BOEKBESPREKING
Uitzicht op Morgen, A. M. de Moor-Ringnalda, geb., 415 blz., prijs ƒ 15,90, Kok, Kampen.
Mevr. De Moor laat vanaf 1860 een drietal generaties passeren. Zij begint op een dorp in het noorden van ons land en eindigt bij een grote familiereünie in één van de villa's te Wassenaar, waar de derde (de huidige) generatie bijeen is. De stamvader — rijk en despotisch — onterft zijn zoon, die uit roeping predikant wordt. Veel predikanten zijn uit dit geslacht voortgekomen.
Het eerste deel (De Breuk) verhaalt ons de worsteling van de grootvader in zijn predikant zijn. Hij gaat met de Doleantie mee en staat midden in deze bruisende tijd. Het tweede deel (Wereldmachten) tekent ons de kinderen voor en rondom de tweede wereldoorlog. Het derde deel (Stroomversnelling) laat ons de kleinkinderen zien in de branding van deze tijd.
De schrijfster weet met talent ons de figuren en hun tijd te tekenen. Ge leest het geboeid van het begin tot het eind.
Het boek geeft vooral een vrij nauwkeurige registratie van het ontstaan, de ontwikkeling van de Ger. kerken. Natuurlijk komt de Herv. Kerk ook één en andermaal ter sprake.
Wij zitten in dit boek op de vergaderingen rondom de Doleantie, rondom het conflict Geelkerken, rondom de Vrijmaking, rondom de 18, enz. enz. Er gebeurt stormachtig veel in dit boek. Zoveel, dat ge u wel eens afvraagt: Kan dit allemaal?
Wij kunnen u dit boek hartelijk aanbevelen. Niet, omdat wij het in alles eens zijn met het weergegevene. Maar de schrijfster houdt niets achter. De grandeur èn de misère worden ons levensecht getekend. M.i. wordt in dit verhaal echte vreze Gods, verbondsoppervlakkigheid, en „nozemvroomheid" veel te ongenuanceerd naast elkaar gezet. Om misverstand te voorkomen: deze uitingen zijn er, maar zij worden met een bepaalde tendens bij elkaar gezet. En deze tendens is eenzijdig door mij geformuleerd: de hemel kan haast deze kinderen en kleinkinderen niet ontgaan.
’k Mis er in: het diep buigen voor de soevereiniteit Gods in en voor het nageslacht. Er is niet alleen de verbondszegen, maar ook de verbondswraak.
Zoals zo vaak (het is niet alleen in de Ger. Kerken te signaleren) weten de kleinkinderen niet meer wat wedergeboorte is uit de Heilige Geest. Vandaar de verwereldlijking van het heil aan het einde van dit boek.
Deze opmerkingen bedoelen de lezers te helpen dit boek, dat aangrijpende gedeelten bevat, te lezen. Men leze en oordele zelf.
De uitgever Kok heeft het keurig uitgegeven.
Dr. E. W. Dijk: Zelfverdediging van de gelovige, psychologische overwegingen. Kamper cahiers nr. 10, Kok, Kampen, 1969.
Dr. Dijk, klinisch psycholoog aan de psychiatrische inrichting Dennenoord te Zuidlaren en docent psychologie aan de Theologische Hogeschool te Kampen, geeft in deze brochure zijn overwegingen weer t.a.v. de rol, die de zg. afweermechanismen spelen in het kader van de zelfverdediging van de gelovige. Het gedragspatroon van de gelovige valt z.i. onder de loup van de psycholoog en het kan verhelderend werken de visie van de afweermechanismen toe te passen op het gedrag van de gelovige, als hij bezig is zichzelf te verdedigen. De auteur behandelt dan onder meer 1. de projectie (men kent aan iets of iemand anders eigenschappen en gevoelens toe, die uit eigen voorstellings-en belevingswereld afkomstig zijn); aan de orde komt hier o.a. de vraag, of er ooit sprake kan zijn van objectiviteit (waarneming is fenomenologisch gesproken selectie); heeft de God-is-dood-theologie ons de laatste tijd niet van veel projecties over God en Zijn dienst afgeholpen? ; uit veel „verontruste" ingezonden stukken in het dagblad Trouw bv. blijkt, hoezeer men bevooroordeeld en haast zonder zelfcritiek inzake geloofsaangelegenheden projecteert. 2. Overdekking door het tegendeel (datgene, wat ons verontrust of dwars zit, wordt onschadelijk gemaakt of gecompenseerd door 't tegendeel ervan na te jagen); vandaar ketterjacht bv., omdat men geen ruimte wil laten voor twijfel of gebondenheid aan de situatie; de schrijver spreekt in dit verband over „afschuwelijke schrikverhalen over masturbatie, over de droeve kerkelijke vertoningen rond het gedwongen huwelijk en met name over de morele dwang inzake geboorteregeling". 