

De vraag is alleen: Hoe kan gestalte gegeven worden aan de eenheid, zonder dat het ware karakter van deze eenheid, als eenheid in Christus aangetast zou worden.

Maar wanneer dan gesteld is, dat er overeenstemming moet zijn inzake de belijdenis en samenwerking niet ten koste van de waarheid mag gaan, hoe zit het dan met de verhouding tot de hervormde kerk, waar nog altijd het richtingen vraagstuk een rol speelt en de vrijzinnigheid geen halt is toegeroepen? Jonker schrijft in dit verband:

Er zijn op de synode enkele stemmen gerezen van degenen die van overtuiging zijn dat de synode te ver gaat door allerlei vormen van samenwerking en gemeenschap met andere kerken goed te keuren, zolang wij allen weten dat er b.v. in de Nederlandse Hervormde Kerk nog allerlei richtingen of modaliteiten zijn, waarvan sommigen beslist niet met ons één in belijdenis zijn. Het woord „vrijzinnigheid" is herhaaldelijk gevallen. Vooral het feit dat men in de Hervormde Kerk de vrijzinnigheid in de praktijk duldt, is nog steeds een aanstoot en struikelblok voor velen in de Geref. Kerken om zelfs op plaatsen waar er geen vrijzinnigheid bestaat, tot vormen van samenwerking over tegaan. De synode heeft zich hierin genuanceerder opgesteld. Natuurlijk niet, omdat de synode de vrijzinnigheid accepteert of bagatelliseert, maar omdat de synode het niet uitgesloten acht samenwerking te zoeken waar samenwerking mogelijk en verantwoord is. Dat brengt mee dat er samenwerking kan zijn met een plaatselijke gemeente van de Hervormde Kerk die met ons één is in de belijdenis, terwijl er op andere plaatsen, waar die eenheid niet gevonden kan worden, geen mogelijkheid tot samenwerking en gemeenschap zal zijn. In concreto heeft de synode daarmee gezegd dat er plaatselijke samenwerking en gemeenschap kan zijn, ook al zouden bezwaren in te brengen zijn tegen het kerkverband waartoe de betrokken plaatselijke kerken (gemeenten) behoren.

Natuurlijk staan we hier voor een moeilijke zaak. De kerken zullen namelijk in het gesprek met andere plaatselijke kerken ten aanzien van de kwestie van de vrijzinnigheid telkens weer op het probleem van de tucht stuiten. Vooral met betrekking tot de tucht rondom het gebruik van de sacramenten staat de zaak in de Geref. Kerken nog steeds anders dan in de Ned. Hervormde Kerk. Nu is er op de synode herhaaldelijk wel gezegd dat de Geref. Kerken hier niet zo hoog van de toren moeten blazen, omdat ze zelf ook niet meer in staat zijn de tucht naar wens te laten functioneren en het bovendien in het verleden meermalen niet bijzonder gelukkig klaargespeeld hebben met allerlei tuchtprocessen. Daarop werd echter terecht geantwoord dat dat natuurlijk niet de zaak is waarom het gaat. Wij treden de andere kerken niet tegemoet met de pretentie dat wij het zelf zo goed gedaan hebben of nog kunnen doen, maar dat wij geloven dat de Heilige Schrift van de kerk een bepaalde tuchtoefening vraagt. We blazen niet hoog van de toren en we ontkennen niet eigen zwakheden wanneer we tezamen met de andere kerk naar de weg der Schriften vragen. We erkennen zelfs de mogelijkheid dat wij in het gesprek met anderen tot de ontdekking kunnen komen dat het alles nog veel anders en beter gedaan kan worden dan wij gedacht hadden. De synode heeft hier echter zeer duidelijk één grens getrokken: de tucht mag niet nagelaten worden ter wille van de eenheid. De synode heeft zich zeer duidelijk uitgesproken tegen de gedachte van de zogenaamde „open communie". Als voorwaarde voor de samenwerking met een andere kerk is gesteld dat men elkaar ten aanzien van het uitoefenen van de tucht gevonden moet hebben. Misschien kan de indruk gewekt worden dat we daarmee sommige andere kerken overvragen. Wil de samenwerking en gemeenschap met de andere kerken echter op het goede niveau komen te staan, dan mag men het elkaar niet gemakkelijk maken ten opzichte van hetgeen de Heilige Schrift in dezen van ons vraagt.

