Toenadering tussen Rome en Reformatie
III
Wij hebben de vorige keer het kardinale verschilpunt aangewezen, waarop Rome en Reformatie uiteen zijn gegaan. Het betrof de verhouding tussen de natuur en de genade. Is er nu op dit punt iets wezenlijks bij Rome veranderd?
Het zou leerzaam zijn, als wij op dit punt de officiële uitspraken van het Vaticaans Concilie II en de laatste encyclieken zouden nagaan. Maar dat willen wij nu niet doen. Wij willen vooral ons richten op wat de nieuwere R.K. theologen op dit punt ons te zeggen hebben, omdat het in ieder geval de schijn heeft alsof bij hen de R.K. posities zich grondig beginnen te wijzigen. Zozeer zelfs, dat zij binnen het eigen officiële R.K. leergezag min of meer onder verdenking staan.
Wij denken hierbij vooral aan publicaties van theologen, die sterk de invloed van Teilhard de Chardin ondergaan. Teilhard de Chardin is een R.K. geleerde (Jesuiet) geweest, die het geloof van de kerk heeft trachten te verbinden met de leer van het evolutionisme. Zijn denksysteem ondervond aanvankelijk groot verzet in de R.K. kerk, zodat sommige van zijn geschriften niet eens vrij mochten worden gelezen. Maar steeds groter is zijn invloed geworden, vooral op die theologen, die het ook te doen is om het evolutionistisch denken in hun geloofsbeschouwingen te integreren, omdat zij menen, dat op deze wijze het mogelijk is om het christelijk geloof in zijn actualiteit te handhaven en tegelijk een verbinding te leggen met het moderne wetenschappelijke denken. Een theoloog die sterk in deze richting gaat, is de reeds genoemde Fiolet. Verder kunnen wij noemen Schoonenberg, Schillebeeckx en H. v. d. Linde. Buiten ons land denken wij vooral aan Karl Rahner, Karl Lehman, Heinrich Fries en anderen.
Al deze theologen denken sterk evolutionistisch. Zij zien het heil zich ontwikkelen binnen de geschiedenis van deze wereld. Daarom aanvaarden zij de saecularisatie als een positief gegeven. Zij menen zelfs, dat het z.g. binnenwereldlijk geloven de nieuwe koers is, die zowel Rome als Reformatie hebben te gaan.
Nu lijkt dat, bij wat vroeger altijd is geleerd door Rome, een enorme ommezwaai. Toch, hoe meer wij ons erin verdiepen, des te duidelijker wordt het, dat met al deze verandering het wezenlijke in het R.K. geloofsdenken niet is veranderd. Want het oude schema natuur-bovennatuur is wel gewijzigd, maar niet doorbroken.
Dat blijkt al hieruit, dat door deze nieuwe theologen de leer van Thomas, aan wie de R.K. kerk het schema natuur-bovennatuur te danken heeft, ook nu nog wordt aangehangen. Schoonenberg schrijft b.v. in zijn laatste publicatie „Hij is een God van mensen", ook al wil hij de term „bovennatuurlijk" vermijden: „wat de verdere uitwerking van de verhouding tussen Gods genadegaven en de mens aangaat, zou ik mij nog steeds willen scharen achter de visie van Sint-Thomas ...”
Bij Schoonenberg en anderen komt het inhoudelijk daarop neer, dat zij het evolutionistisch denken op de wijze van Teilhard de Chardin op de gedachtenlijn van Thomas inenten. En dat blijkt heel goed te kunnen. Want als het waar is dat de natuur is aangelegd op de bovennatuur, zoals Thomas leerde, dan kan de verbinding tussen die beide evengoed zich voltrekken langs evolutieve weg, waarbij Christus dan het hoogtepunt is, waarnaar de mensheid op weg is.
