UIT DE PERS
Rondom de Erasmusherdenking
In de kroniek van „Kerk en Theologie" (januari 1970) schrijft prof. dr. G. C. v. Niftrik het een en ander over de Erasmusherdenking van het afgelopen jaar. De amsterdamse hoogleraar wijst er op hoe de papieren van Erasmus hoog genoteerd staan in het geestelijke en culturele leven van onze tijd. „Ook op de beurs van de theologie staat zoiets als „bijbels humanisme" weer veel hoger genoteerd dan zulks decenniën lang het geval was”.
Symptomatisch is de critiek op de kerk. Vele van deze critici beroepen zich op Erasmus, die immers in zijn dagen de kerk ook zijn critiek niet bespaard heeft. Erasmus verdraagt de kerk. Meer niet. Eigenlijk is de kerk in de ogen van de grote humanist een noodzakelijk kwaad.
Ook daarin blijkt Erasmus een man onze tijd te zijn dat hij een minimum aan vastgestelde leer begeert. Het leven is immers veel belangrijker. Het humanisme van Erasmus vindt weerklank in onze tijd. Erasmus heeft vertrouwen in de mens, mits hij zich door de filosofie van Christus laat leiden.
Men zou, naast de voorbeelden die v. Niftrik noemt, ook nog kunnen wijzen op de waardering voor Erasmus in de nieuwe Katechismus der R.K. kerk.
Prof. v. Niftrik acht het terecht nodig om na het jaar van Erasmusverheerlijking een critisch geluid te laten horen. Uiteraard is het niet zijn bedoeling de betekenis van Erasmus te verkleinen. Die is op allerlei terrein groot geweest. Maar het is goed en nodig om het verschil tussen Luther en Erasmus duidelijk te stellen. Het is nog meer noodzakelijk goed te zien, waarom Luther en Erasmus uiteen gingen.
Erasmus is typisch een man van het midden geweest. Hij schuwde de beslissingen. Ten aanzien van de Reformatie heeft hij geen partij durven en willen kiezen. Terecht schrijft v. Niftrik: „Maar kan dan een man van het formaat van een Erasmus zich in die tijd van de allergrootste beslissingen onzijdig houden? Dat kan men alleen, als men in een onwerkelijke wereld leeft!”
Typerend is ook dat Erasmus, zoals prof. Huizinga, de bekende Erasmuskenner, eens schreef, in zijn parafrase van het Nieuwe Testament het laatste bijbelboek, de Openbaring van Johannes wegliet. Een man, die geen martelaarsbloed in de aderen heeft, weet geen raad met dit bijbelboek.
Genoemd moet ook worden de strijd voor of tegen de vrije wil tussen Luther en Erasmus. Dr. W. Aalders heeft duidelijk gemaakt dat Erasmus' verzet tegen Luther in deze maar geen academische kwestie was, maar een geloofsbeslissing inhield. Ter afsluiting van zijn belangwekkende beschouwingen schrijft de kroniekschrijver van „Kerk en Theologie”:
Wanneer men dit alles bedenkt, kan men het overigens kerkhistorisch en geistesgeschichtlich zo interessante boek van prof. Augustijn in theologisch opzicht alleen maar diep onbevredigend noemen. Men zou toch van een gereformeerd hoogleraar aan de Vrije Universiteit theologisch wat anders verwachten, dan wij in feite te horen krijgen. „In het conflict tussen Erasmus en Luther botsen twee typen van vroomheid op elkaar. Het is ook een botsing van mensen" (p. 122). Dat zal wel waar zijn! Maar kunnen wij tevreden zijn met dit staaltje van phaenomenologie: twee typen van vroomheid, waaruit wij eventueel kunnen kiezen? Wat lijkt u het best? De vroomheid van Erasmus krijgt volgens prof. Augustijn geen kans, „waar de mens zich sterk bedreigd weet door de machten buiten zich en in zich. Daar zal het heil immers worden ervaren als een exclusief goddelijke daad, waarin de mens kan rusten. Erasmus krijgt zijn kansen daar, waar de kerk met haar uitwendige aspecten in haar betekenis wordt gerelativeerd, waar sterk de zending van de christen in de wereld wordt beklemtoond en de kerk wordt opgeroepen tot zelfontlediging. Daar komt de christen in het middelpunt te staan, in zijn door God gegeven vrijheid. Daar mag de mens de Vader dienen in blijdschap en weten, dat God door hem handelt" (p. 148). Dan is het boek uit; ik schreef de laatste zinnen over.