Het blijkt dus, dat allerlei vragen, die in het verleden een rol speelden, nog steeds van kracht zijn. Hier zal de hervormde kerk duidelijk haar standpunt hebben te bepalen, en mogen de andere kerken er terdege op aandringen, dat de kerk, overeenkomstig haar eigen kerkorde, ook weet wat haar belijden weerspreekt.

Maar ook binnen de gereformeerde kerken is een ontwikkeling gaande, waarbij te vrezen is dat de belijdenis niet meer voluit functioneert. Hoe verblijdend het ook is, dat de synode der gereformeerde kerk juist het vraagstuk van de belijdenis en de tucht ter sprake brengt inzake de interkerkelijke samenwerking, de vrees is toch gewettigd, dat de ontwikkeling binnen deze kerken een oecumenisme in de hand zal werken, waarbij de waarheid min of meer opgeofferd wordt aan de eenheid.

Wanneer prof. Jonker schrijft: „Niemand zal kunnen zeggen dat de synode zich door een vals oecumenisme heeft laten leiden", is dat stellig juist. Maar een andere vraag is, of de tendenzen die er binnen de gereformeerde kerken leven in de richting van een vals oecumenisme, verzwakking van de binding aan de belijdenis en erkenning van de Schriftcritiek, genoegzaam onderkend worden en door deze synode ook voldoende bestreden worden. De beweging der verontrusten binnen de gereformeerde kerken spreekt op dit punt een duidelijke taal.

Opheldering gevraagd

Onder deze titel plaatst ds. A. A. Spijkerboer in het blad „In de Waagschaaal" van 17 januari een aantal critische kanttekeningen bij het nieuwe schrijven van de generale synode van de nederlandse hervormde kerk over de verhouding tot de rooms-katholieke kerk. Spijkerboer's vragen gaan over de waardering van de Nieuwe Katechismus (is de synode getroffen door het modern karakter of door het bijbels gehalte van de NK? ) over de verhouding tussen Avondmaal en eucharistie, waarbij hij de vraag stelt: Krijgt de lezer hier en daar niet de indruk, dat de synode de Hervormde kerk begint te verstaan als modaliteit van een komende oecumenische kerk?

Zijn bezwaren gaan tegen de vaagheid waarmee dit synodale schrijven zich uit over het al of niet deelnemen over en weer aan de viering van avondmaal of eucharistie. Spijkerboer heeft in zijn kleine kerkelijke wereldje nog niets anders meegemaakt dan verdoezeling van de verschillen of regelrecht humanisering van de eucharistie/avondmaal. Over de prediking schrijft hij:

De synode acht het niet ondenkbaar en eigenlijk ook wel gewenst dat de Hervormde en de Rooms-Katholieke kerk samen optreden in de prediking. Ze denkt dan niet alleen aan de Open Deur/Onderweg maar ook aan een samen opzetten van „vorming van gemeenteleden, in het bijzonder van jongeren", maar ook aan het aan elkaar delegeren van het „pastoraat van militairen, gemengd gehuwden en bejaarden, aan de arbeid in het ziekenhuis en in de industrie, aan jeugd-en vormingswerk" (p. 64). Weer wil ik vragen of de synode de Hervormde Kerk ziet als een modaliteit van de ene oecumenische kerk? Verder veronderstellen al deze dingen een gemeenschappelijke belijdenis en een gemeenschappelijke belijden, een gemeenschappelijk spreken over de dingen waar het op aankomt. Dat is er niet en zolang dat er niet is blijft de synode de indruk wekken die ze wil vermijden, namelijk „dat wij alleen maar van de nood een deugd willen maken, alsof saecularisatie, afval en functieverlies ons dwingen tot oecumenisch handelen" (p. 12).

