GEEN KOEKOEK-ÉÉN ZANG
II
In een vorig artikel hebben we aandacht besteed aan de eerste twee hoofdstukken van de agenda van de A.K.V. Ze handelen over het geloof van de kerk en over de opdracht en de taken van de kerk.
In het derde hoofdstuk komt de interne situatie van de kerk aan de orde. Gezegd wordt dat er diepe verontrusting is over het feit dat de vormgeving van de kerk nu volkomen onvoldoende is om de arbeid aan te kunnen. In dit verband komen zes punten aan de orde, namelijk het ledenbestand, de grenzen van de gemeente, de ambtelijke vergaderingen, de mankracht, de gebouwen en de financiën.
Wat het ledenbestand betreft wordt onder meer gesteld dat de geboorteleden dienen te worden afgevoerd, maar ook dat ruimte geschapen moet worden voor sympathiserende leden, die geen belijdenis willen doen. Een andere suggestie is dat de kerk geen onderscheid maken mag tussen lidmaten en geboorteleden. Verder wordt opgemerkt dat iedere vijf jaar de belijdenis des geloofs moet worden vernieuwd.
Ten aanzien van de grenzen van de gemeente wordt gepleit voor een totale herverkaveling. Er moet ruimte komen voor mentale, modale en categorale structuren. Schaalvergroting is nodig. Er dient een eind gemaakt te worden aan de autonomie van de plaatselijke gemeente. De modaliteiten in de kerk moeten er blijven, ze dienen zelfs royaal te worden erkend. Aan de positie van de minderheidsgroepen in de gemeenten moet dan ook meer aandacht worden besteed. Bepalingen over de buitengewone wijkgemeenten moeten in de kerkorde opgenomen worden en niet in de overgangsbepalingen.
Inzake de ambtelijke vergaderingen wordt gezegd dat de gemiddelde leeftijd van de afgevaardigden drastisch omlaag moet. Er moet ook meer inspraak zijn van de lidmaten. Het aantal organen van bijstand moet worden verminderd. Ook niet belijdende lidmaten moeten voor afvaardiging in aanmerking komen. De verkiezing van afgevaardigden naar de generale synode moet plaats vinden volgens evenredige vertegenwoordiging, gelet op de verdeling van de Hervormden over ons land. Er dient een jongeren synode te komen als schaduwparlement. Secretarissen van de synode mogen niet voor hun leven worden benoemd.
In de paragraaf over de mankracht wordt onder andere opgemerkt dat de rol van niet-predikanten zoals jeugdwerkleiders, vormingsleiders etc. moet worden uitgebreid en dat veel meer gebruik moet worden gemaakt van de werkkracht van de vrouw. Wat dit laatste betreft wordt gepleit voor een verplicht aantal zetels in commissies en ambtelijke vergaderingen. Gezien het feit dat we naar een situatie toegroeien — aldus de agenda — waarin het schijnt dat de predikant het laatste „bolwerk" is dat valt, moeten andere vakkrachten te hulp worden geroepen zoals sociologen, pedagogen. Er moet verder ruimte worden geschapen voor leken om het Woord te bedienen. Over het beroepingswerk wordt gezegd dat predikanten per advertentie geworven moeten worden, dat er zakelijke contracten moeten worden gemaakt voor de predikanten met wederzijdse opzeggingstermijn en dat roulatie verplicht moet worden gesteld.
In het paragraafje betreffende de financiën wordt gezegd, dat de autonomie van de plaatselijke gemeente de grootste belemmering is voor de noodzakelijke financiële reorganisatie. Het beheer van de goederen dient te worden gecentraliseerd. En er dienen regionale en financiële eenheden te worden gevormd van rijke en arme gemeenten.