Er zou over dit citaat heel wat zijn te zeggen. Naar mijn inzicht deugen de daarin vervatte tegenstellingen helemaal niet. Erasmus moge hier tot zijn recht komen, Luther en de reformatie zeker niet. De hemel beware ons voor een theologie, waarin de mens weer in het middelpunt komt te staan. Wij hebben de narigheid van zulk een theologie in de negentiende eeuw overvloedig leren kennen. Was de Doleantie dan toch een vergissing? Dat geloof zelfs ik niet.
Tot zover prof. v. Niftrik. Wij menen dat hij hier attendeert op belangrijke dingen. En wij dienen te bedenken dat het hier maar niet gaat om historische beschouwingen. Er loopt een lijn van de Erasmuswaardering door vele theologen naar de practijk van het kerkelijk handelen. In allerlei uitingen van prediking en kerkelijk leven wordt de mens, het humanum, in het middelpunt gezet. De aandacht voor het horizontale (ontwikkelingshulp, revolutie, samenlevingsvragen etc.) dreigt in veler beschouwingen de kerkelijke practijk te gaan beheersen. Dan krijgt men inderdaad opnieuw een bijbels humanisme, dat wezenlijk iets anders bedoelt dan de reformatie wilde en wil zijn.
Kerk en samenleving
In het licht van het bovenstaande moet ook gezien worden een artikel van ds. S. Kooistra in het „Hervormd weekblad" van 19 februari. Deze keert zich daarin tegen de opvattingen van hen die de kerk maken tot een functie van de samenleving. De eigenlijke opdracht van de kerk wordt zodoende uit het oog verloren. Kooistra schrijft:
Een van de moeilijkste vragen blijf ik vinden de verhouding van Kerk en samenleving. Waar moet de Kerk spreken over samenlevingsvragen, waar moet zij zwijgen? Velen menen, dat de enige actuele functie der Kerk is: De humanisering (vermenselijking) der samenleving. Zij verwachten concrete uitspraken en activiteiten van de Kerk ter bevordering van een menswaardig bestaan.
Onlangs maakte ik in Rotterdam een samenspreking mee tussen de plaatselijke geestelijkheid in onze stadswijk en a.s. Geref., Herv. en R. Kath. theologen. Er was nog wel enige aandacht voor de opdracht der Kerk inzake prediking en pastoraat. Maar veel belangrijker vonden de a.s. theologen, dat de Kerken zich gemeenschappelijk zouden inzetten voor de verbetering der woonsituatie in onze oude stadswijk. Ze hadden zelfs een heel plan ontworpen: Speelterreinen voor de jeugd, parkeerplaatsen voor het steeds toenemend aantal auto's, dienstverleningscentra voor de bejaarden enz. Eén maakte zelfs de opmerking, dat de kerken hiervoor hun mankracht en geld moesten inzetten. Ik heb daarop de opmerking gemaakt, dat ik al deze verbeteringen der woonsituatie zeer nodig acht, maar niet in de eerste plaats zie als de opdracht der kerken. M.i. moeten er wijkverenigingen gesticht worden, die in overleg treden met de organen der Overheid. Zoals ik in Friese dorpen wel tegengekomen ben verenigingen van Dorpsbelang, die op de bres stonden voor de materiële verbetering van de woonsituatie in het dorp.
Als men spreekt over de opdracht der Kerk, dan meen ik, dat Christus ons opdraagt het Evangelie der verzoening met God te prediken. Het geld en de mankracht der Kerk moeten voor dit doel gebruikt worden. De Kerk wordt aan de ene kant topzwaar overbelast en verliest aan de andere kant haar eigenlijke opdracht uit het oog, als zij alle samenlevingsvragen wil oplossen, die op pag. 6 van de Agenda voor de Algem. Kerkverg. worden opgesomd. Daarachter zit de foutieve gedachte, dat de Kerk een functie van de samenleving zou zijn. Ik vrees bovendien, dat de Kerk dan een papagaai wordt van wat deskundigen beter weten te zeggen en te doen.
De Kerk is eigenlijk een vreemd lichaam in de samenleving. Zij is niet van déze wereld. Zij is wezenlijk de door God in Christus verkoren en geroepen Gemeente voor het komende Rijk. Wel heb ik nog hoop, dat het zijn der Gemeente van Christus op zichzelf al een zegen is voor de samenleving. Als het Evangelie der verzoening werkelijk doorwerkt in de harten der mensen, dan moet dit ook iets betekenen voor de verzoening der volkeren. En met name het diakonaat der Kerk is van belang voor vele groepen in de maatschappij. Dit wordt door de Overheid wel terdege gezien en om deze reden ruim gesubsidieerd.
