Schepping of geschiedenis
III.
Wie in het vorige nummer van „De Waarheidsvriend" de wandeling door het nieuwe boek van dr. W. Aalders intens heeft meegemaakt — misschien hebt u het intussen besteld — zal graag met ons zoeken naar de betekenis ervan.
De titel: „Schepping of Geschiedenis" is treffend. Want het is de bedoeling van Aalders ons voor een onontwijkbaar dilemma te plaatsen. 't Is niet èn schepping èn geschiedenis, maar schepping of geschiedenis.
De ondertitel: over de tegenstelling tussen de christelijke hoop èn het moderne vooruitgangsgeloof licht deze titel nader toe.
Het is duidelijk, dat dr. Aalders en velen met hem die dit vooruitgangsgeloof niet alleen niet delen, maar het als een levensgevaarlijke bedreiging van de christelijke hoop ervaren, daartegen scherp stelling nemen.
Het is dan ook een boeiende zaak om dr. Aalders op zijn geestelijke speurtocht door de brief aan de Hebreeën te volgen. Hij lijkt op een ontdekkingsreiziger.
Laten wij eerlijk zijn: de Hebreeënbrief is althans in haar grotere verbanden ons zeer onbekend. Wie begint eraan om deze gehele brief te „bepreken"? Vers voor vers nauwkeurig te exegetiseren en de ene pericoop na de andere in de gemeente en met de gemeente aan de orde te stellen?
En toch zou dit de moeite buitengewoon lonen.
De grote vraag is: wat is hèt thema van de Hebreeënbrief?
Tot nu toe dacht ik: Christus de Hogepriester. Dr. Aalders ontkent dit allerminst. Hij schrijft over „Jezus met eer en heerlijkheid gekroond" op een vaak aangrijpende wijze.
Maar hij zet het hogepriesterschap van Christus in voor mij nieuwe verbanden of beter in tot nu toe niet gekende verbanden.
Volgens dr. Aalders is de vraag voor de Hebreeën (wie daarmee ook bedoeld zijn): Hoe houden wij de tocht vol over deze aarde nu de spoedige wederkomst van Christus toch langer blijkt te duren dan de vroeg-christelijke gemeente dacht? Met andere woorden: hoe moeten wij de tijd en de geschiedenis waarderen?
Dr. Aalders weet, dat het woord tijd in verscheidene betekenissen gebruikt kan worden. Er kan sprake zijn van astronomische tijd, van de door God vastgestelde tijden (Gen. 1 : 14) en de tijd, die aanbreekt met de losscheuring van God. Hoewel op blz. 113 diepzinnige opmerkingen gemaakt worden over de ruimte en de tijd, was het mij een lief ding waard geweest, wanneer dr. Aalders een excurs had ingevoegd over de betekenissen van het woord tijd zowel in het O.T. als in het N.T. Hij spreekt in zijn boek voornamelijk over het woord tijd als eeuwigheid in verval. Zonder dat hij de opeenvolging van de dingen tot aan de zondeval ontkent, wordt m.i. niet voldoende aan de lezers duidelijk gemaakt, dat de tijd, hoezeer aan de ellende van de val onderworpen, het werkveld is van God.
De tegenstelling van tijd en eeuwigheid van God en het aardse maakt, dat de lezer zich afvraagt of hier de tijd niet te zwaar belast is met het oordeel en de doem.
In verband hiermee valt het op, dat dr. Aalders bij mijn weten nergens het woord heilsgeschiedenis gebruikt. Vanwege het misbruik is dat te begrijpen. Het heil maakt geen geschiedenis in de binnenwereldlijke vorm. De grote daden van God in de geschiedenis worden allerminst ontkend, maar dik onderstreept. Maar aangezien de auteur de geschiedenis alleen als achterwaartse beweging in positieve zin waardeert, stelt ge de vraag, waarin dan de voortgang van de daden Gods in de geschiedenis bestaat? Schrijft God dan niet Zijn heilrijke daden dwars door de geschiedenis van mensen en volken en is er niet sprake van een vervulde tijd en van de volheid des tijds in de positieve zin van het woord?
Dr. Aalders schrijft diep over de vleeswording des Woords als een historische daad, waardoor de geschiedenis wordt stilgezet en in haar achterwaartse beweging in gang wordt gezet.
Daarbij rijst de vraag of hier niet alleen het werk van de Vader [Alzo zijn volbracht de hemelen en de aarde en al hun heir (Gen. 2 : 1)], niet alleen het werk van de Zoon (Het is volbracht) maar ook het werk van de Heilige Geest, die de eeuwen door in de geslachten werkt, voldoende wordt in het licht gesteld.
Wanneer dr. Aalders de vraag stelt of de christelijke hoop gericht is op de „overkant" of ook op deze kant, geeft hij een ondubbelzinnig antwoord. Onze tijd en onze geschiedenis zijn voor hem van huis uit door God veroordeeld, omdat zij ontstonden door de val uit de sabbatsrust van God op de zevende dag. Deze grondgedachte moeten wij ons uit dit boek proberen eigen te maken, omdat deze naar allerlei zijden wordt uitgewerkt. De historische tijd en de geschiedenis zijn niet door God geschapen, maar zijn ontstaan door de revolutie der zonde.