3. Rationalisatie (het overal een verklaring voor willen hebben, het recht praten, wat krom is); op deze wijze speelt volgens dr. Dijk bv. de verdediging van de historiciteit en letterlijkheid van Gen. 1-3 een rol. 4. Isolering van het effect (remming van het gevoelsleven, waardoor men aan het leven deelneemt zonder de daarbij passende emotionele reacties); de onchristelijke en kwasivrome houding van het zg. gewoonte-christendom wordt hier onder de loup genomen. 5. Verdringing (waardoor impulsen, verlangens, enz. uit 't bewustzijn geweerd worden, omdat zij voor 't individu op enigerlei wijze onaanvaardbaar zijn; struisvogelpolitiek); er is bv. verdrongen geloof, zich uitend in een rancuneuse houding t.a.v. alles, wat met geloof te maken heeft, voortkomend uit het feit, dat men vroeger in zijn twijfel en opstandigheid niet serieus genomen is. Kortom: afweermechanismen zijn soort oogkleppen, die de gelovige zonder dat zelf goed te beseffen, onder meer uit vrees anders 't rechte spoor bijster te raken, heeft opgezet
Wij begrijpen en waarderen het, dat ons in deze psychologische overwegingen een handreiking wordt gegeven om veel gewichtigdoenerij, krampachtigheid en zelfhandhaving onder de aanhangers van het christelijk geloof te ontmaskeren. Als zodanig is deze studie diep ontdekkend. Toch bergt een dergelijke benadering van de gelovige mens in zijn zelfverdediging een enorm gevaar in zich. Het gaat hier nl. om de toepassing. Uit allerlei practische voorbeelden, die de schrijver geeft, blijkt, dat hij er een openbreken van de vaak verstarde posities van het Christendom mee op het oog heeft. Op zichzelf een goede zaak. Als we dan echter van de weeromstuit maar niet weer belanden in de cultus van de twijfel en de relativiteit. Wij vrezen, dat de wisselende situatie van het menszijn en het moderne levensgevoel een hartig woordje meespreken in de overwegingen van de schrijver. Is er ook niet een zelfverdediging van de gelovige, zoals in de Psalmen en zoals we die bij Paulus tegenkomen in zijn verantwoording voor de Joden en de Rom. stadhouders? Waar liggen practisch en principieel de grenzen tussen de apologie als verdediging van het christelijk geloof en van de Bijbelse normen voor het christelijke leven (inclusief de gereformeerde levensstijl) en de zelfverdediging van de gelovige door de afweermechanismen? Wanneer de schrijver zich in het verlengde van zijn als zuiver psychologische overwegingen aangediende opmerkingen ook uitspraken veroorlooft bv. over het gedwongen huwelijk en de exegese van Gen. 1—3 treedt hij duidelijk binnen op het terrein van de Bijbels-ethische en exegetisch-dogmatische vragen. Moge vroeger de theologie gemeesterd hebben over bijna elke tak van wetenschap (leefde men vandaag trouwens maar meer bij het licht van de „sol iustitiae", de zon der gerechtigheid), meer te duchten is het gevaar, dat wij ons tegenwoordig al te gewillig de les laten lezen door sociologie en psychologie. Het zg. „relaterend" denken acht ik in ieder geval de dood in de pot in velerlei opzicht.
Het zou de moeite waard zijn om vanuit de Schrift duidelijk te maken, dat men in de worsteling met God, waarin men in het reine komt met zijn zielsconflicten, tot een zelfverdediging komen kan, die verdacht veel lijken kan op de psychologisch gesignaleerde zelfverdediging van deze brochure, maar die het dan toch net niet is, omdat de Schrift en de ware gelovige een duidelijker Godsbeeld bezitten dan wij vermoeden, dat ons in het zg. relaterend denken gelaten blijft. Prof. Kuitert in zijn uitspraken over de tijdgebondenheid van de heilige Schrift en de tijdgebondenheid van de uitleg van de heilige Schrift, is zelf meer tijdgebonden dan hij en velen met hem vermoeden zullen.
Hoog bezoek, door ds. D. K. Wielenga J. D.zn. Uitg. Bolland, v. h. H. A. v. Bottenburg, Amsterdam 1968, 168 blz. Prijs ƒ 9,50.