Het beste zinnetje van het stuk staat min of meer verscholen op p. 11: „Bovendien stelt de hedendaagse geloofscrisis ons beide voor de meest wezenlijke vraag, nl. de Godsvraag". Dat is precies de kern! Maar dan begrijp ik weer niet dat de synode zegt: „In het licht daarvan heeft veel dat vroeger belangrijk scheen zijn actualiteit verloren. Voor velen is het dilemma niet langer katholiek of protestant, maar christen of niet-christen". Want het éne waar het in de zestiende eeuw om ging is ook nu nog van het hoogste belang en het dilemma is voor mij reformatorisch-christen of atheïst en tussenstations zou ik overslaan.

Ik kan het niet helpen dat ik bij het lezen van dit stuk telkens de indruk krijg dat theologische bezinning weliswaar nodig maar toch eigenlijk een hogere vorm van vrije tijdsbesteding is. Wanneer ik de theologische bezinning niet als vrije besteding opvat maar onmiddellijk op de kerkelijke praktijk betrek — en dat is toch de enige manier om met de theologie bezig te zijn; anders vind ik het een verderfelijke sport — kom ik zeer gereserveerd te staan tegenover hetgeen er in oecumenisch verband gebeurt.

Of anders gezegd: er wordt wel telkens reformatorisch gesproken door de synode, maar dat dan meer in de trant van „we moeten overigens wel bedenken dat...". Wat je dan moet bedenken blijkt een rem te zijn op een al te driest en een al te ondoordacht doordraven. Maar theologische bezinning is toch in de eerste plaats een motor en ik zie het motorische effect van de reformatorische theologische bezinning niet in dit schrijven. De synode (en met haar de kerk!) lijkt in een auto te zitten die ze niet meer helemaal in de hand heeft: ze trapt wel eens op de rem, stuurt wat bij, geeft ook wel eens gas, maar waar gaat de rit heen? Of weer anders gezegd: de synode bespreekt het gebeuren in de oecumene maar ze slaagt er niet in om het gebeuren profetisch te doorlichten. Nu moet je daarvoor ook wel een profeet zijn en dat is, zoals bekend, een gave, maar onbevredigend blijft het allemaal wel.

Op deze vragen van ds. Spijkerboer volgt een antwoord van dr. C. P. v. Andel, die zoals bekend is nauw betrokken is geweest bij het tot stand komen van dit geschrift. Dr. v. Andel wijst er op hoe de rooms-katholieke kerk in ons land zich in een stroomversnelling bevindt. Het tijdperk van de contra-reformatie is voorbij. Daar dienen we mee te rekenen.

De vernieuwing wordt positief beoordeeld, al blijven er vragen over, in het jongste synodale schrijven. Oude scheidslijnen zijn niet meer hanteerbaar.

Van Andel wijst voorts op allerlei positieve uitspraken in de Nieuwe Katechismus over het Avondmaal (Z.i. liggen deze uitspraken dichter bij Calvijn, dan bij Trente), die een andere benadering van elkaar in de praktijk van het kerkelijk leven nodig maken. Voorts gaat hij in op het adres van het nieuwe schrijven over de verhouding Rome-reformatie.

