De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Dr. H. F. Kohlbrugge 1803-1875

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Dr. H. F. Kohlbrugge 1803-1875

9 minuten leestijd

V

Zo schrijft hij aan zijn moeder: „Met één woord: Wij moeten geheel van nature veranderd, verlicht, wedergeboren worden, zullen wij het Koninkrijk Gods ingaan, en ons beproeven of er in waarheid zulk een verandering heeft plaats gehad, zullen wij op een goede en vaste grond staan, en eenmaal niet bedrogen uitkomen in de ontzaglijke eeuwigheid, waar alles onherroepelijk beslist zal zijn.

Moeder, moeder! gij hebt mij onder het hart gedragen, och of ik u in waarheid voor Christus gewinnen mocht, en gij geloofsogen ontvingt, om te zien, dat Hij het is, die al onze zonden gedragen heeft aan het hout, dat Hij Zich aan ons geheel wil overgeven, en zo der weduwen getrouwe Man zijn, dat Hij ons wil verrijken met alles wat Hij heeft, genade, zegen, eeuwig leven, vrede, blijdschap, eeuwige zaligheid, erfenis des hemels, en dat Hij van ons heeft genomen al onze zonden, dood, vreze, droefenis en angst, toorn en ongerechtigheid. Ziet, in de Heere hebben wij alles, wat zouden uw wederwaardigheden u hierin hinderlijk zijn? Vrees dan niet, wees niet bekommerd, niet verslagen, niet klagende over hetgeen ons overkomt; laat ons over onze zonden klagen en de Heere bidden, dat Hij ze van ons neme en door Zijn Heilige Geest ons de vergewissing in het hart legge, dat wij kinderen Gods zijn, dan ga het, hoe het wil, wij kunnen gerust zijn, want wij zijn des Heeren, en wij kunnen springen van vreugde met het kruis op de rug; dat heeft de Heere ons opgelegd, en wat Hij oplegt, is goed; het maakt ons lijdzaam en gelijkvormig aan het lijden Christi, opdat wij eens delen in Zijn heerlijkheid, nadat vlees en bloed, de oude mens geheel gedood en tenietgedaan zal zijn. Hij zal alle tranen van de ogen afwissen. Weg dan met vertrouwen op weduwenfondsen! Laat ze verstuiven en uit elkander geslagen worden door de Heere, die zo eens alle saamgespande kracht der mensen tegen Hem vervloeken zal. God leeft. God zorgt. Zie op Hem alleen! Houd u aan Hem alleen! Vertrouw alles aan Hem toe. Hij zal het maken. Eén ding: Red uw ziel, terwijl het nog tijd is, en wees goedsmoeds! Uw liefhebbende zoon.”

Ziedaar de zielszorg van een zoon aan zijn moeder, een delicate zaak. Wel weten wij uit deze brief slechts bij benadering, waarover zij hem geschreven had, maar zij schijnt hem haar aardse zorgen te hebben vermeld. A.o.w. en a.w.w. waren er nog bij lange na niet. Toch make men uit deze brief niet op, dat Kohlbrugge, die zelf straatarm geweest was, „dus" geen oog zou hebben gehad voor sociale noden. Maar hij troost zijn moeder juist in het gelóóf, omdat er nog een Vader in de hemel is, die Zijn kinderen niet vergeet. En aangrijpend, hoe deze zoon zijn moeder vermaant, bóven en vóór alles aan haar staat voor God en de eeuwigheid te denken.

En als hij haar begin januari 1831 antwoordt en haar gelukwenst met het nieuwe jaar, luidt het: „Wij danken u hartelijk voor uw wens, dat wij met ons gehele huis de Heere mochten dienen". Maar dan treft weer het altoos radicale bij Kohlbrugge, als hij voortgaat: „Dàn gaat het toch alleen goed, wanneer men eens voor al de goede keus heeft gedaan, om niet met een half, maar met een heel hart, niet uit een grillig voornemen, maar met vastberaden oprechtheid en ernst, niet voor een enkele maal, maar voor altoos zijn oude meester, dat is de duivel, vaarwel te zeggen. En hem zó de dienst op te zeggen, dat men hem zonder bedenken de deur van het hart uitwerpt, zelfs dan, als hij ons dubbel loon en alle gemak en welvaart aanbiedt. Gelukkig is hij, die de arme, verachte en in Zijn volk nog dagelijks versmade en miskende Jezus heeft verkoren. Want velen menen Hem te dienen, en ondertussen zijn zij nog nooit van meester of heer veranderd. Waar een ziel is, die gevoelt en belijdt, dat zij niets is en niets heeft en niets wil en niets kan, waar dus waarachtige geestelijke armoede is, waar men met een verslagen hart verbroken en verbrijzeld is, waar men voor het Woord des Heeren beeft, waar men uitroept: Wat is mij, dat ik nog niet ben omgekomen en verdelgd in mijn ongerechtigheid? Het is de Geest des Heeren alleen, die in het hart grijpt, door het te vermorzelen door de geweldige hamer der Wet, om het wederom te vernieuwen naar het beeld van de Onzienlijke. Waarlijk, wie het waarlijk ernst wordt, tot de Heere te komen als een arm zondaar, als een bedelaar, hongerend naar gerechtigheid, dáár komt vreugde, rijkdom en kracht, zegen en genade, eeuwige verlossing en zaligheid.”

Men moet aan de lange zinnen van Kohlbrugge eerst wat gewend raken, maar als men dit beoefent, wordt men ook rijk beloond.

