Schepping of geschiedenis
II.
In het vijfde hoofdstuk: „De Hemelse schepping" zegt dr. Aalders, dat Gods schepping nog werkelijk is. God laat niet varen de werken Zijner handen. Er is en blijft een hemelse realiteit. Dit is ook in het O.T. gezien (Mozes en de zeventig oudsten).
Maar het Evangelie geeft de volle ontplooiing van de hoop. Christus is op deze wereld toegetreden. Daarom is deze wereld geen toegesloten en verzegeld graf meer. Daarom is de wederkomst — hoe belangrijk ook — niet het één en het al. Dat Jezus onze Hogepriester is gaat ver uit boven het feit, dat Hij straks komt als Rechter om de wereld te richten. Er is een nieuwe en levende weg. Nu al! Daarom is er in deze brief een ontkoppeling van de vroeg-christelijke wederkomstverwachting van de apostolische hoop.
De Geest heeft de gemeente losser gemaakt van de historische wederkomstverwachting. Haar leven is nu reeds in Christus verborgen in God. Dat is: zij leeft nu reeds buiten de aardse tijd en de geschiedenis. Daarmee wordt het de gemeente mogelijk gemaakt haar tocht in het apostolisch geloof in de volle ontplooiing der hoop voort te zetten. De weg „vooruit" wordt verlegd naar „omhoog”.
Weg met de benauwde denkvormen van het wereldse historische bewust-zijn! Daarvoor is metanoia — bekering van gedachten — nodig! Dat kost pijn en strijd. Het is een wedergeboorte, want de historie is zelfbedrog, wensdroom.
Dit gif wordt alleen uitgedreven door dit woord der vermaning, dat de Heilige Geest gebruikt.
***
In hoofdstuk VI (De Eeuwige Hogepriester) komt opnieuw de verhouding van mythe - wet Zoon aan de orde. Daarbij wordt de nadruk er op gelegd, dat de openbaring in de Zoon een historisch karakter draagt. Het Evangelie is geschiedenis. Vooral de bloedstorting, het gericht, de representatie, de 2de Adam, de verzoening, het weer deel krijgen aan de eerste schepping krijgen alle nadruk en worden met gloed beschreven.
***
In hoofdstuk VII staan wonderschone excursen over verticale denkvormen, over de samenhang tussen taal en bewustzijn, over taal en openbaring, over de mythische taal, de wetstaal, enz.
De thorah is passie! De taal is verschroeiend geladen. Er worden prachtige opmerkingen gemaakt over de hebreeuwse werkwoordsvormen en de houding tegenover de tijd. De geschiedenis is een achterwaartse beweging.
Al deze zaken zijn er op uit de gemeente vaste grond onder de voeten te geven. Zij wil vaste spijs opdienen. De taal, daarbij gebruikt, is geboren uit de priesterlijke ontsluiting van de binnenste werkelijkheid van God. Het is de taal van de vrijmoedigheid als liturgische taal.
***
In het achtste hoofdstuk (Uittocht en Terugkeer) wordt uiteengezet, dat de gemeente door de bloedstorting vrijgemaakt is en een uittocht en een terugkeer kent uit het diensthuis van de geschiedenis naar het beloofde land van de scheppingssabbat.
De wederkomst — hoe indrukwekkend ook — is van ondergeschikt belang. Het uitzicht hier en nu is reeds: bij de Heere in te wonen. Dat kost strijd, doodsangst omdat de zonde en de duivel de gemeente in de tijd en in de geschiedenis willen inkapselen.
Deze strijd is bijzonder zwaar, omdat een verhorizontaliseerde en verhistoriseerde kerk en theologie de gemeente in een bijzonder zware aanvechting brengen. Het horizontale vooruitgangsgeloof is niet alleen waan en laatste verschansing tegen de dood, maar is ten diepste Godsmoord. Vandaar de vijandschap tegen en het lijden van de gemeente.
Deze strijd en dit lijden is de buitenkant van het innerlijk tot rust komen van de kinderen Gods in de hemelse sabbatsrust. Deze levensbeweging van het geloof is een actieve stervensbeweging. Het geloof is de overgang.
***
In het negende hoofdstuk (De Oecumene van de Zoon des Mensen) gaat de schrijver in op de verhouding van de heilsvoleinding tot de aardse werkelijkheid.
De aardse werkelijkheid wordt negatief beoordeeld, de hemelse werkelijkheid uiterst positief.
Daarbij geeft dr. Aalders een opvallende exegese van het woord oecumene (Hebr. 1:6; 2:5). Dit inbrengen van de Zoon slaat volgens hem niet op de geboorte of op de wederkomst van Christus, maar op Zijn hemelvaart. Daarom heeft toekomstige oicoumenè niets te maken met de aards-historische mens en zijn geschiedenis.
In deze „toekomstige oicumenè" licht op de nieuwe mensheid, de ecclesia, de gemeente.
Nogmaals de vraag: Hoe verhoudt zich de hemelse tegenover de aardse werkelijkheid? Komt deze hier al openbaar? Ja, in het zoonschap, in de vrijmoedigheid, in de eerstelingen des Geestes, in de gemeente. Hebr. 13 is dan ook een uiteenzetting over de kerk. De kerk is de voorlopige gestalte van de toekomstige, hemelse oicoumenè. Zij is onderpand van de Heilige Geest, Huis Gods.
In het tiende hoofdstuk (Afval en Verlies van de hemelse schepping) komt de waarschuwing (Hebr. 6) tegen de afval aan de orde. De heilszekerheid is in het geding. Daaruit volgt dat sommigen bezig zijn het heil te verhistoriseren. De evangelische hoop (de gevulde hoop) verbastert tot een historische toekomstverwachting. Dit is een „vreemde leer", die bestreden wordt. Zij is een „smading van de Geest der genade”.
Wat is die vreemde leer concreet?
Het is de verhistorisering van het heil en het niet opmerken, dat het zondoffer niet „binnen de poort" maar „erbuiten" gegeten wordt. Het is het vergeten van de exodus-beweging! Het is een verleggen van het geloof naar het wereldse leven. Het is een verloochening van de genade. Het is een binnen-wereldlijke Sjaloom! Het is een verbastering van het heil tot een werelds enthousiasme! Onder de dekmantel van Christus viert men de gemeenschap met de gevallen scheppingskrachten.
Deze gedachten worden verder gedemonstreerd aan de figuur van Ezau. Het is de aards-zinnelijke levensinstelling van Ezau, die als waarschuwing fungeert tegen de terugval uit het hemelse in het aardse.
***
Het slothoofdstuk luidt: Wat dunkt u van de Christus ?
Na de komst van Christus is er of de aardse werkelijkheid al of niet religieus gekleurd of de toekomstige hemelse oikoumene. Wie èn Christus èn deze aardse werkelijkheid wil vasthouden, bedrijft de zonde van Ezau. Want de geschiedenis is een afgelopen zaak.
Voor een kerk en een theologie, die „als een hoer voor het venster zit en zich aan de wereld te koop aanbiedt" (S. Kierkengaard), omdat zij delen wil in de spijze van deze wereld, is deze brief ergernis en dwaasheid.
Dit boek eindigt met een bewogen appèl.
De volgende keer een poging tot bespreking,
(wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 januari 1970
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 januari 1970
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's