De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

16 minuten leestijd

Belijden vandaag

In het Geref. Weekblad is een discussie gaande tussen de hoogleraren Kuitert en Ridderbos over de problematiek van de nieuwe belijdenis in onze tijd. Prof. Kuitert had in het blad Voorlopig er op gewezen dat we met een „opknapbeurt" ten aanzien van de oude belijdenisgeschriften niet klaar zijn. We citeren uit de weergave van prof. H. N. Ridderbos in het Geref. Weekblad van 27 februari:

„Zodra — aldus prof. K. — het gesprek zou beginnen over de verzoening, over Jezus' opstanding, over de maagdelijke geboorte of over de wederkomst van Jezus, zou de hoeveelheid meningsverschillen niet alleen groter worden, maar ook van ernstiger aard". Niet — aldus gaat hij verder — „omdat sommigen een van deze thema's niet in de nieuwe belijdenis zouden willen hebben, integendeel, maar omdat het in die nieuwe belijdenis immers om een belijden voor onze eigen tijd zou gaan. De nieuwe belijdenis zal immers niet kunnen herhalen, maar onder woorden moeten brengen wat al deze oer-thema's van het christelijk geloof vandaag voor ons betekenen”.

Aldus prof. Kuitert en hij voegt er aan toe, dat elke poging in die richting ons — misschien wel voorgoed — van de drie formulieren van enigheid zal afhelpen, omdat ze dan — alweer voorgoed — formulieren van onenigheid zullen worden. Daarom lijkt hem de weg naar een nieuwe belijdenis, ook al zou men die in het gezelschap van andere kerken willen opgaan, geen begaanbare weg.

Ridderbos is het met Kuitert eens, dat men over het opstellen van een nieuwe belijdenis niet gering moet denken. Maar Kuitert's visie roept toch vragen bij hem op.

Waarop ik nu echter in het art. van prof. Kuitert stoot en wat bij mij vragen oproept is, dat z.i. de eigenlijke moeilijkheden pas zullen rijzen, wanneer wij t.a.v. de kern-punten van het Christelijk geloof — hij noemt verzoening, opstanding, maagdelijke geboorte, wederkomst des Heren — een gemeenschappelijke belijdenis zouden willen opstellen. De kwestie is daarbij voor prof. K. niet of wij — wat hij noemt — deze oerthema's van het Christeljjk geloof nog wel zouden willen handhaven — dat wil hij zeker —, maar dat wij er wellicht niet „uit" zouden komen, wanneer we summier zouden moeten onder woorden brengen, wat zij vandaag voor ons betekenen.

De vraag, die bij mij opkomt is deze, of de inhoud van het Christelijk geloof in de kern van de zaak — want daarover gaat het toch in deze „thema's" — van tijd tot tijd in betekenis wisselt. Of bijv. geloofs-„stukken" als verzoening en opstanding vandaag een zoveel andere betekenis hebben dan weleer; en of zij, voor wat het heden aangaat, voor christenen, die bij die bijbel willen leven, een zo zeer uiteenlopende betekenis hebben, dat het onbegonnen werk zou zijn, daarvan tot een gemeenschappelijke belijdenis te komen. Mijn vraag is: wat is dan-„de" belijdenis van de kerk en wat is de kerk zelf nog waard en wat mag ik dan nog van de prediking van de kerk verwachten?

Ik denk, dat het feit, dat ik hier anders tegen aankijk dan prof. Kuitert daaruit voortkomt, dat hij in de interpretatie van al deze „oer-thema's van het Christelijk geloof" een veel wijdere scala legitieme (d.w.z. voor de kerk aanvaardbare) mogelijkheden ziet dan ik. Ik schrijf dit mede op grond van het voorafgaande nr. van Voorlopig, dat over de opstanding van Christus handelde en waarin prof. Kuitert niet minder dan twaalf verschillende interpretaties over de opstanding ter overweging aanbood. Ik bedoel daarmee niet te zeggen, dat hij zelf het met al die interpretaties eens zou zijn. Maar blijkbaar wilde hij toch zeggen: zó wordt het óók gezegd en zo kun je en mag je het ook zeggen. En als dat zo is, begrijp ik, dat wij naar zijn mening niet langer formulieren van enigheid moeten willen opstellen.