Ook zijn brieven aan zijn broer Jacob, die een zware weg had vanwege zijn gezondheid — en Jacob heeft veel brieven van zijn broeder gehad —, getuigen van diep en grondig medeleven. Hem schrijft hij: „Voor het geloof is alles goed. Al schijnt het verkeerd te gaan, het zal goed voor ons uitkomen en wij zullen ten laatste voor al het donkere, ons onbegrijpelijke, Hem nog danken en verheerlijken, zo wij Hem in waarheid gekend hebben en met David, wiens leven een aaneenschakeling van rampen was, mogen zeggen: „Uw verdrukkingen hebben mij groot gemaakt. Ik dank U, Heere, mijn God, dat Gij mij met enkel getrouwigheid geleid hebt." En verder in één van zijn brieven zegt hij: „Ben ik met lijf en ziel het eigendom van onze Heere Jezus Christus of niet? Ben ik het niet, dan moet ik niet ophouden met bidden, zuchten, kermen, aankloppen aan de poort der genade, tot ik verzekerd ben. Ben ik het, dan weet ik, dat Elia's God nog leeft. Het komt er maar op aan, of wij Psalm. 32 en 1 Joh. 1 : 6—10 bij bevinding hebben leren verstaan”.

En in een later schrijven, zinspelende op de naam Jacob van zijn broer: „O geloof het toch, de Heere is genadig en barmharig, en al kastijdt Hij ons om onze zonden, al doet Hij wrake over onze verkeerdheden, gelijk Hij Jacob bezocht, omdat hij zijn vader had bedrogen, Hij verstoot toch de ziel niet, die tot Hem zucht, maar de met Hem, de getrouwe Waarmaker van Zijn beloften, worstelende Jacob zegent Hij”.

Dit pastoraal medeleven blijkt b.v. ook uit een brief, door Kohlbrugge op 16 april 1833 aan de wed. Schroter te Zeist gericht. Daar zij voor een verhuizing stond, waarvan ze blijkbaar mededeling gedaan had, antwoordt Kohlbrugge: „God sterke u en uw veelgeachte dochter in de moeilijke dagen der verhuizing, en geve u een levendig gevoel van het onderscheid, dat er is tussen te moeten en te mogen verhuizen. Hij doe u de rust gevoelen, die de bewustheid geeft, dat wij een huis hebben, waar wij kunnen intrekken, en dat de Ark, die ons medeneemt, vrachtvrij is. Nu en altoos vrachtvrij! O, welk een kalmte geeft het, te mogen geloven, dat als dit ons aardse huis verbroken wordt, wij een gebouw hebben, niet met handen gemaakt maar eeuwig in de hemelen. Zijn wij vanuit de woningen der duisternis verhuisd en overgebracht naar de woningen des lichts, dan verhuizen wij ook eens van een zondige aarde naar de reine hemel. De Arke is Christus. Hij nam de moordenaar van het kruis voor niet mede naar Zijn paradijs. Hij make ons schuldbelijders en berge ons in Hem tegen de zondvloed, waarin de wereld bedolven ligt! Amen”.

Toch mene men bij hem geen overgeestelijkheid te moeten constateren. Aan een broer, Thomas Diederich genaamd, die de grote zee bevoer, schrijft hij 28 jan. 1838: „Nadat ik uw brieven gelezen heb, ben ik van harte bedroefd over uw toestand — alle toppen van de vingers bevroren is geen kleinigheid en dan nog rheumatiek en buikloop er bij, dus uw gehele gezondheid in de war, — zo ik alleen was, ik kwam over ijs en sneeuw naar u toe, om u als mijn broeder, mijn vlees en bloed, te troosten, op te passen en te helpen, zelfs uw werk voor u te doen, voor u in de mast te klimmen en de touwtjes los te maken, al bevroor mij het hele lichaam er bij, alsof ik een Groenlander was. Toen gij nog niet geboren waart, begreep ik, dat alleen zwaar studeren mij tot de man zou kunnen maken, om de mijnen te helpen voor zoveel het nodig was. Ik studeerde in de felste koude zonder vuur, paste drie jaren achtereen in de fabriek op, zonder één middag warm eten te proeven". Dan vertelt hij voorts, dat hij dag en nacht voor een gloeiende ketel gestaan heeft, slechts drie tot vier uren slaap kreeg, en om de veertien dagen een paar nachten zonder slaap aan de zeepketel gestaan heeft en feitelijk in geen drie maanden behoorlijk geslapen heeft. Altijd maar afwisselend les geven, de klanten bedienen, tot laat in de nacht studeren, soms in de felste koude, om Theologiae Doctor te kunnen worden. Trouwens, zo kent hij er nog meer, die de ellendigste omstandigheden getrotseerd hebben, om hun doel te bereiken. Ja, met eerbied gedenkt hij daarbij zijn overleden vader, die een voorbeeld gaf.

En dan kapittelt hij een broer, die van boord af wil. Hij schrijft hem: „Een lafhartige broeder wil ik niet hebben. Er blijft mij niets over, dan de almachtige God om uw genezing te bidden", en dan hoopt hij, dat zijn broer met een verbroken hart God mag aanroepen in de naam van Jezus Christus, om in Hem geborgen te zijn. Ja, met kracht sommeert hij hem bijna, zijn post niet te verlaten, hetgeen een fiere jonge man onwaardig zou zijn. Nicolaas moest immers uit het hospitaal weer op zijn wachtpost; en de baron van V moest met twee bevroren voeten en een bevroren neus zijn troepen blijven commanderen. En hij besluit: „Volhard dus, houd moed, bedroef uw broeder niet verder, wend u tot de eeuwige Ontfermer”.

Welk een karakter spreekt er uit zulk een brief. Welk een voorrecht voor deze Thomas Diederich, zulk een broeder te mogen bezitten!

(slot volgt)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 februari 1970

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Dr. H. F. Kohlbrugge 1803-1875

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 februari 1970

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's