HET GROTE GELOOF
Doch Hij antwoordde en zeide: Het is niet betamelijk het brood der kinderen te nemen en de hondekens voor te werpen. En zij zeide: Ja, Heere, doch de hondekens eten ook van de brokskens, die daar vallen van de tafel hunner heren. (Matth. 15 : 26, 27)
Letten wij de vorige keer op het kleine geloof, ditmaal willen wij aandacht schenken aan het gróte. Waarbij ons zal opvallen, dat wij dat grote geloof aantreffen niet daar, waar het verwacht zou mogen worden, in Jeruzalem en in de tempel, maar in het heidenland. De roem van Jezus' grote daden is Hem namelijk vooruitgegaan, en wanneer Hij Zich bevindt in het gebied van Tyrus en Sidon komt een vrouw naar Hem toe die Hem begint aan te roepen en na te roepen: Heere, Gij Zone Davids, ontferm U mijner! Mijn dochter is deerlijk van de duivel bezeten.
Deze vrouw heeft dus van Hem gehoord, en wat zij van Hem gehoord heeft, heeft in haar vrijmoedigheid gewekt om zich tot Hem te wenden. Daarin is zij een beschamend voorbeeld. Zij heeft immers niet de beschikking gehad over een complete Bijbel. Zij heeft het moeten doen met wat haar in het oor gefluisterd is over de profeet in Israël, die barmhartigheid bewees aan ellendigen. Zij zal Zijn Naam hebben vernomen en het zal haar duidelijk geworden zijn: Hij is het, die als de Verlosser aan Israël is beloofd. Aan Israël. Niet aan de heidenen. En toch is zij tot geloof gekomen: de Heilige Geest heeft onnaspeurlijk het woord van de Christus in haar hart ingedragen en zo zien wij haar komen tot Hem.
Nu is er voor deze vrouw ook wel een aanleiding om tot Jezus te komen. Thuis heeft zij immers een dochter die in de greep van de Satan ligt. Machteloos gebonden, volkomen in het geweld van een duivelse geest. En dàn het gerucht aangaande Jezus; méér: dàn het Evangelie, de goede boodschap van de Ontfermer, die in haar leven ingedragen wordt — en zij vindt grond om te hopen en zij gaat Jezus zoeken. En zo ontmoeten wij haar, terwijl zij de Heere Jezus en de discipelen naloopt en luid roept: Heere, Gij Zone Davids, ontferm U mijner.
Maar Jezus geeft haar geen gehoor.
Waarom niet?
Misschien wel, omdat Hij haar geloof wil beproeven. De Heere laat wel eens uit een mens komen wat er in zit. Hij trekt Zich wel eens terug opdat wij Hem temeer zouden nagaan. Opdat zou blijken, wat in ons leeft. Is ons gebed, ons geloof een opwelling van een ogenblik, een beweging van het gevoel, die geen wortels heeft in het hart? Wat hebben wij dan te letten op de vrouw uit de tekst. Zij houdt vol. De mond van het geloof kan immers niet gesloten worden, ook al zwijgt de Heere nog. Want wat is geloof? Het is een vaste en zekere kennis van Gods welwillendheid en een hartelijk vertrouwen op de naam van Jezus.
De vasthoudendheid van deze vrouw wordt zó groot, dat zij de discipelen begint te irriteren. Vandaar, dat dezen vragen: Zend haar toch weg. De Heere antwoordt, dat Hij alleen gezonden is tot de verloren schapen van 't huis Israëls. Voor deze vrouw is er dus geen verhoring. En toch houdt zij aan. Zij worstelt immers met de rug tegen de muur. Zij kan niet meer terug, terug naar haar huis en naar haar zieke dochter. Maar dan mag er ook verwachting zijn, wanneer u om de Heere worstelt en met de Heere worstelt met de rug tegen de muur. Wanneer u niet meer „terug" kunt, omdat dat zou betekenen een verloren zijn, zonder God en zonder hoop. De Kananese vrouw redeneert dan ook niet, ze begint geen gesprek, geen twistgesprek: ze bundelt haar nood in het allerkortste gebed: Heere, help mij! Wat een geloof! En nòg meer laat Christus openbloeien wat in haar leeft. Hij zegt immers: Het is niet betamelijk het brood der kinderen te nemen en de hondekens voor te werpen.
Schijnbaar is dit een afwijzing. Maar het geloof hoort er een „ja" in. Het is niet betamelijk. Dat is iets anders dan: het is niet mogelijk. Het zegt eigenlijk: men doet zo niet. En dan het verzachtende woord „hondekens”.....
En dan blijkt tenvolle haar geloof. Hier valt immers alle ongeloof, alle vroomheid met de mond. Hier zegt het ongeloof: dat laat ik mij niet zeggen; zouden de joden zoveel beter zijn dan wij? Het ongeloof wil immers niet vallen voor het woord Gods, dat een ieder berooft van zijn deugden, maar het waarachtige geloof grijpt temeer de Heere aan. Zo ook deze vrouw: zij belijdt, dat zij niet het brood van de kinderen wil roven, maar getuigt dan, dat ook de hondekens hun deel krijgen: de kruimels. Dan zegt Luther: zij vangt de Heere nu in zijn eigen woord. Ja, en daarin maakt zij Hem nu groot. Waarin maken wij Christus groot? Daarin, dat wij als onwaardigen, als verlorenen, in Zijn handen vallen en erkennen: Al wat U van mij zegt, is waar en nochtans beroep ik mij op Uw Woord; dat mij Uw barmhartigheid verkondigt.
Weten wij er van? Zo ja, dan blijft het bij ons niet bij een dor belijden: wij zijn in Adam gevallen en wij liggen van nature midden in de dood. Dan komt er beweging; beweging naar de Heere toe. Dan moeten we Hem immers vinden; Hem deelachtig zijn.
De dochter van de vrouw uit de tekst wordt genezen; Jezus prijst zelfs haar geloof. Laten wij weten, dat Hij nog Dezelfde is, die zegt: Wat wilt gij, dat Ik u doen zal? U geschiede, gelijk gij wilt. Blijft er dan geen vrees, geen strijd? Wat kan het hart naar Hem uitgaan, Hem wensen te kennen zoals Hij is. Wat kunnen wolken overtrekken: is er toch geen bedrog in het spel? Heb ik mij niet vergist? Stel dan Zijn woord tot uw kompas. Al mag Hij zich schijnbaar voor u verbergen, ge hebt in uw strijd Zijn Woord méé.
En zo zal Zijn werk Hem prijzen, van nu aan tot in eeuwigheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 februari 1970
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 februari 1970
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's