Als we deze suggesties bezien dan zijn er ongetwijfeld incidentele voorstellen die ons uit het hart gegrepen zijn. Bijvoorbeeld de vermindering van het aantal organen van bijstand, de verplichte periodieke aftreding van de secretaris generaal van de synode, en de evenredige vertegenwoordiging in de synode naar het aantal Hervormden in een bepaald gebied. Om alleen dit laatste maar te nemen, als we bedenken dat momenteel èn de classis Gorinchem èn de classis Edam elk een gelijke stem in de synode hebben, dan worden in de huidige situatie de werkelijke verhoudingen wel danig scheef getrokken. Een derde deel van de Hervormde kerk behoort tot de Gereformeerde Bond. Dat wordt zelfs in het pas verschenen boekje over de A.K.V. (uitgave Bosch en Keuning) gezegd. Maar hoe is het op de synode? Daar is het aantal Geref. Bonds afgevaardigden ongeveer één zevende.
Maar het gaat er niet om of we ons met een aantal incidentele suggesties kunnen verenigen. De zaak is dat de gedane suggesties nergens in een bepaald kader staan. Over de functionering van de kerk wordt gesproken als over een bedrijf. Met technische, economische en organisatorische middelen wil men de problemen te lijf. Maar de kwaal zit dieper. Een kerk die haar geloof uitsluitend nog weet te formuleren in politieke, maatschappelijke en intermenselijke termen, is als het er op aan komt aan de verpulvering prijsgegeven. Daar wordt het ambt een functie, de prediking een verhandeling over maatschappelijke onderwerpen en de gemeente een vereniging. Is het wonder dat daar de gemeenten inkrimpen en de roepingen tot het ambt sporadisch worden?
Het mag in dit verband wel opvallend genoemd worden dat het aantal candidaten tot het ambt van dienaar des Woords in de gereformeerde sector van de Hervormde kerk relatief stijgt. Opnieuw staat thans een aanzienlijk aantal candidaten op het punt om, zo God het wil, intrede te doen in hun eerste gemeente. Dat is bij alles wat ons bezorgd maakt een verblijdende zaak. Dat nog zovelen in deze tijd van devaluatie van het ambt de begeerte hebben om de gemeente met het Woord Gods te dienen in prediking, zielzorg en catechese mag wel eens uitdrukkelijk worden gememoreerd. Want daar ligt de kracht van de kerk. Daar zal het ook nu van moeten komen. Hoeveel trouwe pastores gaan zonder ophef hun gang door de gemeenten. Zonder dat woorden als apostolaat medemenselijkheid en dergelijke uitgeschald worden, wordt door velen dagelijks gestalte gegeven aan een stuk dienstbetoon van onschatbare waarde. Rondom het centrale van de Woordverkondiging wordt gewerkt in allerlei facetten van het gemeentelijk werk. En daar waar dit vanuit het wezenlijke van de roeping gebeurt mag gelukkig ook nog de bindende kracht van het Woord zichtbaar worden. Dat blijkt in vele plattelandsgemeenten. Maar niet minder in stadssituaties. Zonder hier concreet te worden zouden we willen zeggen dat er ook nu nog in vele situaties een bindende kracht en een wervend element zit in de voluit gereformeerde prediking. De gereformeerde prediking is als het er op aankomt de enige prediking waarin de relatie tussen God en mens ernstig genomen wordt. En dat is merkbaar in de gemeente.
De vraag is of er voor dit alles nog zicht is. In de agenda worden vele dingen losgewoeld om het functieverlies van de kerk te ondervangen. Maar nergens blijkt dat er nog enig besef is van de noodzakelijke wisselwerking van Woord en Geest in de gemeente. Het geheel van de agenda is zo nameloos vlak, zo alledaags, zo weinig doortrokken van een geestelijke aanzet. Maar dat kan ook niet anders. Dit hoofdstuk is geschreven na het hoofdstuk over het geloof van de kerk, waarin we diezelfde vlakheid en horizontaliteit moeten signaleren. De volmacht van de ambtelijke prediking is buiten het vizier gekomen.