In de door Kuitert gepresenteerde interpretaties zijn ook de meest vrijzinnige opgenomen. Terecht stelt Ridderbos de vraag of we dan de meest radicale vrijblijvendheid moeten betrachten. Wat bedoelen we als we zeggen: Belijden vandaag? Dat „vandaag" mag toch geen soort autonome instantie worden, waarop men zich tegenover de betekenis die de oude belijdenis bijvoorbeeld aan de opstanding toekent, zou kunnen beroepen. Van binding aan de belijdenis blijft dan niets over, aldus Ridderbos. In kerk en prediking heerst er de grootst mogelijke variatiemogelijkheid, waarbij alleen het thema hetzelfde is. Dan is het echter met de belijdenis als kerkelijke uitspraak gedaan. „Want in die belijdenis worden niet slechts de oer-christelijke thema's opgesomd, maar wordt juist uitdrukking gegeven aan wat de kerk daaronder verstáát." Heeft de kerk dan nog wel enige toekomst, als zij zo van een gemeenschappelijke belijdenis ten aanzien van verzoening, opstanding etc. afziet. Wij willen er nog aan toevoegen dat dan toch via die veelheid van interpretaties als variaties op hetzelfde thema het „elck wat wils" de boventoon voert. Ten diepste omdat de norm en het gezag van de Schrift is weggevallen en de subjectieve weergave gelegitimeerd wordt.

Grotere variatie in het geloofsantwoord?

In het nummer van 13 maart van het GW gaat Kuitert op de bespreking van zijn artikel door Ridderbos in. Hij doet dit in briefvorm onder het opschrift: „Mag het wat zorgelozer en onbekommerder?”

Kuitert is minder bezorgd ten aanzien van het functieverlies van het kerkelijk instituut. De gemeente, die Jezus bijeenvergadert, overleeft dat wel. Het volk Gods bestaat wel voort en de Geest krijgt weer ruimte om te waaien waarheen Hij wil. M.i. wordt hier op een ongeoorloofde wijze omgesprongen met het begrip „volk Gods", een begrip dat tegenwoordig op allerlei manieren gehanteerd wordt, terwijl Kuitert bovendien een wonderlijke tegenstelling schept tussen instituut en Geest.

Wat is dan wel de zorg van de Amsterdamse hoogleraar ten aanzien van de geloofstaal. Kuitert schrijft in dit verband:

Waar ik wel aan dacht bij het schrijven van mijn beide stukken in Voorlopig is wat anders. Ik dacht eigenlijk alleen aan de schapen van de kudde — binnen en buiten de bekende stallen — die aan de belijdenis van Jezus' opstanding weinig of geen vreugde beleven, er zelfs in talloze gevallen niets meer bij denken kunnen.

Dat deze belijdenis, vandaag allerwege zo aangevochten wordt, is niet toevallig. Het hangt ermee samen — is er bijna het gevolg van — dat menigeen zich er niet iets bij denken kan wat op zijn leven en bestaanswereld betrekking heeft. Dat moet een vergissing zijn natuurlijk! Heel ons christelijk geloof staat of valt met Jezus' opstanding, zoals we altijd — terecht — gezegd hebben. Deze belijdenis moet m.a.w. zoveel als de samenvatting van alle hoop, alle verwachting van het christenbestaan zijn. Hoe treurig dat zoveel mensen er geen raad mee weten en zichzelf slechts in grote trouw weten voor te houden dat je het moet geloven als je christen bent, maar wat je dan eigenlijk gelooft en waarom het zo'n grote vreugde is om het te geloven kunnen ze niet meer zeggen.

Al jaren kwelt mij dit probleem van de woordeloosheid van zoveel goedwillende, trouwe christenen, als het over het hart van ons geloof gaat, nl. Jezus is opgestaan. Daarom heb ik geprobeerd ze een eindje op weg te helpen door een aantal mensen aan het woord te laten die de opstanding van Jezus proberen onder woorden te brengen in zijn zin en strekking voor ons bestaan, d.w.z. in zijn betekenis voor het leven dat wij vandaag leven.