Het punt van overeenkomst tussen de thomistische en de evolutionistische theologie is, dat bij beide de zonde geen radicale betekenis heeft. In het schema van Thomas betekent zij verlies van de bovennatuur en verzwakking van de natuur. Maar de natuur blijft aangelegd op die bovennatuur (=genade). In feite betekent de zonde dus een gevallen-zijn in het stadium van de gebrekkigheid. Maar in die gebrekkigheid blijft de natuur vatbaar voor aanvulling, verbetering en verheffing.
Geen andere betekenis heeft de zonde echter in het evolutionistisch denken. Ook hier kan het radicale verdervende karakter van de zonde niet meer worden gehandhaafd. Zonde kan hier principieel niet dieper grijpen dan gebrekkigheid, een er-nog-niet-zijn op de weg naar het ideale hoogtepunt. En verlossing betekent dan verheffing, volmaking van het nu nog gebrekking bestaande.
Zo sluit de evolutionistische verlossingsleer goed aan op de thomistische genadeleer. Men zou de eerste een nieuwe interpretatie van de laatste kunnen noemen. Dat betekent dan, dat er wel een relatieve wijziging zich heeft voorgedaan, maar geen fundamentele. En het is daarom volkomen terecht, dat de theologen, die deze herinterpretatie voorstaan, aanspraak willen blijven maken op voluit Roomskatholiek te zijn. Dat is juist. Want bij alle vernieuwing zijn ze in hun grondhouding aan Rome trouw gebleven.
Natuurlijk zijn er wel, zoals wij reeds opmerkten, tussen vroeger en nu relatieve verschillen op te merken. Zo is er bij Thomas duidelijk een z.g. dualistische trek waar te nemen, doordat hij natuur en bovennatuur als twee kwantitatieve grootheden van elkaar scheidt (bij de zondeval) en aan elkaar toevoegt (in de verlossing). In de nieuwe R.K. theologie voltrekt de genade zich juist in een „griezelig grote harmonie" met de natuur. Het christelijke wordt dan in het natuurlijke, of anders gezegd, de verlossing wordt in de schepping van meetaf binnengehaald.
Vooral heeft Fiolet van deze laatstgenoemde visie een brede uitwerking gegeven. Wij denken daarbij niet alleen aan zijn boek „De Tweede Reformatie", maar ook aan zijn boek „Vreemde Verleiding", wat eerder verscheen, en waarin hij de theologische basis heeft gelegd voor zijn laatste boek.
Fiolet meent dat de bijbelse visie zo is, dat daarin heel de aardse werkelijkheid en het eigenlijk menselijk bestaan ervaren wordt als een vóórtdurende scheppingsdaad van God die de mens en zijn wereld ieder moment in het bestaan roept tot samenzijn met Hem in het Verbond. Schepping ìs begenadiging. Schepping is verlossing uit zondige situatie en roepen tot samen-zijn met God. Fiolet ziet zo met de schepping tegelijk een verlossingsbeweging op gang komen, die in het Koninkrijk van God tot haar volle ontplooiing zal komen.
Het ligt voor de hand, dat met dit evolutionisme ook onmiddellijk het universalisme van het heil verbonden is. Als de genade zo dicht bij de natuur en de schepping wordt gebracht, raakt haar particulariteit verloren. De evolutie veronderstelt het algemene. Hier kan de verkiezing geen plaats meer krijgen.
Ook de horizontalisering van het heil houdt hiermee verband. Want als het heil met de ontwikkeling der dingen gegeven is, verliest het daarmee zijn verticaliteit. Het kan niet meer loodrecht staan op de dingen. Het gaat nu om een wereldlijk heil en een wereldlijk geloven, een werkelijkheid binnen deze wereld.
En het is te begrijpen, dat als deze visie doorwerkt, dit zijn consequenties heeft tot in alle verbanden van de practisch-kerkelijke arbeid en ambtsopvatting en structuren toe. En wij zien allerwege in de R.K. kerk van Nederland, dat deze consequenties concrete vorm krijgen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 maart 1970
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 maart 1970
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's