EEN ANDERE KERK!
Schrijven aan de Kerkeraden van de Hervormde Gemeenten, naar aanleiding van de te houden Algemene Kerkvergadering.
„De 24” in vergadering bijeen op donderdag 22 januari 1970 te Driebergen.
Aan alle Hervormde Gemeenten werd in de tweede helft van januari toegezonden de agenda voor de op Pinksteren 1970 te houden Algemene Kerkvergadering. Het is de bedoeling, dat deze agenda onderwerp van gesprek gaat worden in de gemeenten.
Naar aanleiding daarvan willen wij ons tot u richten met dit schrijven.
Bij het doornemen van genoemde agenda werden wij getroffen door het feit, dat, terwijl voortdurend sprake is van de kerk, de fundamentele vraag: „Wat is de kerk?" ontbreekt.
Zoals het stuk thans voor ons ligt, zou het, na een aantal wijzigingen in woordgebruik, een uitstekende bijdrage tot gesprek kunnen zijn binnen bv. een bedrijf of vakbond in zijn verhouding van bestuur tot plaatselijke afdelingen en leden. Dáár kan immers gesproken worden van werving van mankracht en personeelsbezetting, effect en efficiency.
Dat deze woorden, met andere meer, in de agenda voor de Algemene Kerkvergadering aangetroffen worden, onthult, dat in dit stuk een àndere kerk bedoeld wordt dan wij kennen uit het Woord Gods, een andere dan die in onze belijdenis spreekt en over welke deze spreekt.
De kerk van het discussiestuk is een kerk onder de wet, niet onder de genade. Een kerk niet onder de goddelijke wet, die een tuchtmeester tot Christus is, maar een kerk, die vermoeid en belast is met de noden van deze tijd, onder de wetten van deze tijd met zijn onontwarbare situaties en uitzichtloosheid, maar nochtans niet tot Christus komt. Een kerk, die gebogen gaat onder talloze taken en plichten, die zo oneindig veel „moet" en zo weinig „kan". Hier spreekt niet de Kerk, gekocht door het bloed van Jezus Christus en vernieuwd door de Heilige Geest. De Kerk, die in aanhankelijkheid jegens haar Heer vóór alle dingen het verlangen heeft Hem welbehagelijk te zijn. De Kerk, die begeert het richtende en genadige Woord Gods als het enige, reddende licht te laten schijnen in de angstwekkende duisternis van deze wereld, opdat mensen tot God getrokken worden, zodat zij van de zondedienst worden losgemaakt en gesteld in de dienst des Heren, uit een tuchteloze waanvrijheid geleid in de bevrijdende tucht van Gods wil en zij met de éne Gemeente God groot maken.
Hier spreekt niet de Kerk der vrijen, maar een kerk der slaven. Een kerk, die verdwaald is, doordat zij zich zeer veel zorgen maakt over de vragen, die de mensen haar stellen, maar doof is voor de vragen, die God haar stelt. Een kerk, onder het juk van de werkheiligheid en vreemd aan Gods genade. Een kerk, die opjaagt en niet weet te herademen in de vrede van God.
Daarom is het ons onmogelijk vanuit het uitgangspunt van de agenda voor de Algemene Kerkvergadering en gebonden door dit kader over de voorgelegde vragen mee te spreken.
Ook aan ons, de opstellers van dit schrijven, en aan hen, met wie wij ons eensgeestes weten, dringen de vragen van de Kerk en de noden in de samenleving zich op. Doch het bevrijdend antwoord kan alleen gegeven worden en échte hulp geboden, wanneer de enige gebondenheid der Kerk is die aan God en Zijn Woord.
Dat wij menen deze dingen zó te moeten stellen, is met verdriet. Want wij behoren tot de Nederlandse Hervormde Kerk.
Wij hebben haar lief.
Wij mogen in haar leven en werkzaam zijn.
Wij dragen met haar mee de schuld om haar verval.
Wij hebben ook elkaar dikwijls in bijzaken niet verdragen.