Natuurlijk zijn al die betekenissen niet allemaal even aansprekelijk of even verantwoord t.o.v. de traditie van de christelijke kerk of van de Heilige Schrift. Voor de zekerheid heb ik de lezer dan ook maar aangespoord om onbevangenheid en kritische zin te combineren. Om die reden — voor alle zekerheid dus — heb ik de namen van de betreffende theologen ook weggelaten. Mij kwam dat voor als in overeenstemming met de volwassenheid en de vrijheid van de christen. Hij moet zelf zien — leren zien — wat hij gebruiken kan en wat niet. Daarbij heeft hij mijn verlof of mijn af-of goedkeuringen niet nodig. Evenmin de negatieve of positieve suggestie die van het noemen van namen uitgaat.

Daarmee kom ik op de voornaamste reden waarom ik dat rijtje antwoorden — waarvan sommige dus beter zijn dan andere — heb gegeven. Als iemand ergens in één van deze antwoorden maar een sprankje zou vinden van herkenning, van het besef: ja, dat is wat ik er aan beleef, dan zou ik al geweldig blij zijn, omdat ik dan het gevoel heb dat ik hem op het spoor gezet heb. De werkelijkheid van de opstanding is meer dan wat ik er van beleef — stel je voor — maar minimaal is het dat tenminste ook, wil het niet tot een dood kapitaal worden waarmee niemand iets doet omdat het hem niets doet.

Staat iemand maar op het spoor — somewhere — dan komt hij vanzelf verder. Hij heeft a.h.w. weer aangehaakt. God de geest doet de rest.

Hier gaat de geloofsbeleving toch de geloofsinhoud op een m.i. ongeoorloofde wijze bepalen. Vreemd is ook de zojuist geciteerde slotzin: Staat iemand op het spoor, dan komt hij vanzelf verder. De Geest doet de rest.

Maar Kuitert heeft ten aanzien van Ridderbos nog meer te berde te brengen. Hij is ten aanzien van het verstaan van de boodschap zeer bezorgd. Wij zijn er niet met een repetitie van de overlevering. Wij leven in een andere tijd. Onze leefwereld is uiteengevallen in een veelheid van leef-en ervaringswerelden, die maken dat we niet één belijdenis krijgen, maar een veelvoud van belijdenissen. Dat brengt b.v. ten aanzien van de opstanding een grote variatie mee in de antwoorden. Toch wil Kuitert geen grondeloos relativisme invoeren:

Het zal u uit het bovenstaande duidelijk zijn, dat ik dit alles niet doe om een grondeloos relativisme in te voeren, nog minder om te redden wat er te redden valt. Ik probeer zo goed en zo kwaad als ik kan mijn opleiding en vakkennis ten dienste te stellen van mijn medemensen, in de hoop dat ze er wat aan hebben als ze hun vreugde aan de verschijning van Jezus in onze wereld proberen te (her)vinden. In deze zin moet u mijn beide stukken in Voorlopig verstaan als een oprechte poging om een handreiking te doen.

Voor relativisme ben ik — juist als we het wat meer op deze manier gaan doen — niet bang. Waarschijnlijk moeten we allemaal eerst door de afgrond van het relativisme heen gegaan zijn vóór we weer wat zorgelozer en onbekommerder vreugde durven putten uit Jezus' verschijning. Mijn manier van doen is — althans naar mijn overtuiging — een manier van spreken die het relativisme voorbij is.

Wel moet ik hier dan aan toevoegen — dat hebt u goed gezien — dat ik dus niet in de eenheid-reddende of eenheid-scheppende kracht van de leerformule geloof. Nog minder geloof ik dat we waarheid en eenheid kunnen bewaren door het rigoreus handhaven van oude formuleringen. Voor mij en voor u zullen ze doorzichtig zijn tot op hun bedoelingen. Tenslotte studeren wij al 20 tot 40 jaar theologie. Maar wie deze scholing mist, beleeft er niet zo veel meer aan.

