UIT DE PERS
Christus het Anker
Het is doorgaans niet de gewoonte in deze rubriek toespraken of preekfragmenten over te nemen. Ditmaal willen we op deze regel een uitzondering maken. Op 18 februari j.l. vond in alle stilte de begrafenis plaats van dr. K. H. E. Gravemeyer. In de verschillende kerkelijke bladen is zijn betekenis voor kerk en theologie aan de orde gesteld. Het is niet onze bedoeling hier nu verder op in te gaan. Het is in dit blad al geschied. Het is door vele anderen gedaan. Onder meer verscheen op 25 februari een speciaal nummer van het orgaan van de „Kring van vrienden van Kohlbrugge": „Het Kerkblaadje", waarin ds. H. C. Touw uitvoerig schrijft over de plaats die Gravemeyer innam in het kerkelijk verzet, terwijl ds. W. A. Hoek enkele persoonlijke indrukken weergeeft.
In ditzelfde nummer is ook opgenomen de toespraak die dr. W. Aalders gehouden heeft in de rouwdienst op 18 februari. In deze toespraak, waarin de overledene in de eerste plaats geschetst is als dienaar van het Woord van God, is door dr. Aalders het volgende gezegd:
Wij kennen ds. Gravemeyer vóór alles als dienaar des Woords, verbi divini minister. En daarom willen wij daar ook de nadruk op leggen. Van het begin af heeft zijn eerste vrouw in een homiletisch schrift nauwkeurig aantekening gehouden van zijn preken. Zo staat aan het begin de tekst van de eerste preek in zijn eerste gemeente Giessen-Oudekerk. Het is Hebreeën 6 vers 19: „Haar (de hoop) hebben wij als een anker der ziel, dat veilig en vast is, en dat doorgaat tot binnen het voorhangsel, waarheen Jezus als voorloper voor ons is binnengegaan”.
Van die preek zijn ook de hoofdpunten opgetekend. Achtereenvolgens kwam erin aan de orde: de schipbreukeling, het anker en de ankergrond, de redding. Het lijkt mij, dat ik het meest in de geest van deze prediker blijf, als ik mij aan die tekst en die tekstverdeling houd, en zo het licht van 't Evangelie over zijn en ons aller leven laat schijnen.
De schipbreukeling is het beeld van de mens, zoals hij in deze tekst naar voren komt. Daar is geen glorie en heerlijkheid meer bij. Geen vaste grond meer. Hij is in doodsgevaar. Wij worden herinnerd aan Psalm 42: „'k Zucht, daar kolk en afgrond loeit, daar 't gedruis der waat'ren groeit, daar Uw golven, daar Uw baren mijn benauwde ziel vervaren!" En aan Psalm 38: „Heer, ik voel mijn krachten wijken en bezwijken. Haast U tot mijn hulp en red, red mij, Schutsheer, God der goden, troost in noden, grote Hoorder van 't gebed!" De schipbreukeling ervaart iets van het oordeel, het gericht. Iets van de zondvloed! Alle menselijke, wereldse zekerheden vallen weg; ontzinken hem. Wie is de mens in dat gericht? Wat houdt hij over in dat gericht? Niets dan zijn armzaligheid, zijn ellende, zijn levensschuld!
Mag en moet ik nu niet zeggen, dat wat in deze vroege preek tot de gemeente gezegd werd, in het persoonlijke leven van de prediker Gravemeyer hoe langer hoe dieper een eigen ervaring werd? Hoe opvallend was het, dat hij bij het ouder worden de behoefte had om alle glorie en heerlijkheid af te leggen!
En hij heeft de glorie en heerlijkheid gekend! De glorie en heerlijkheid van de jeugd, van het student-zijn, van de mannelijke kracht. De glorie en heerlijkheid van het ambt als geliefde prediker in Den Haag en als secretaris van de synode. De glorie en heerlijkheid van de wereldse erkenning van zijn moed tegenover de bezetter in de zware oorlogsjaren.
Maar God heeft hem laten zien, dat het alles niets is, omdat het voor Hem niet kan bestaan. Ja, dat de waarheid van ons mens-zijn is, dat wij schipbreukelingen zijn in de wateren van het gericht. En wat betekent voor een schipbreukeling wereldse glorie en heerlijkheid? Hij zoekt iets anders: dat hij gered wordt! Heel persoonlijk en heel elementair: dat hij in zijn nood redding vindt!
En zo kom ik tot het tweede van de preek over Hebreeën 6 vers 19, namelijk het anker en de ankergrond. „Wij hebben een anker der ziel, dat veilig en vast is". Het anker is 'n middel om in de nood vastheid en zekerheid buiten onszelf te verkrijgen. En de vorm van het anker is als twee uitgestrekte armen en als een kruis! Dat anker moet buiten het schip geworpen worden, net als Jona de profeet. Geworpen in de kolkende wateren! En dan zinkt het weg in de bodemloze, duistere diepten. In de dood!