Het is duidelijk, dat dr. Aalders vóór de val niet wil spreken van een tijd en een geschiedenis. Nu dat is ook uiterst moeilijk, omdat de staat der rechtheid zich niet laat beoordelen door ons gevallen mensen, wien het buiten het herstel in het beeld Gods niet gegeven is enigermate te verstaan hoe God toen met de mens omging. Toch, hoe moeilijk ook, is er ook toen sprake geweest van een opeenvolging van daden, beslissingen en gebeurtenissen.
Mogen wij niet zeggen, dat God, toen Hij in den beginne hemel en aarde schiep de ruimte en de tijd heeft geschapen? Dit zijn moeilijke voorvragen, die toch belangrijk kunnen zijn, omdat dr. Aalders zo sterk de nadruk legt op de geschiedenis als zonde, als oordeel.
Inderdaad wordt in de Hebr. brief gesproken over mensen, die gedurende de gehele tijd van hun leven in vrees en angst leven. Maar is daarmee de tijd gediskwalificeerd of de zonde en de zondaar in de tijd? Wij worden, wanneer wij tot het ware geloof gebracht worden, toch niet in de eerste plaats van de tijd verlost, hoezeer de god dezer eeuw zich daarin groot en breed maakt, maar van de zonde, de vloek en het oordeel? Inderdaad staat de tijd stil, wanneer wij gemeenschap met God mogen ontvangen wij ingaan in de rust van het volbrachte werk van Christus. Maar in dit eeuwige heden gaat God als de Heere van de tijd toch mee? (Deut. 3 : 3)
Op de grens van elke eeuw staat Jezus Christus, gisteren en heden Dezelfde en tot in eeuwigheid. Maar dat verhindert toch niet Hem ook in Zijn toekomst te zien op de grens van alle eeuwen, in de voleinding der eeuwen? Mijns inziens behoeven wij daardoor geen optimistische kijk te hebben op de beweging van de historische tijd, voortgestuwd door de god dezer eeuw, de satan. Daarvoor mogen wij dr. Aalders uitermate dankbaar zijn, dat hij het historisch evolutionisme te lijf gaat en als een vleeswording van de satan aan de kaak stelt.
De geschiedenis zonder God leidt tot niets. Dat beamen wij van harte. Deze opmerking is bevrijdend voor allen, die in deze tijd geïnfecteerd dreigen te worden door de gedachten van de Aufklärung: het wordt almaar beter!
In verband hiermee komt ook de aard van de bijbelse geschiedenisbeschrijving aan de orde.
In uitvoerige excursen gaat de schrijver in op de mythe, op haar inhoud, haar functie enz.
Mythe is voor de schrijver openbaring. De taal der Schrift, ook in de gebruikmaking van de mythe is openbaring, gezaghebbend en met de Heilige Geest doorgloeid.
Hoewel het woord mythe door de auteur op een zeer eigen wijze wordt gebruikt, vraag ik mij af, of dit woord zonder misverstanden te wekken op bijbels terrein gebruikt kan worden. Is dit woord niet (terecht) te erfelijk belast dan dat het hierin de trits mythe, Wet en openbaring in Christus gebruikt kan worden?
Wij zijn op zijn tijd allen stamelaars en stotteraars. Het is ons als gevallen mensen niet gegeven het oerbegin, waarover dr. Aalders schrijft in te passen in de denkcategorieën, zoals wij die ons eigen hebben gemaakt. Maar zouden wij dit ook niet moeten zijn, wanneer het gaat over de mythe als openbaringsmiddel?
Bij al deze vragen, die er zijn en blijven, ervaart de lezer het als een bevrijding, wanneer hij dr. Aalders bezig ziet om de eigen aard van de gemeente, wier leven in Christus verborgen is in God, na te speuren. In een groots, hier en daar in een profetisch apokalyptisch geladen getuigenis laat dr. Aalders zien, dat Christus' komen tot deze wereld (geboorte, kruis, hemelvaart) een historisch gebeuren is bij uitstek. Christus is door Zijn hemelvaart weer boven de tijd en boven de geschiedenis en neemt naar de troon het hart van Zijn Kerk mee. Daarmee is gezegd, dat het eigenlijke leven van de gemeente ook buiten de tijd en de geschiedenis gebracht is en dat zij door de hoop (verticaal gericht) haar leven op aarde in geloof leeft (Hebr. 11). Deze geloofsinstelling, deze blikrichting (wij zien Jezus met eer en heerlijkheid gekroond) is de dood van het humanisme, de horizontalisering van het heil, enz. enz.
Terugkeer tot God (bekering) brengt ook mee de exodus (de uittocht) uit deze wereld. Deze beweging is èn sterven en opstaan. Deze hoofdstukken leest ge geboeid van het begin tot het eind. Hier is het reformatorisch geloof in ongekende gloed, passie en meeslependheid aan het woord.
Reeds daarom is dit boek een schat voor allen, die overstroomd en overstort worden door de publiciteitsmedia, door de theologie van deze tijd, door het denkklimaat van deze tijd, door de verkeerd gerichte prediking van deze tijd.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 februari 1970
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 februari 1970
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's