We kunnen niet anders zeggen dan dat het net aan de verkeerde kant wordt uitgeworpen. Kerkherstel is geen zaak van reorganisatie, van verandering van structuren en van practische maatregelen. Kerkherstel is een zaak van reformatie, van een réveil. Waar de prediking niet geestelijk meer is, verschraalt de gemeente, verdwijnt ook de kennis van God en Zijn Woord. Van Hoedemaker is het woord: samen ziek, samen gezond. Op die uitspraak zal wel wat zijn af te dingen. Maar één ding is zeker, onze kerk is ziek en heeft genezing zo bitter hard nodig. Ze is rnachteloos geworden om voluit kerk van het Woord te zijn. Ze wordt verscheurd door innerlijke tegenstellingen. De diverse modaliteiten zijn evenzo-, vele aanklachten tegen haar. En als we dan in de agenda lezen dat de verschillende modaliteiten royaal erkend moeten worden, dan wordt zó van een schrijnende nood een deugd gemaakt. Dan wordt de breuk van de kerk op het lichtst geheeld.
Is Christus gedeeld?, vraagt Paulus. De kerk is naar de belijdenis een vergadering van ware christgelovigen, al hun heil en zaligheid van Christus verwachtende. Dat is iets anders dan een optelsom van modaliteiten en richtingen, die in feite stoelen op verschillende wortels des geloofs. En als we dan ook nog lezen dat tot die kerk behoren diegenen die wel sympathiseren met de kerk maar geen belijdenis willen doen, en er zelfs bij gezegd wordt, dat voor zulken afvaardiging naar de ambtelijke vergaderingen mogelijk moet zijn, dan blijkt hieruit wel overduidelijk hoe de kerk hoe langer hoe meer een hotel-kerk dreigt te worden, waarin elk zo op zijn eigen wijze bezig is. Maar de kwaal zal alleen maar erger worden.
Over het paragraafje betreffende de financiën zullen we hier niet veel zeggen. Ds. K. Exalto zal deze kwestie afzonderlijk bespreken, onder andere naar aanleiding van een artikel van prof. Van Beusekom in het blad voor de kerkvoogdijen, waarin hij de noodklok luidde over de financiën. Wel willen we hier nog eens ophalen wat ds. L. J. Geluk laatst schreef, namelijk dat de Gereformeerde Bondsgemeenten wel zo goed mogen zijn om bij te dragen in de kosten voor deze A.K.V., zoals dit trouwens ook het geval is voor allerlei andere takken van werk, waartegen wij hartgrondige bezwaren hebben. Deze zaak zal meer onze aandacht moeten hebben. Het is geen onbelangrijke zaak wat er met het geld van de gemeente gebeurt. De Hervormd Gereformeerde gemeenten dragen in niet onaanzienlijke mate bij tot het totale budget van de kerk. In bepaalde sectoren van het kerkelijk werk is deze bijdrage zelfs onevenredig hoog.
We besluiten dit artikel met enkele opmerkingen over hoofdstuk IV van de agenda, waarin de vraag aan de orde komt wat er gebeuren moet met de door de A.K.V. geformuleerde inzichten. De suggestie wordt gedaan dat de synode regelmatig, dat wil zeggen om de twee of drie jaren, een A.K.V. moet uitschrijven. Hier komt ten volle aan het licht wat we gevreesd hebben en waarom we de A.K.V. ook hebben afgewezen. De kerk dreigt toe te groeien naar een nieuwe overleg structuur die naar onze vaste overtuiging afbreuk doet aan haar presbyteriaal karakter. Prof. Van Niftrik schreef in Kerk en Theologie dat hij er niet zeker van is of dit geval een kerkvergadering genoemd mag worden. Het tam-tam hierover in Hervormd Nederland beviel hem dan ook niet. We willen hier een dikke streep onder zetten. Gezien de ontwikkelingen kunnen we niet zeggen dat we spijt hebben van onze beslissing om niet mee te doen, integendeel. Ook al zijn er, naar de agenda zegt, veel spijtbetuigingen binnengekomen dat de Gereformeerde Bond niet meedoet, we willen niet meewerken aan het losmaken van een lawine. Als deze lawine toch over ons komt, dan geve God dat de gemeenten weerbaar mogen zijn, door de kracht van de Heilige Geest. Daarom mag het gebed voor de kerk wel een aangebonden zaak zijn. Want het gaat om de kerk, die wij als planting Gods in deze landen belijden, en die wij ondanks alles zo van harte liefhebben.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 april 1970
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 april 1970
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's