Zo is de Kerk er wel voor de samenleving maar nooit een functie van de samenleving. De bron van het spreken en handelen der Kerk is het Bijbels getuigenis van Gods Openbaring en niet het moderne denken der sociologen. Omdat de Kerk niet van déze wereld is, zal zij altijd critisch moeten staan tegenover de samenleving. Wat de Kerk het allermeest nodig heeft, is het charisma (geestesgave) der profetie om tijdig de afgoden van de tijd te herkennen. In de ene periode der geschiedenis is dit duidelijker dan in de andere. Zo heeft de Kerk het heidendom van het Nationaal-Socialisme doorzien. Toen beseften wij iets van de profetische roeping der Kerk tegenover Overheid en volk. Maar de vraag rijst of de Kerk humanistische en soms zelfs nihilistische tendenzen van deze tijd wel doorziet?
Wij hebben dit met instemming gelezen en vragen er graag uw aandacht voor. De vermaatschappelijking van de kerk neemt hier en daar verontrustende vormen aan. In veler beschouwingen is voor de eigen gestalte van de kerk als lichaam van Christus geen plaats meer over. Wat is het broodnodig dat de bijbelse structuren van het kerk-zijn weer hun geldigheid krijgen. Ten diepste is het kerk-probleem het vraagstuk van het Schriftgezag. Laat niemand menen dat het om onbelangrijke zaken gaat, als er gesproken wordt over herstructurering, de plaats van de kerk in de samenleving. Men leze het boek van prof. Jonker: Leve de Kerk. Dan blijkt dat hier de inhoud van het christelijk geloof en de fundamenten der kerk in het geding zijn.
Samenlevingsproblematiek en de eredienst
In het nummer van 24 januari van „Woord en Dienst" gaat de oud synodepraeses dr. G. de Ru eveneens op deze vragen in, maar dan toegespitst op de prediking. Naar zijn mening is de taak van de predikant als dienaar des Woords in de prediking vooral deze, dat hij de grote daden van God, Zijn heilshandelen in Jezus Christus verkondigt. Die prediking zal zich richten tot individuele mensen. Allerlei samenlevingsvragen zijn niet onbelangrijk, maar vormen niet primair een onderwerp voor de prediking.
Dr. De Ru legt sterke nadruk op wat Paulus schrijft over de bediening der verzoening. Deze diakonia is primair. Het dienstbetoon aan mens en wereld mag er uit voortvloeien, maar kan alleen maar opbloeien vanuit het heilgeheim van de verzoening. Het Evangelie mikt niet primair op verandering van structuren, maar op de verandering van mensen. Dat bepale het zijn en het spreken der kerk.
In dit verband citeert dr. De Ru prof. Berkhof, als deze schrijft: „De belangrijkste taak van de christelijke kerk is de mensen te roepen tot de bron van Gods genade en belofte”.
Daarmee sprak hij de kern van mijn bedoelen uit. De verkondiging heeft te beginnen bij het begin: de „diakonia der verzoening", als de prediking van Gods liefde in Christus. Iemand met bijna 40 dienstjaren als pastor achter de rug weet, dat er zo onnoemelijk veel schrijnende individuele (zedelijke en geestelijke) nood is! Daarbij kan het ook voorkomen — zoals mijn opponenten stelden — dat de nood van de moderne mens déze is, dat hij de nood van de samenleving niet wil zien. Maar er is waarlijk nog wel meer te koop! Ik noem: geloofscrisis, morele nederlagen, vertwijfeling, schuldgevoelens (echte), gewetensnood, alle blijdschap vermoordende verbittering wegens vermeende òf reële achteruitzetting, onverteerbaar levensleed, ongeneeslijke ziekte, wanhoop, eenzaamheid, doodsangst. Daaraan mag de Verbi Divini Minister niet voorbij gaan! Wij staan 's zondags voor een gemeente, waarvan deze individuele nood nóóit kan worden overschat: schuld aan de naaste, die niet meer is goed te maken; een „ongelukkige liefde"; de consequenties van een voorbarige sexuele omgang; overspel en echtbreuk; plotselinge werkloosheid wegens sluiting van het bedrijf; de moeder, wier kind voor haar eigen ogen door de tram werd doodgereden; de ouders, die dagelijks kreunen onder het leed van hun krankzinnige kind; de mensen, óók jonge mensen, die langzaam door de dood worden gewurgd. Wat denkt men, dat wij dezen, en nog vele anderen met weer andersoortige „wonden", in hun nood zouden meegeven als wij hun, in de mate waarin men dat tegenwoordig wil, met samenlevingsvragen aan boord zouden komen, n.a.v.o.-problemen, monetaire puzzles, sociale problematieken, revolutionaire ideeën t.a.v. zuid-amerikaanse wantoestanden! Zelfs in het gewone gemeentepastoraat is dat al ondenkbaar. Stel, dat ik de moeder van dat verbrijzelde kind ging bezig houden over Vietnam of Biafra! Nee, ik maak er geen caricatuur van! Zó wil men dat tegenwoordig van ons! Maar men vergeet — leeft men in eigen omgeving met oogkleppen of bij een verhaaltje van het leven? — dat zeker 95 pct. van onze gemeenteleden met dergelijke benauwende individuele problemen „zitten"! Die hebben recht om geholpen te worden door de Grote Herder der schapen, die kleine herdertjes daarvoor gebruikt, maar dan moeten deze niet eigenwijs zijn en zich làten gebruiken als een goed instrument.