Is Christus aan het kruis niet zó in de diepe wateren van het gericht geweest? Heeft Hij niet gezegd: „Ik moet met een doop gedoopt worden, en hoe beklemt het mij tot het volbracht is"? Is Hij niet nedergedaald ter helle, dat wil zeggen: in onuitsprekelijke benauwdheid, smart en verschrikking?
Ja, het anker wordt buiten het schip geworpen, en dat ter wille van de schipbreukelingen, die in nood zijn. Het zinkt weg in bodemloze, duistere diepten; in modder en slijk. Maar zó komt het in de ankergrond der genade, en vindt het vastheid en zekerheid. Eerst is er: „sterk geroep en tranen, gebeden en smekingen, angst en lijden". Maar dan is er de ankergrond: „Het is volbracht!" En: „Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn Geest!" Door de donkere wateren van het gericht heen bereikt Hij de verzoening en verlossing. „En zó is Hij voor allen, die Hem gehoorzamen, een oorzaak van eeuwige zaligheid geworden”.
Mag en moet ik nu niet zeggen, dat ook dit alles voor de prediker Gravemeyer een steeds heerlijker, persoonlijker waarheid is geworden? Christus het anker, de genade de ankergrond. Vandaar zijn voorliefde voor het lied: „Jezus, Uw verzoenend sterven blijft het rustpunt van ons hart!" Hoe ouder hij werd, hoe nadrukkelijker en beslister hij alles afwees, wat niet „alléén Christus" was.
Dáárom kon hij in de laatste jaren en in zijn grote liefde voor de kerk zo ongerust over haar zijn. Ongerust omdat hij in allerlei symptomen en uitspraken bespeurde het afwijken en loslaten van dit anker en deze ankergrond. Men heeft hem daarbij vaak zijn felheid verweten. Maar hoe kan iemaind, die de ervaring kent van het schipbreukeling-zijn, èn de ervaring van Christus als het anker, anders dan in hartstochtelijkheid daarvan getuigen!? Evenals de apostel Paulus is het hem onverdragelijk, dat er een „ander Evangelie" gepredikt wordt.
En nu kom ik tot het laatste punt van die preek over Hebreeën 6: de redding. Wij spraken over de situatie van de schipbreukeling. En over het anker, dat in de nood van het gericht uit het schip geworpen wordt voor de schipbreukelingen. Het anker, dat in het gericht ons vastheid en zekerheid buiten onszelf geeft in de genade.
Maar daar moet nu nog dit aan toegevoegd worden: dat de redding in het anker en in de ankergrond er alléén is, als het schip en de schipbreukeling aan het anker vastzitten. Zou die verbinding er niet zijn, dan zou alles nog vergeefs zijn! En wat is die verbinding anders dan het geloof, gewerkt door de Heilige Geest? Wat betekent het „Christus alléén", als het niet vergezeld gaat van „het geloof alléén”?
En nu mag en moet ik het hier ook niet verzwijgen, dat bij het ouder worden van ds. Gravemeyer het werk van de Heilige Geest een steeds groter accent heeft gekregen. En dat zó het genade-werk zich voor hem verinnigd heeft. Ik mag het in deze kring uitspreken, dat het heerlijke werk van de Heilige Geest, dat is: van de persoonlijke toepassing, de dominant van zijn oude dag is geweest. De Heilige Geest is het geweest, die deze „leeuw van de kerk", zoals hij wel eens is genoemd, steeds teerder, steeds gevoeliger, steeds kinderlijker heeft gemaakt. Als er iemand is, die daarvan kan getuigen, dan zijn vrouw, omdat zij weet van zijn binnenkamer, zijn gebed, zijn verborgen omgang met God.
Het is geen geringe zaak, als de Heilige Geest in de raderen van ons leven komt! Het leven wordt er waarlijk niet gemakkelijker door. Maar wel dieper en waarachtiger. Men wordt ontdekt aan zonden en aan schuld, waar men voorheen geen gezicht op had. Men ervaart in wroeging, zuchten en pijn de afbraak van de oude mens. Men wordt steeds kleiner, steeds afhankelijker, steeds armer, steeds meer bedelaar. Maar óók, — Christus wordt steeds groter en de genade steeds heerlijker! Want de Geest doodt de werkingen van het vlees, en vernieuwt daarin van dag tot dag de innerlijke mens.
En dat is dan de redding! Want gered worden betekent: de zaligheid buiten zichzelf alléén in Christus vinden door de Heilige Geest.
Er is in de vorige eeuw een zeer gelovige schrijver geweest, die in diepe ernst zich de vraag stelde: „Kunnen dominees wel zalig worden? " Men moet aan den lijve de gevaren van het ambt gekend hebben, om de klem van die vraag mee te voelen. Hoe gemakkelijk wordt in het ambt de kerk een zakelijk bedrijf; de prediking een mechanisme; het Evangelie een boodschap, waar men zèlf buiten staat! En hoeveel groter is dat gevaar, als men tot bijzondere ambten geroepen wordt! Ik ben geneigd om te zeggen, dat theologen en predikanten een bijzondere genade-werking behoeven, om zèlf behouden te worden door het Evangelie, dat zij prediken.