Ik zou de gereformeerde gemeenschap ervoor willen bewaren dat over tien jaar de ware leer onveranderd gehandhaafd is maar dat de mensen dan weg zijn. Vermoedelijk wilt u dat ook. Welnu — dan willen we een hele hoop dingen blijkbaar samen.

De belijdenis en de Geest

De discussie wordt voortgezet in het nummer van 20 maart van het GW. Ridderbos begint zijn antwoord met er op te wijzen dat het hem niet gaat om een formalistisch handhaven van allerlei tradities. Er mag best het een ander veranderen. „Op één voorwaarde: dat de kerk daarbij haar „allerheiligst geloof" (zoals het NT zegt) en dat ik met uw woorden zou willen zoeken in kern-zaken als verzoening, opstanding en wederkomst qualitatief niet prijsgeeft of op het spel zet".

Ook wil de kamper hoogleraar een open oog hebben voor het pastorale aspect, de hulp die wij mensen die in het slop zitten, moeten bieden. Ridderbos wijst in dit verband op mensen als Bavinck, Lucas Lindeboom, Brillenburg Wurth, die als evangelisatie-professoren voluit pastoraal bezig waren.

Maar Kuitert haalt volgens Ridderbos twee zaken door elkaar. Naast de vraag of iemand ten volle verstaat wat de kerk hem leert naar het Woord Gods, komt de vraag op of nu ook de kerk in haar belijden maar niet meer moet trachten iets te formuleren of verbindend te stellen, omdat dit voor bepaalde mensen niet meer relevant is. Hier zit, zo betoogt Ridderbos, de kernkwestie tussen Kuitert en hem. Hier is een verschil inzake de op­ vatting over de kerk en over de onopgeefbare inhoud van haar geloof. Ten diepste gaat het, zo vervolgt hij, om dezelfde discussie, als die op de Synode plaats vond, n.l. over de wijze waarop de kerk zich aan haar belijdenis mag en moet binden. Wat voor Kuitert een confessioneel ghetto is, is voor Ridderbos een wezenstrek van de kerk. Het gereformeerd karakter van deze kerk is in het geding. Destijds hebben de Gereformeerden tegenover de hotel-kerk daarvoor gekozen. Dreigt nu binnen deze kerken de geschiedenis van de negentiende eeuw zich te herhalen? Het is een uiterst belangrijke zaak, die hier door Ridderbos aan de orde gesteld wordt. Wat betekent het belijdend karakter van de kerk? Op het voetspoor van Kuitert ontkomen we niet aan een relativering van de betekenis der belijdenis. Ten diepste zit hier het Schriftvraagstuk achter. Het „verstaan" door de moderne mens gaat meespreken bij de bepaling van wat de Kerk op grond van Gods Woord gelooft en belijdt. Natuurlijk is er deze pastorale zorg. Maar de huidige mens krijgt bij Kuitert toch teveel speelruimte. En kan men erop zijn wijze nog aan ontkomen dat de kerk ten diepste een discussieforum wordt?

Ridderbos heeft ook nogal wat bezwaren tegen de wijze waarop Kuitert de Geest ter sprake brengt.

U zegt daarvan: wees er toch niet bezorgd en bekommerd om. Want er zal heus wel een kerk blijven en de Geest waait waarheen Hij wil. Maar het troost mij maar ten dele. Het doet mij te veel denken aan een man, die een tijdbom gelegd had in het huis van zijn vriend en hem toen onder schouderklopjes troostte met de woorden: Neem het niet te serieus. Er zal altijd wel weer een onderdak voor je zijn. Maar hij zei er niet bij waar en hoe. Hij wees naar de zon, de wolken en de wind. Zou daaronder geen ruimte zijn voor een huis?