Daar komt nog bij dat samenlevingsvragen op politiek en maatschappelijk terrein deskundigheid vergen en dat de practijk laat zien dat gelovige christenen hier toch verschillende wegen kunnen gaan. Moet dan de prediker, die geen deskundige is, vanaf de kansel een uitspraak doen? Bovendien wisselen de samenlevingsproblemen zeer snel.
Als ik al eens zo deskundig mogelijk wat gedetailleerde opmerkingen op bedoelde terreinen probeer te plaatsen, is de reactie van de wèrkelijk deskundigen in de kerk achteraf: „laat dat nu maar op de preekstoel achterwege!" Niet — let wel — omdat ze het liever niet horen (dat kàn ook), maar omdat ze als christenen dat alles ook en beter weten, er dagelijks mee vechten en van de Evangeliedienaar terecht verwachten, dat hij op hun individuele (nogmaals: niet te onderschatten) nood een antwoord zal geven, een Woord over het Heil van God voor hèn bestemd, uiteraard niet op een eiland, maar in de samenleving.
Daarom mijn gewraakte opmerking in zake politieke, sociale, internationale problemen in de prediking! Verkondigen is niet alleen antwoord geven op de vragen, die er momenteel leven bij jongeren en ouderen (waarlijk niet steeds de belangrijkste vragen!) maar ook vragen wakker roepen, die niet leven en er toch hoog nodig moesten zijn: de vragen naar wat Berkhof noemt „de bron". De vraag van Luther: „hoe word ik rechtvaardig voor God?" De aanklacht van Nathan tot David: „Gij zijt die man!" De gemeente van mondige mensen verwacht van de man, die het „waagstuk der prediking" verricht de proclamatie van Gods Woord: „Zó spreekt de Heer". Zij is er waarlijk niet mee gediend, dat de prediker, uit een soort bij-de-tijd-willen-zijn zijn theologie en verkondiging laat verdampen in sociologie, polemologie, psychologie. Zij hore: belofte en gebod, verwijzing naar het Rijk, dat komt; zij hore: niet alleen maar diesseitige medemenselijkheidsparaenese, maar oproep de keus te doen van „het smalle pad", dat uitloopt op de stad Gods. Maar daarover hoort men tegenwoordig liever niet, althans niet voordat men op sterven ligt. Moeten wij werkelijk op dat moment wachten? Als men als predikant over deze dingen spreekt is men „introvert", „ouderwets", „weltfremd" en wat dies meer zij, maar zou het wellicht ook kunnen zijn, dat de verkondiging van het Rijk, de prediking van vergeving en verzoening, van vrede en gerechtigheid door Christus' werk, de meest effectieve manier is om mensen te leren zich voor hun mede-mensen te geven? Zie weer Berkhof. Of beter: zie de bijbel, die voortdurend die weg wijst, zowel bij de profeten als in het Evangelie.
De schrijver pleit er dan voor om de samenlevingsvragen aan de orde te stellen in het leerhuis, in vormingscentrum, gespreksgroep, waarbij men deskundige gemeenteleden kan inschakelen. Het ambt der gelovigen brengt mee, dat de gemeenteleden hun deskundigheid in dienst stellen van de gemeente.
En als de tekstkeuze er dan toe leidt dat in de prediking horizontale vragen betreffende de samenleving aan de orde komen, dan zal de prediker toch altijd deze in verband hebben te brengen met de primaire diakonia van 2 Corinthe 5. Wij zijn dankbaar voor dit bewogen woord van de oud synode-praeses, die tegen de stroom in het opneemt voor de bijbelse inhoud van de prediking. De prediking van het Evangelie is en blijft immers de ware schat der kerk. Handelt de kerk daar naar, dan is zij tot zegen van de wereld. Verliest zij deze opdracht uit het oog, dan wordt het zout smakeloos.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 maart 1970
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 maart 1970
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's