Als wij nu in iemands leven iets van die bijzondere genade gezien hebben, dan in dit leven van deze prediker! Nadat ds. Gravemeyer als emeritus-predikant zijn ambtskleed had afgelegd als eertijds Aaron, heeft het de Here God behaagd om nog een heel particuliere weg, met hem te gaan. Een weg, waarop hij op zeer persoonlijke wijze de woorden van Hebreeën 6 vers 19 zich leerde toeëigenen. Een weg, waarop hij dieper dan ooit tevoren het Evangelie particulier leerde verstaan. Daarom voegt het ons niet, hier breed uit te weiden over menselijke glorie en heerlijkheid. Maar wèl, en dat zeer nadrukkelijk en in grote dankbaarheid, de genade te prijzen van Hem, die de goddeloze rechtvaardigt!
Geen geloof of hervormd
In de bekende rubriek „Terzijde" in „In de Waagschaal" attendeert dr. J. J. Buskes op een verschijnsel, dat wel niet van vandaag of gisteren is, maar zich toch in vele plaatsen hoe langer hoe meer openbaart. En het betreft dan niet alleen de grote steden. Het aantal plaatsen dat met een groeiend getal leden zit, die nagenoeg niet meer meeleven, wordt steeds groter. Dr. Buskes schrijft het volgende:
Toen ik nog ziekenhuispredikant was, zat ik eens in het Binnengasthuis op een grote zaal bij een zieke. Naast hem lag een man uit Noord-Holland boven het IJ. Een aardige en vriendelijke man. Hij werd door zijn medezieke in het gesprek betrokken en hij liet er zich zonder enige reserve in betrekken. Toen hij ontdekte, dat ik een dominee was, zette hij echter zijn Noord-Hollandse stekels op en zei: „Voor mij hoeft het niet meer, ik ben niks, ik ben hervormd". Dat is dan één van de donkere aspecten van de volkskerk: ik ben niks, ik ben hervormd!
Zo’n uitlating is geen uitzondering.
Hoe vaak heb ik Amsterdammers, als het zo in het gesprek aan de orde kwam, horen zeggen: „Ik hoor bij de kerk van de Dam, maar ik heb de Nieuwe Kerk nog nooit van binnen gezien" of: „Ik ben hervormd, maar heb er nooit misbruik van gemaakt”.
In het Orgaan van de Vereniging voor Dierenbescherming stond aan het einde van het vorige jaar deze advertentie: „Jongeman, 29 jaar, natuurliefhebber, Noord-Holland, zoekt kennismaking met een eenvoudig sportief meisje tot plm. 27 jaar, geen geloof of Ned. Hervormd”.
Wat wilt u: een natuurliefhebber en een Noord-Hollander, op zoek naar een eenvoudig sportief meisje. Het sommetje is gemakkelijk op te lossen. Telt u maar op:
Noord-Holland, natuur en sport! Op zoek naar het lieve kind heeft hij nog heel even aan „godsdienst" gedacht. Toch maar liever niet: geen geloof! En, als het dan niet anders kan, dan maar: Ned. Hervormd!
Het zal wel een geboortelid zijn.
Met de rooms-katholieke professor Schillebeeckx ben ik wat huiverig om een absolute tegenstelling tussen vrijwilligheidskerk en volkskerk te maken en zonder meer voor de vrijwilligheidskerk te kiezen. Het wordt zo gauw een elitekerk. We lopen zo gemakkelijk gevaar, de universele heilswil van God te vergeten. Een kleine vrijwilligheidskerk is ook niet zonder meer de bevrijdende oplossing van het kerkelijk vraagstuk. Maar zonder meer kiezen voor de volkskerk heeft toch ook zijn bezwaren.
Ik ben niks, ik ben hervormd!
Geen geloof of hervormd!
Dat zijn toch wel alarmsignalen.
Inderdaad, verontrustend en alarmerend! Evangeliesatiecommissies, wijkbezoekers en kerkeraden weten er van mee te praten. De schrijver van „Terzijde" plaatst boven zijn artikeltje als opschrift: Vrijwilligheidskerk of volkskerk? Men kan m.i. bezwaar maken tegen het woord „vrijwilligheidskerk": Wat moet ik daar onder verstaan? Wat is bedoeld met die vrijwilligheid? Wat betekent het dan nog geboren te zijn op het erf van het Verbond? En de typering „volkskerk" is ook nogal moeilijk te plaatsen. Ook in dat opzicht heerst nogal wat spraakverwarring.
Maar de bedoeling van dit stukje is wel duidelijk. Kerklid zijn is geen vrijblijvende zaak. Daaraan herinnert ons juist het Verbond van God. „Wij worden door de Doop vermaand en verplicht tot een nieuwe gehoorzaamheid". En wij mogen de problematiek van de geboorteleden niet verdoezelen door een eenzijdige Verbondsbeschouwing. De prediking en de catechese, het huisbezoek en het evangelisatiegesprek zullen toch steeds weer moeten doorstoten tot de vraag: „Zijn wij levende leden van de gemeente van Jezus Christus? ”
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 maart 1970
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 maart 1970
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's