Tijdens de behandeling van het stuk werden er in de synode stemmen gehoord, die beweerden dat de synode bij aanvaarding van het concept de indruk zou maken met de tong uit de mond achter de snelle ontwikkeling aan te lopen, zonder resultaat overigens en zelfs zonder noodzaak. Ik geloof dat ds. Spijkerboer met zijn beeld van de synodale auto (bijsturen, afremmen, gas geven) min of meer hetzelfde bedoelt. De opstellers van het geschrift mikten echter niet in de eerste plaats op de koplopers in onze kerk. Er zijn in ons land niet alleen studentengemeenten en experimenterende nieuwbouwwijken. Er liggen ook hervormde gemeenten in Friesland en Zeeland en daar tussenin. Behalve de koplopers zijn er toch ook in groten getale de trouwe gemeenteleden, voor wie de woorden „oude sok" en hoogeerwaarde nog niet synoniem zijn en die graag ingelicht willen worden over de grote verschuivingen in het verhoudingsveld tussen Rome en de Reformatie hier te lande. Deze categorie telt velen die zorg hebben over de jongste kerkelijke ontwikkelingen. De opstellers hebben geprobeerd zo te schrijven, dat zij hun vragen wellicht herkennen, daardoor de betoogtrant beter zullen kunnen volgen en wellicht de conclusies zullen aanvaarden.

De auteurs waren zich eveneens bewust dat ook niet-hervormden het geschrift zullen lezen, met name rooms-katholieken. Daarom is getracht het rooms-katholieke standpunt zo objectief mogelijk weer te geven, gebruik makend van de zuiverste bronnen. Toen het herderlijk schrijven in 1950 verschenen was, reageerden vijf Nijmeegse hoogleraren, omdat zij zich in het synodale geschrift niet herkenden. Dat was destijds een grote teleurstelling, want de synode en haar adviseurs hadden ook toen geprobeerd het katholieke standpunt zo eerlijk mogelijk weer te geven. Wij hebben reden om aan te nemen dat een zodanige teleurstellende reactie de synode ditmaal bespaard zal blijven. Een rooms-katholiek theologisch hoogleraar die inzage ontving van het concept, schreef na lezing: „Het stuk maakt op mij een diepe indruk. Als ik tracht na te gaan wat daar de reden van is, dan is een eerste element de verrassing. Tot dusver waren wij katholieken zo gewend door een zestiende eeuws vergrootglas bekeken te worden, dat men er mismoedig van werd.

Voor het eerst herken ik mijzelf in de beschrijving die een officieel stuk van de Nederlandse Hervormde Kerk geeft van de katholiek in Nederland. Toch is dit nog niet de diepste reden: In dit schrijven komt een kerk op mij af, die men als christen serieus neemt en waardering uitspreekt voor mijn kerk: de oude argwaan en de vroegere onverschilligheid maakte plaats voor vertrouwen en medeleven. Juist deze sfeer zal de katholiek ertoe kunnen brengen op zijn beurt serieus te nemen de vragen die door de synode zo eerlijk, zo onbevangen en zo bezorgd hem worden gesteld”.

Als de synode er dan niet in geslaagd is het gebeuren in de oecumene profetisch te doorlichten, dan kan het haar misschien troosten, dat blijkens het citaat van de professor de verhouding tussen de kerken wellicht positief beïnvloed zal worden door de verschijning van de heroriëntering en het appèl. En als dat waar is, dan gaat dit stukje mensenwerk, profetisch of niet-profetisch, toch niet buiten de Heilige Geest om!

Wij menen dat de vragen van ds. Spijkerboer toch niet beantwoord zijn in het artikel van dr. v. Andel. Het voornaamste bezwaar tegen het jongste synodale schrijven is, dat de Schrift zo weinig uitgangspunt is. De verhouding zonde/genade, de belijdenis van de rechtvaardiging van de goddeloze komt nauwelijks ter sprake. En de ontwikkeling binnen de r.k. kerk wordt eenzijdig positief gewaardeerd. Een peiling en een bijbelse doorlichting van deze ontwikkeling missen wij. Het uitgangspunt wordt genomen in allerlei veranderingen die in beide kerken te signaleren zijn sinds de naoorlogse jaren, zonder dat dit alles getoetst wordt aan Schrift en belijdenis. Terwijl ook het feit dat de officiële dogma's in de roomse kerk nog voluit geldigheid hebben te weinig in rekening gebracht wordt.

Daarom is de titel van Spijkerboer's artikel op zijn plaats: Opheldering gevraagd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 januari 1970

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 januari 1970

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's