De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HEERLIJKHEID EN BEKER

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HEERLIJKHEID EN BEKER

8 minuten leestijd

„Maar Jezus zeide tot hen: Gij weet niet, wat gij begeert." Markus 10:38a

Christus is met Zijn discipelen op weg naar Jeruzalem, om daar het Paasfeest te vieren. Hij liep wat voor hen uit, en zij volgden. Toen, ineens riep Hij hen naar Zich toe en sprak openhartig over Zijn lijden, sterven en opstanding. Zo maar, ineens. Niet voor de eerste keer, welgeteld de derde maal. Maar het klinkt de discipelen nog even vreemd in de oren, als die eerste keer. Hij haalt alles overhoop: lijden, sterven, opstanding. Hij werpt alles omver: wat zij zich voorstelden, en wat zij verwachtten. Omdat het een helemaal niet met het ander strookt, kunnen de discipelen het niet verwerken. Dat weet hun Meester wel. Hij wil hen alleen maar voorbereiden! En, uitgerekend na deze derde lijdensaankondiging, komen de zonen van Zebedeüs met hun verzoek voor de dag. Johannes en Jacobus behoren tot de bekendste en meest vertrouwde leerlingen van de Heere Jezus. Zij mogen, met Simon Petrus, nog mee, als de anderen moeten achter blijven. Laten zij zich daar wat op voorstaan en stellen ze daarom deze vraag. Of is het veeleer een afweer en een afkeer, van wat Jezus hen zoëven zei? Ze spreken nogal omzichtig en omslachtig: Meester, wij wilden wel, dat Gij ons deed, zo wat wij begeren zullen. Dat is nogal vaag.

Jezus geeft hun verlof: Wat wilt gij, dat Ik u doen zal? Zij zeiden tot Hem: Geef ons, dat wij mogen zitten, de een aan Uw rechter- en de ander aan Uw linkerhand in Uw Koninkrijk. Zie zo, na enig aarzelen is het hoge woord er uit. Hoe komen zij er bij, om dit te vragen. Ze hebben uit de woorden van hun Meester begrepen, dat er een beslissende tijd aanbreekt; dat het Koninkrijk waarvan ze droomden en waarvoor ze alles over hadden — dat moet ook gezegd — nu zeer nabij was. Grijpt als het rijpt! Het is een lang gekoesterde hartewens van deze twee broers: naast Hem, vlak naast Hem te zitten in Zijn Koninkrijk. Eregasten te zijn, als de maaltijd wordt aangericht. Ereplaatsen in te nemen, wanneer de Koning op zijn troon zal zitten. Ter rechter- en ter linkerzijde van Hem, Dien zij zo hoog vereren. Wat zullen wij van dit verzoek zeggen? Wij zijn geneigd het hun hoogst kwalijk te nemen, zoals de anderen dat straks zullen doen. Ons verwijt ligt voor de hand: wat een eerzucht. Maar ... de Heere Jezus doet dat niet. Hij hoort in hun verzoek blijkbaar een wettig verlangen. Hij gaat er welwillend op in, althans voorlopig. Zeker, de eerzucht speelt hen parten en zij verdienen een berisping. Wij dienen ons echter eerst rekenschap, te geven van deze wonderlijke vraag. Dan treffen ons twee dingen.

Ze hebben nog geloof in Zijn triomf, zij hopen op Zijn heerlijkheid. Het was alles anders gegaan dan zij dachten, en nu brengt Hij hen bijna in de war: smaad en dood van de Zoon des mensen. Bijna, maar toch . .. Hij, de Zoon des mensen gaat naar Jeruzalem. Daaraan klemmen zij zich vast. Jeruzalem de stad, waar Zijn heerlijkheid gezien zal worden. Op dat eind houden zij hun ogen gevestigd, al zijn ze blind voor de weg die daartoe leidt. Johannes en Jacobus leven, uit de verwachting van het Koninkrijk Gods. Hun geestdrift is niet gedoofd. Het Koninkrijk Gods, dat is de heerlijkheid van Christus. Dat zal er toch van komen, denken zij. Ondanks die woorden van straks.

Nu leggen wij onze verwachtingen daar eens even naast. Hebben die iets te maken met het Koninkrijk der hemelen, met Zijn heerlijkheid? Wij nemen genoegen met de dingen van deze wereld. Onze toekomst ligt niet vast in Zijn toekomst, o nee. Wat welvaart, wat vreugde, wat. . . zorg, dat je er bij bent, dat je je deel krijgt, je graantje meepikt. Waarbij en waarvan? Van dìt leven! Wat voor verband is er tussen onze toekomst en Zijn toekomst? Geen enkel verband. En Christus' heerlijkheid dan? Daar hebben wij niets mee te maken! Wanneer wij ons dit in ernst afvragen, zullen wij niet zo spoedig de staf breken over de vraag van deze discipelen. En gij, vraagt Christus ons, wat begeert gij? Soms ook te delen in Mijn heerlijkheid? Want dat is het tweede. Ze zijn graag dicht bij Hem. Het gaat hun niet om heerlijkheid zonder meer. Het gaat hun om de nabijheid. Aan Uw linker- en rechterhand. Is dat onze hartewens. Dicht bij de Heere Jezus te zijn, in ons leven, in ons sterven, in het eeuwige leven. Mèt Christus. Zonder Hem is het leven de naam van leven niet waard, en wat zou het eeuwige leven zonder Hem zijn? Zij hebben Hem lief, dat is duidelijk. Hun zaligheid, is de heerlijkheid in Zijn nabijheid. Zou dat van ons gezegd kunnen worden? Toe, draai er nu eens niet om heen.

