De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Toenadering tussen Rome en Reformatie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Toenadering tussen Rome en Reformatie

6 minuten leestijd

IV.

In de vorige artikelen heb ik trachten aan te tonen, dat er in de R.K. theologie wel grote veranderingen zich voltrekken, maar dat zij in wezen toch niet verder gaan dan varianten, herinterpretaties te zijn van het oude thomistische schema van natuur en genade. In haar diepste kern is de R. Katholieke kerk zelfs in haar meest moderne theologische editie niet veranderd.

Als er nu toch toenadering plaatsvindt tussen Rome en Reformatie, moet dit dan soms daaruit te verklaren zijn, dat de Reformatorische kerken veranderen? Zijn zij het, die de beslissende stap wagen, de grens, die in de Reformatie getrokken is, overschrijden?

Op deze vraag willen wij nu ingaan.

Uiteraard doelen wij dan niet op de belijdenis van de reformatorische kerken. Deze is op dit punt duidelijk genoeg. Maar wij richten ons ook nu weer op wat er in de laatste tijd door vooraanstaande theologen uit de Reformatorische kerken zo al wordt gezegd en geschreven. Opmerkelijk is dan al direct, hoezeer de opvattingen van prof. Fiolet bij Reformatorische theologen weerklank hebben gekregen. Zo heeft prof. Berkhof op het boek van Fiolet „Vreemde Verleiding" een voorwoord geschreven, waarin hij spreekt over de „juiste en bevrijdende inzichten" van Fiolet. Want Fiolet gaat „de metafysische omkorsting van het christelijk geloven" te lijf. „Dat is daarom zo extra dringend, omdat dit statische en dualistische denken volstrekt onverenigbaar is met het huidige evolutionaire wereldbeeld". Berkhof is het daarom met Fiolet eens: „De bijbelse visie op de schepping staat in een verrassende harmonie met het moderne evolutiedenken". „De slotsom is, dat Fiolet hier over schepping en val een klare bijbelse en moderne taal spreekt, waar velen naar uitzien en die in bijna alle kerken nodig moet worden gehoord”.

Berkhof heeft ook wel zijn bezwaren, maar deze gaan niet verder dan het anders leggen van accenten. Berkhof aanvaardt dus de visie van Fiolet, zij het met wat critische randopmerkingen.

Prof. Kuitert heeft in het dagblad „Trouw" van 1 nov. j.l. het laatste boek van Fiolet „De Tweede Reformatie" besproken. Deze bespreking heeft veel overeenkomst met de beoordeling van Berkhof van Fiolets vorige boek. Met de strekking gaat Kuitert gaarne accoord. Ook hij ziet zo de weg lopen. Alleen heeft hij critiek op detailpunten.

Als wij nu deze reacties nagaan, staan wij niet weinig verbaasd. Als het waar is, dat Rome in haar kern niet is veranderd sinds de Reformatie, is de Reformatorische kerk dan zo veranderd? Of zijn de geschilpunten wel gebleven, maar worden zij niet meer zo wezenlijk geacht, dat zij kerkverdelend werken, zoals dit in de Reformatie wel het geval is geweest? Berkhof spreekt over een gemeenschappelijke weg en een vruchtbare dialoog, waarbij de (nog) bestaande verschillen allerminst kerk-scheidend behoeven te zijn.

Er zijn er ook, die het willen doen voorkomen, dat het door de Reformatie gestelde dilemma verouderd is. Het is niet zo: òf Rome òf de Reformatie is overstag gegaan. Maar beide zijn tot een nieuw inzicht, tot een nieuw belijden, zelfs tot een nieuw geloof gekomen, en daarom moeten zij nu samen verder.

Wij denken hierbij weer terug aan de visie van Fiolet op de Reformatie. Het zou berusten op een tragische vergissing, omdat èn Rome èn Reformatie bevangen waren door het griekse denken, waarin God en mens als elkaars concurrenten worden beschouwd. Daarom kan nu de rechtvaardiging van de goddeloze niet meer als hèt artikel, waarmee de kerk staat of valt, worden beoordeeld. Het valse griekse dilemma heeft men hierin immers herkend.

Het is ook al eens anders gezegd. Men meent dan, dat onze tijd ons stelt voor een andere vraagstelling, een andere geloofsproblematiek. Het zou nu niet meer gaan om de vraag: hoe krijg ik een genadige God? , maar om déze vraag: is er wel een God, en Wie is dan deze God?

In ieder geval doet men zijn best om aan te tonen, dat het Reformatorisch belijden verouderd is.

Toch is het onze stellige overtuiging, dat hierin zowel de Reformatie als het heden onrecht worden aangedaan, althans niet herkend worden in hun eigenlijke en diepste intentie.

Calvijn en Luther hebben mogen ontdekken, dat God en mens inderdaad elkaars concurrenten zijn. Dat geldt niet alleen de goddeloze mens, maar niet minder de godsdienstige mens, die zich tracht los te maken van God en zijn vrije genade.

De Hervormers hebben toen echter niet ontdekt, dat deze concurrentiestrijd te danken was aan de griekse filosofie, maar wel, dat zij te danken is aan de hoogmoed, die de mens uit zichzelf koestert, omdat hij als kind van Adam revolutioneert tegen God, op alle mogelijke manieren, zowel godsdienstig als goddeloos.

Wel deed Luther er toen nog een ontdekking bij. Hij zag, dat dit concurrerend streven van de mens zich gehuld had in het vrome kleed van de scholastieke verdienstenleer. En toen zag hij ook in, dat de wortel van deze leer terugging op de griekse wijsgeren, die in de plaats van de Schrift op de R.K. scholastiek een beslissende invloed hebben geoefend. De scholastiek was, om met W. Aalders te spreken, de burcht geworden, waarin de mens zich veilig gesteld had tegenover de absolute aanspraken van het Evangelie der genade.

Deze concurrentieverhouding is dus niet allereerst aan een bepaalde filosofie of theologie te danken, maar aan het bestaan van de mens zelf zoals hij door de zonde van nature is geworden. Het gaat niet om een opvatting, het gaat om het „zijn" van de mens. En dat „zijn" is dat van een concurrerende conflictsverhouding tot God. Die verhouding is er niet sinds de griekse filosofie, maar sinds Adams eerste zonde, hoewel de griekse filosofie door middel van de R.K. scholastiek er een theologische en kerkelijk geijkte vorm aan heeft gegeven.

Nu kan men wel deze filosofie afzweren en er een nieuwe filosofie, b.v. die van het existentialisme, voor in de plaats stellen, maar daarmee is de mens zelf nog niet veranderd. Deze mens blijft, die hij was, namelijk Gods concurrent. En hij zal dat blijven, tenzij God hem doet wedergeboren worden in Christus tot een nieuw schepsel. Dan wordt hij als concurrent failliet verklaard en wordt hij door het oordeel heen tot een kind, een dienstknecht, een medearbeider, een volgeling, een bondgenoot Gods.

En als hij dat niet wordt, zal hij ook in het nieuwe kleed van een nieuwe filosofie (theologie) Gods concurrent blijven. En wij menen, dat Fiolets visie daarvan een duidelijk bewijs is, omdat hier het al-oude thema „mens-zijn als zodanig behoeft de aanvulling van de begenadiging" langs een omweggetje weer terugkeert.

En het geeft te denken, als reformatorische theologen hier spreken van „juiste en bevrijdende inzichten”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 maart 1970

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

Toenadering tussen Rome en Reformatie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 maart 1970

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's