De titel van dit boek is een even korte als juiste aanduiding van de gehele inhoud. De ondertitel luidt: „Over het komen Gods ter verlossing van Zijn wereld”.
De schrijver begint met Art. 17 N.G.B. te citeren, waarin gezegd wordt, dat God Zichzelf begeven heeft om hem (de gevallen, ellendige mens) te zoeken, toen deze al bevende voor Hem vlood. Dat komen van God om de mens te zoeken en te bezoeken, met als einddoel om weer bij de mens zelfs te wonen heeft de schrijver getroffen en vormt het thema van zijn boek. Hij kiest uit het Oude- en daarna uit het Nieuwe Testament verschillende momenten, waarin de heerlijkheid en de betekenis van dat „hoog bezoek" bijzonder duidelijk spreken. Het blijkt telkens een wonder te zijn, een wonder van genade, met als grondslag de verzoening, die in Christus Jezus is.
De behandelde pericopen betekenen een keuze uit vele andere, die mogelijk waren. Ik meen, dat zijn keus over het algemeen een gelukkige is, vooral die uit het Oude Testament. Daarbij is een grote plaats ingeruimd voor die ogenblikken, waarop God verschijnt aan Mozes (de doornbos, op Horeb, als de Barmhartige en Getrouwe ook na de zonde met het gouden kalf), en in 't bijzonder in verband met de schaduwdienst der verzoening. De schrijver maakt hier vele waardevolle opmerkingen, Schrift met Schrift vergelijkende. Het hoofdstuk over het hoog bezoek van de God van Israël in Zijn eigen huis (tabernakel, tempel) sprak mij persoonlijk bijzonder aan.
Na nog enkele opvallende plaatsen uit de profeten Ezechiël (11 : 23, waar sprake is van een afgebroken bezoek van een jaloers God en 43:1—5, waarboven staat: het hernieuwd bezoek van de Ontfermer), Haggaï en Zacharia, komen verschillende momenten uit de volheid des tijds aan de orde. In Lucas 1 : 78 vertaalt ds. Wielenga „de Spruit uit de hoogte" i.p.v. de Opgang uit de hoogte. Zacharias zou niet aan Mal. 4 : 2, maar aan Zach. 6 : 12 e.a. gedacht hebben. De verder gekozen illustraties van het bezoek van de Vader onzes Heren Jezus Christus vormen Lucas 2:9 (de herders); 9:28— 31, 34—36 (de verheerlijking); 24 : 36-43 (de elve); Hand. 1 : 9 (Hemelvaart) en Hand. 2 : 3 (Pinksteren).
Het grote geheel tussen komst en wederkomst des Heren wordt gezien van uit Titus 2 : 11—14, waarbij, in verband met de Griekse tekst, het komen Gods samengaat wordt met het woord „epiphanie" (verschijning). Er staan in dit hoofdstuk bijzonder mooie opmerkingen.
Het „bezoek” loopt inderdaad uit op het „wonen" van God bij Zijn volk. De lijnen worden doorgetrokken naar de Openbaring, waarin de volle vervulling komt van de Immanuël-profetiën van Jesaja 7—12.
Driemaal heeft dit boek een korte overdenking van een psalmwoord. Aan het begin over Psalm 8 met z'n verwonderd: wat is de mens... dat Gij hem bezoekt. Bij de overgang van Oud- naar Nieuw Testament Ps. 106 : 4 met de bede: bezoek mij met Uw heil; en aan het slot Psalm 72 : 18, 19 — de lofzang. Verwondering, gebed en lofzang, dat zijn de reacties van degenen, wie het Hoog Bezoek geldt. Graag had ik deze motieven, die op zichzelf uitstekend gekozen zijn, wat breder en dieper uitgewerkt gezien. Ook had ik in de gang van de grote heilsfeiten graag een aparte plaats ingeruimd gezien voor het kruis. Ook daarin is toch het komen Gods. Niet als een soort Theopaschitisme, maar wel in de zin van 2 Cor. 5: „Want God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende”.
Als Praeludium, Interludium en Postludium plaatst de schrijver enkele gedichten van Guido Gezelle, terwijl het eindigt met Willem de Merode's bekende: Veni Creator: „Verlosser, kom! de wereld-wacht!”
Ondanks enkele, bemerkingen is „Hoog Bezoek' een boek, dat ik gaarne zou willen aanbevelen, omdat ons inzicht in de Schrift er door verrijkt wordt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 april 1970
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 april 1970
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's