Maar Jezus zeide tot hen: Gij weet niet, wat gij begeert. Dat is een eerlijk antwoord, kort en raak. Want ze weten het echt niet. Zij spreken over Zijn heerlijkheid, alsof die zo maar voor het grijpen ligt. Over het Koninkrijk, alsof zij daar vanzelfsprekend een plaats, een ereplaats nogwel, zullen krijgen. Ze spreken al te vlot, en tegelijk hardnekkig over zijn lijden en sterven heen en daar wilde Jezus hen nu net bij bepalen. Daarom stelt Hij dat nog eens aan de orde: Kunt gij de drinkbeker drinken, die Ik drink?

Daar is Jezus dus mee bezig. Niet zozeer met Zijn heerlijkheid, als wel met Zijn lijden en sterven. Met de weg die naar de heerlijkheid leidt, de enige weg, ook voor Johannes en Jacobus. Veel later zal hij het nog eens vragen. Dan is alles achter de rug, dan is Hij uit de doden verrezen: Moest de Christus niet al deze dingen lijden en zo in zijn heerlijkheid ingaan? Het verband tussen de beker, dat is het kruis, en de kroon, dat is de heerlijkheid, is van levensbelang voor al Zijn leerlingen. Hoe zullen zij anders tot de heerlijkheid komen, dan door Zijn verzoenende dood. Ze hebben er geen erg in, dat er ook voor hen zo veel te verzoenen is, dat Christus' heerlijkheid, de heerlijkheid Gods is. Het kruis opent de poort tot die heerlijkheid, in de gemeenschap met God. Van gemeenschap is pas sprake, als ze tot elkaar gebracht zijn. Daarom is de nijpende vraag, als de heerlijkheid ter sprake komt: Hoe deel ik daar in. En, ondanks herhaalde aanduiding, waren Johannes en Jacobus aan deze vraag nog niet eens toe. Daarom weten ze niet, wat ze begeren.

De drinkbeker, die Ik heden drink. Dat is Zijn lijden. Het beeld wordt in de lijdensgeschiedenis meer dan eens gebruikt. De beker wordt door de gastheer volgeschonken, en aan de gast toegereikt. Hij is eigenlijk verplicht hem leeg te drinken: Móest de Christus niet al deze dingen lijden? Of is het beeld nog beklemmender. Is de beker, de gifbeker, die de veroordeelde in zijn hand neemt, om hem tot de bodem toe uit te drinken. Eén ding is zeker. De beker is beeld van het lijden, het bange en bittere lijden, dat Jezus zal aanvaarden uit de hand des Vaders, dat Hij zal volbrengen. Hij leent het beeld van profeten en psalmisten. Zij zagen in de beker de wijn van Gods felle toorn fonkelen. God biedt deze beker aan volkeren aan, zet hem de goddelozen voor. Uitdrinken, roept Hij hun toe.

Die Ik drink. Deze beker met haar smartelijke, haar dodelijke inhoud, zet Jezus nu aan de lippen. Pas als deze is leeggedronken, kan Hij de andere beker omhoog houden, de beker van de verlossing. Wordt de één leeggedronken, dan wordt de andere volgeschonken. Dan kan het feestmaal van het Koninkrijk Gods doorgang vinden, dan mogen zondaren daar aanzitten, die God eeuwig danken zullen voor Zijn genade.

Wat spreken ook wij over heerlijkheid, als wij de beker niet zien. Als wij denken: zet die daar maar neer. Dat is mij geen zorg. Want heerlijkheid en beker hangen ten nauwste samen. Dat weet Christus. Hij herinnert er hen opnieuw aan. Hij is reeds bezig, hem te drinken. Wat een strijd, wat een angst, wat een toorn, wat een oordeel. Hij laat hem niet onaangeroerd; als de Vader hem niet wegneemt, dan zal Hij die drinken tot de laatste teug. Hij werpt de wat argeloze vragers, deze vraag voor: Kunt gij de drinkbeker drinken, die Ik drink. Dat heeft alles met hun verzoek te maken. Voor Hem de beker, voor hen de heerlijkheid. De heerlijkheid met Hem.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 februari 1970

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

HEERLIJKHEID EN BEKER

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 februari 1970

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's