Doch nu men zulke heilloze plannen beraamt om welhaast het laatste wat onze Nederlandse Hervormde Kerk met oneindig veel gebrek nog Kerk doet zijn, aan haar te ontnemen en haar met wereldse organisaties gelijk te schakelen, moeten wij ons zwijgen verbreken en zeggen: gaat niet voort op deze weg, die zal vergaan.
„Komt en laat ons wederkeren tot de Here, want Hij heeft ons verscheurd en Hij zal ons genezen; Hij heeft ons geslagen en Hij zal ons verbinden" (Hosea 6:1).
Wanneer wij ons bekeren tot de Here, wanneer wij, aan het eind gekomen met ons krampachtig werken, ons voor Hem ootmoedig buigen met belijdenis van onze schuldige machteloosheid, zal Hij ons gedenken. Dan zullen vele vragen, die ons nu bezig houden, klein worden en veronachtzaamde vragen groot. Dan zal de Here onze God ons niet onthouden het geleide van Zijn Heilige Geest. Dan zullen wij een weg vinden, die alleen in het geloof begaanbaar is en perspectief heeft, ook door deze moeilijke tijd. Dan zullen wij leren leven uit het werk, dat de Here Jezus Christus voor een in zichzelf goddeloze Kerk volbracht heeft. Dan zullen wij afleren moeizaam naar een overwinning toe te werken, maar verstaan, dat wij nu reeds uit Zijn nog verborgen victorie leven mogen. Dan zullen wij onbevreesd belijden, dat welke rijken ook nog zullen komen en gaan, welke machten de Gemeente ook bedreigen, de troon van Christus, die ten oordeel wederkomt, onwankelbaar vaststaat.
Wij zijn ervan overtuigd, dat de Kerk, die oprecht verlangt Kuriakè (= des Heren) te zijn, opnieuw ontdekken zal, dat er één geloof is en dat dit klaar en ondubbelzinnig spreekt in de ons toevertrouwde belijdenisgeschriften. Dit getuigenis hebben wij lief, hier vindt de Gemeente des Heren haar geloof beleden en bij dit geloof van de Kerk der eeuwen willen wij blijven en blijve de kerk! Wij wensen geen restauratie van wat was, zijn echter zeer beducht, wanneer men thàns een nieuw belijdenisgeschrift zou maken: een ander geloof, dat zoveel geesten nu gevangen houdt, zou hierin worden verwoord.
Voor ons is het geen vraag of het reformatorisch karakter van de Nederlandse Hervormde Kerk gehandhaafd moet blijven. Een „Evangelische Kerk in Nederland" kan ons niet wezenlijk meer geven dan ons in Nederlands Kerk der hervorming is geschonken. Een kerk, beroofd van haar reformatorisch, dus bijbels karakter, is geen Kerk meer.
Het één „maken" van kerken is geen goddelijke opdracht; eenwording van kerken zal een gave van God zijn, wanneer de kerken elk zich tot de Here wenden. Dan zal blijken, dat God, ondanks alle gescheurdheid nu, nochtans één Gemeente heeft.
Een van afgoden en dwalingen gereinigde Kerk vindt haar vreugde in het apostolisch geloof, de verkondiging van Gods Woord met de bediening van de sacramenten, de lof van Zijn Naam en de gebeden. Zij zal haar kerkdiensten niet vervangen willen zien door bijeenkomsten, waar iedere geest zijn inspraak heeft. Daarnaast zal zij wegen vinden tot samenkomsten, die gestalte geven aan de gemeenschap der heiligen.
Haar dienstbetoon zal duidelijk dienstbetoon om Christus' wil zijn.
Zij zal verstaan, dat de ambten en ambtelijke vergaderingen niet de gemeente vertegenwoordigen zoals het bestuur een vereniging — maar Christus, die door de ambten Zijn Kerk regeert.
Zij zal de geesten beproeven of zij uit God zijn, dus geen bondgenootschap sluiten met welke geest ook: zij leeft immers bij de gratie van Gods Geest?!
Laat de Kerk houden, wat zij heeft.
Wat zij heeft ligt in Gods Woord en belofte.
Dat is uitsluitend haar rijkdom en kracht.
Alleen wanneer zij daaruit leeft, lééft zij.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 februari 1970
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 februari 1970
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's