Toenadering tussen Rome en Reformatie
II
De vorige keer stelden wij de vraag: Is Rome bezig te veranderen, of niet? Wij moeten hier zowel „ja" als „nee" op antwoorden.
In de eerste plaats zeggen wij: ja, er verandert ontzaglijk veel. Zo is er sinds het Tweede Vaticaans concilie een duidelijke nieuwe visie op de kerk gekomen, waardoor de kerk niet alleen meer beschouwd wordt als het instituut van het heilige priesterschap, maar veel meer als het volk van God, dat in deze wereld op weg is naar het Koninkrijk van God. Het gevolg van deze vernieuwing is, dat de hiërarchische structuur van de kerk steeds meer plaats gaat maken voor die van de collegialiteit. De paus kan het steeds moeilijker alleen zeggen, ook de bisschoppen en de priesters en zelfs de leken worden bij het beraad ingeschakeld. Dat zal vooral op de duur geen kleine verandering blijken te zijn.
Daarnaast zien wij vooral in de nederlandse kerkprovincie duidelijke nieuwe opvattingen naar voren komen. Wij denken aan de beschouwingen over de eucharistie, waarin de klassieke transsubstantiatieleer steeds meer verdrongen wordt door een nieuwe visie, die wel genoemd wordt de leer van de transfiguratie of transfinalisatie. Ik ga deze termen nu niet nader verklaren. Wel kunnen wij zeggen, dat zij in zekere zin een toenadering verraden tot het standpunt, dat de Reformatie t.o.v. het Avondmaal innam.
Dan noem ik nog het coelibaat. Wij weten, hoe hierover geoordeeld is op het laatstgehouden Pastoraal Concilie. Men heeft met bijna algemene stemmen de koppeling van priesterschap en coelibaat losgelaten. En de bisschoppen hebben dit overgenomen en willen alles in het werk stellen om dit ook bij de paus te bepleiten.
De paus blijkt dan telkens weer een hindernis te vormen. Zo heeft hij in een encycliek zich reeds gekeerd tegen de nieuwe eucharistieopvattingen en de klassieke leer gehandhaafd. Ook heeft hij in een andere encycliek zich gekeerd tegen de ontkoppeling van het priesterschap en het coelibaat en met nadruk en Reformatie het coelibaat één van de grootste schatten van de kerk genoemd.
Zo is er een spanning ontstaan tussen Rome en de Nederlandse Kerkprovincie, waarvan iedereen met intense belangstelling zich afvraagt, hoe dat zal aflopen. Zal dat tot een openlijk conflict, tot een breuk eventueel worden, of zullen er tussenwegen worden bewandeld? Vooralsnog laat de paus duidelijk merken, dat hij het met de gang van zaken in Nederland helemaal niet eens is.
Maar hoe moeten wij nu, uit reformatorisch gezichtspunt, al deze veranderingen beoordelen? Kunnen wij nu op grond hiervan zeggen: Rome is veranderd? Of Rome is bezig te veranderen? Of moeten wij zeggen: inderdaad, er verandert veel bij Rome. Maar in haar diepste wezen blijft de R.-Katholieke kerk toch aan zichzelf gelijk? Wij menen , dat het laatste antwoord juist is. En wij willen dit nader trachten aan te tonen.
Ik geloof, dat wij dan moeten beginnen met ons te herinneren, waarom het in de Reformatie begonnen is. Welke geschilpunten hebben destijds tot de Reformatie geleid? En zijn deze punten nog aan de orde, of zijn zij niet meer aan de orde?
Nu kan het belijden der Reformatie in zijn kern op verschillende manieren worden geformuleerd. We kunnen zeggen, dat het gaat om de rechtvaardiging van de goddeloze. Het kan ook worden aangegeven met de drie z.g. solismen: sola gratia, sola fide, sola scriptura.
Wij willen het nu iets anders formuleren.
Het wezenlijke verschil tussen Rome en Reformatie lag en ligt in de fundamenteel verschillende waardering van de verhouding tussen de natuur en de genade.
In de R.K. leer wordt deze verhouding zo gezien, dat de genade het karakter draagt van het bovennatuurlijke. Vóór de zondeval was deze bovennatuur nog aan de natuur toegevoegd. Door de val ging ze teloor. Maar de natuur bleef in tact, zij het dan min of meer aangetast en daardoor verzwakt door de zonde. In ieder geval hield de natuur haar gerichtheid op het bovennatuurlijke, op de genade. De natuur bleef aangelegd op de genade.
De Reformatie stelde het wezenlijk anders. Zij deelde de positie van de mens vóór de val niet op tussen een natuur en een bovennatuur, maar zag de ene hele mens in zijn rechte verhouding tot God. Door de zonde is deze hele verhouding verbroken. Er viel niet slechts een bovenste deel vanaf, terwijl er een rest staande bleef, maar de totale mens viel in de zonde en is daardoor in zijn totaliteit een zondig en verdorven mens geworden. De natuur van de mens bleef dan ook niet aangelegd op de genade. Integendeel. Zij stond daar absoluut afkerig tegenover. Ze is er onontvankelijk voor.
Wanneer dan toch God zijn genade aan deze mens bewijst, betekent dit niet een aanvulling op het reeds aanwezige, maar een wezenlijke vernieuwing van de totaal verloren mens. Hij wordt in Christus tot een nieuw schepsel. Het oude is voorbijgegaan, zie, het is alles nieuw geworden (2 Cor. 5).
Zo hebben wij in hoofdlijnen het kardinale verschil aangegeven. Als wij dit verschil nu als maatstaf aanleggen, kunnen wij dan zeggen, dat er bij Rome een wezenlijke verandering zich voordoet? Het antwoord op deze vraag beslist erover, of de toenadering van de kant van de Reformatorische kerk werkelijk legitiem is, of niet. Mag ik daarmee een volgende keer verder gaan?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 februari 1970
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 februari 1970
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's