Nu kun je natuurlijk zeggen: maar moet die geref. kerk dan beslist blijven bestaan? Ja, mag, wat ons betreft, dat hele (ik begrijp: niet alleen ònze) kerkelijk establishment dan niet ineenstorten? Ik heb daar geen absolute antwoorden op. Ik kan mij best een betere behuizing voorstellen, dan waarin wij wonen. Maar ik zeg wel: als de Geest pas goed ruimte krijgt, wanneer eerst dat gereformeerde belijdenis-karakter maar eens van de kerk af is en wij uit het ghetto zijn uitgeleid — nu dan is er voor de Geest en voor ieder die zich beklemd gevoelt die ruimte overal om hem heen; in ruime mate! Dan zie ik de tijdbom overal reeds lang ontploft. Kerken zonder tal, waar geen confessionele muur de luchtdruk van de Geest meer tegenhoudt en geen confessionele formules meer bindend zijn dan in het liturgisch reciteren. Maar of daar nu ook zoveel meer Geest openbaar geworden is; zoveel meer leven, belangstelling voor geestelijke dingen, ja iets van koorts als het over de dingen van de kerk en van het Woord en van de confessie gaat? En zoveel méér bereidvaardigheid om te dienen en te geven, zoveel meer bewogenheid met de mensen in het slop, zoveel meer geneigdheid om naar elkaar te luisteren? Ik zie het niet. Ik zie wel op de ene vloer van al die kerken groeperingen, die met al deze zaken ieder op hun wijze geëngageerd bezig zijn, ieder in hun eigen afdeling, maar het luisteren naar elkaar is er niet meer bij. En als daar geschriften („cahiers" bijv.) verschijnen, die de mensen de oren moesten doen spitsen, halen ze geen 10 maar twee drukken, want de theologen lezen ze wel maar de geméénte kijkt naar de naam op het omslag. En toch waait de Geest wel waar Hij wil! Zou het dan toch zo kunnen zijn, dat de kerk een duidelijke gemeenschappelijke, haar consciëntie bindende belijdenis-en geloofs-keuze moet doen, om als kerk een gevoelig instrument voor de Geest te zijn?

Misschien zult u zeggen: het is óveral dezelfde institutionele frustratie. Er staan nog te veel stenen overeind van het oude model. Nu, ik denk ook, dat je aan het bouwen en om-bouwen moet blijven en ik verheug mij oprecht, als er mensen zijn, mensen met (meer) visie (dan ik), die de kerk helpen om bij de werken en bij de tijd te zijn. Maar of ik een ander grondvlak zie voor enige bestaansvorm van de kerk dan in de ondubbelzinnige bevestiging van het apostolisch getuigenis en een andere grondstructuur dan die gelegen is — voor mijn besef — in de Dienst van Woord en Sacramenten, in de gemeenschap van het Lichaam der kerk? Of je dat alles al overvleugeld kunt zien door de Geest in allerlei kringen en mensen van gelijkgerichte belangstelling, die het buiten het instituut zoeken? Vragen, die mij het welgemeende schouderklopje van „Kan het niet wat zorgelozer en onbekommerder? ” wel doen waarderen, maar mij met al die andere vragen, die ik stelde, nog niet zó gerust de toekomst doen ingaan als u mij aanraadt. Want de kwellende vraag blijft, of je je in deze onbezorgdheid wel op het waaien van de Geest mag beroepen. En of, als de bom eenmaal ontploft is, wij tussen de ruïnes niet naar een — zij het nog zo klein stukje... klaagmuur zullen gaan zoeken?

Het blijkt ook in deze discussie hoe de vragen van ambt, confessie, instituut om de hoek komen kijken. Deze discussiepunten zijn niet nieuw. Steeds weer zijn er theologen geweest, ook wel kerkelijke groeperingen die met een beroep op de Geest de binding aan een confessie of een institutioneel kader afwezen. De Geest waait waarheen Hij wil. Dat zal waar zijn. Maar wij zullen toch in ons spreken over kerk en belijdenis, ambt en instituut hebben te bedenken dat de Geest zich door een onverbrekelijke band bindt aan het Woord, aan de Schriften die van Christus getuigen. Dat aspect wordt m.i. door Kuitert teveel verwaarloosd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 april 1970

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 april 1970

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's