HET KLEINE GELOOF
Maar ziende de sterke wind, werd hij bevreesd, en als hij begon neder te zinken, riep hij, zeggende: Heere, behoud mij! En Jezus, terstond de hand uitstekende, greep hem aan, en zeide tot hem: Gij kleingelovige! waarom hebt gij gewankeld? Matth. 14 : 30, 31
De tekst stelt ons Jezus' discipelen voor, terwijl zij zich bevinden midden op het Meer van Gennesareth. Het is al donker geworden en de wind is opgestoken, en niet dan met de grootste moeite krijgen zij hun schip nog enigszins vooruit. Geen benijdenswaardige positie dus, waarin deze mannen verkeren. En dat, terwijl de voorbijgegane dag toch een feestdag was geweest: hadden zij niet met handenvol brood en vis mogen uitdelen aan de duizenden, die Jezus' woord hadden gehoord? Groter tegenstelling is nauwelijks denkbaar. En toch, zeg niet: toevallig. Brengt de Heere de Zijnen niet menigmaal van de overvloed van brood en vis in de nacht van beproeving? Zo ook de discipelen, die zich nu aftobben en overal is barre duisternis en wild gevaar: hoe zullen ze toch ooit weer aan de kant komen en in veiligheid?
En dan zien ze in de verte iets wits, iets lichts, iets vreemds ergens boven op het water. Het komt dichterbij en het blijkt de vormen te hebben van een mens. Maar mensen lopen niet over het water, zoals deze verschijning blijkbaar doet. Geen wonder, dat zij, gespannen als zij al zijn, onmiddellijk de conclusie trekken: dit is een geestverschijning, een spookgestalte; en zij beginnen te schreeuwen van schrik.
Maar zij behoeven niet bevreesd te zijn, want het is de Heere, die tot hen komt en Hij roept hun al toe, dat zij moed moeten houden: Ik ben het, vreest niet!
Toch wel beschamend. Nu zijn zij zó lang met Hem geweest en nu hebben zij zó vaak Zijn Woord gehoord en al zó vele tekenen gezien, en nog kennen zij Hem niet. Nu komt Hij immers tot hen op een andere wijze dan zij van Hem gewend zijn en zij raken overstuur en beginnen van ontzetting te schreeuwen. Calvijn merkt in dit verband op: hier wordt ons nu als in een spiegel voorgehouden, wat voor een soort kennis van Christus wij verkrijgen zonder het Woord. Want als Hij ons dan een eenvoudig bewijs geeft van Zijn Godheid, vallen wij onmiddellijk in onze inbeeldingen. Beseft Petrus daar misschien iets van? Nauwelijks immers heeft hij bemerkt dat het inderdaad de Héére is, die daar nadert, of hij roept: Heere, indien Gij het zijt, zo gebied mij tot U te komen op het water.
Maar waarom vraagt hij dat nu?
Omdat hij Jezus liefheeft. Het is, alsof in deze nacht het verleden weer tegenwoordig wordt, present. Nog maar kort geleden had de Heere gezegd tot de discipelen en ook tot Petrus: Geeft gij hun te eten. Hij had Zijn heerlijkheid geopenbaard en zijn discipelen hadden er iets van gezien. Er is wel veel voorafgegaan aan deze nacht. Is het dan vreemd, dat Petrus bij Jezus wil zijn?
En de Heere zegt: Kom. Hij ziet het geloof en Hij ziet de liefde van deze discipel. Hij ziet het geloof, dat haast heeft om tot Hem te komen. Dat hoog van Hem denkt en dat zich aan Hem wil toevertrouwen. En daar zit tegelijk de liefde in. Wat zegt het Hooglied daarvan? De liefde is sterk als de dood, haar vlammen zijn vuurvlammen, vlammen des Heeren; vele wateren zouden deze liefde niet kunnen uitblussen, ja, de rivieren zouden ze niet verdrinken. Al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde, men zou hem ten enenmale verachten. Welnu, waar zo grote liefde tot de Heere wordt gevonden, moet deze niet worden geremd; integendeel: daar zal de belofte worden vervuld: wanneer gij zult gaan door het water. Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen, want Ik ben de Heere, uw God, spreekt de Heere.
En zo komt Petrus tot Jezus. Op Zijn woord: Kom. Zo kan hij ook komen. Want pas uit Zijn Woord leren wij Hem kennen. En door het geloof wandelt Petrus op de golven van de zee.
Door het geloof, ja. Want nu legt deze man zijn veiligheid, zijn leven, zijn behoud in de handen van Christus. Wanneer hij uit het schip gaat, houdt hij niets over, geen houvast, geen veiligheid, geen leuning of touw. Niets dan Jezus' woord: Kom. En hij wordt niet beschaamd.
Zou de Heere veranderd zijn?
Nog doet Hij Zijn Woord uitgaan, en Hij zegt: Kom. Zoals Hij tot de discipelen zegt: Ik ben het, vreest niet; en zij worden stil. Hier vindt u de weg des geloofs getekend: de Heere doet Zijn Woord uitgaan en Petrus komt. Hoe zal het toch ooit anders gaan dan in deze weg, van het vallen in de handen van deze Heere; hoe zullen wij toch ooit behoud en leven vinden anders dan wanneer wij onszelf wegwerpen en neerwerpen op Hem, die in de tekst wordt verkondigd? Geen enkele grond is er voor de voeten om te staan. Alles hebben wij verzondigd. Van ons uit is er geen weg tot God. Nu blijft ons alleen over dat wij ons als een verlorene aan Hem verliezen en in Hem verliezen om in Hem alles te vinden, ons houdend aan Zijn Woord.
Totdat Petrus erg krijgt in de omstandigheden. Hij ziet de sterke wind, staat er letterlijk. Hij hoort dus de wind en hij ziet wat die uitwerkt: de hoge golven. En hij begint te vrezen.
Maar zodra hij aandachtig gaat letten op de wind en op de golven, voelt hij de grond onder zich wegzinken en hij zakt weg in 't water en in doodsnood schreeuwt hij het uit: Heere, behoud mij!
Daar ziet u de mens, die voorbijziet aan de Heere en aan Zijn Woord, en die acht geeft op alle andere dingen. Op mensen misschien of op de dreigingen van de Boze. Of op de boosheid van het eigen hart. Er is geen onzekerder mens te vinden dan de mens, die let op de wind en op de golven. Hij zinkt als Petrus weg; hij vindt geen grond meer waarop hij kan staan.
Daarom ligt in de korte afstand, die Petrus moet afleggen van het schip naar de Heere Jezus een oefening van zijn geloof. Daarom wordt in deze korte afstand a.h.w. heel de levenservaring van de Kerk des Heeren samengeperst: nu gaat het erom, dat zondige mensen hun bezwaarde en verslagen harten toevertrouwen aan de Heere en dat zij zullen zien op Hem, van Wie zij uit Zijn Woord weten, dat Hij hen niet zal beschamen. Vreest u ook? Weet dan, dat Christus Zelf geen grond onder de voeten heeft overgehouden toen Hij aan een kruis werd genageld, opdat een ieder, die in het zijne geen vaste grond meer kan vinden, bij Hem terecht zou kunnen: Heere, op Uw Woord heb ik gehoopt.
Dan verwijt de Heere Petrus, dat hij dat niet heeft gedaan. Hij trekt Petrus op uit het water en zegt: Gij kleingelovige, waarom hebt gij gewankeld?
Wat zegt Hij tot ons ?
Geef niet de schuld aan het water, aan de golven, aan de duisternis of aan de wind. Wie in deze Christus niet gelooft, is alrede veroordeeld. Elk ogenblik kan hij wegzinken in de wateren van de dood. En dan ... geen hand, geen sterke hand, die hem aangrijpt?
Laat Hij u leiden. Wendt u tot Hem en wordt behouden; Hij is nog Dezelfde. En: Die Hem need'rig valt te voet,
Zal van Hem Zijn wegen leren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 januari 1970
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 januari 1970
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's