LEVE DE KERK 1)
II
In het vorig artikel zagen wij, dat prof. dr. H. Jonker in zijn boek: „Leve de Kerk" na allerlei verkenningen als uitgangspunt voor de kerkelijke praxis vond: „De evangeliedienaar arbeidt omdat God arbeidt. Het gaat om Gods Waarheidsverwerkelijking der heilsopenbaring”.
Daarna volgden wij prof. Jonker op zijn tocht door hoofdstuk V, waarin de Waarheidsverwerkelijking ons in allerlei aspecten werd ontvouwd. Wij zagen, dat deze Waarheidsverwerkelijking tot stand komt door de overmacht van het dynamische Woord Gods en dat vanuit dit gezichtspunt de samenstellende delen: ambt, gemeente, wereld, enz. op hun plaats komen.
Na een bijbels-theologische excurs over de waarheid kwam prof. Jonker tot de conclusie, dat de Waarheid absoluut, maar dat de Waarheidsvertolking gesitueerd is.
Nu volgt een excurs over de dienst der Waarheid. De Waarheid is Persoon, leven, woord en arbeid van Christus. Deze dringt tot onderzoek, verkondiging en confessie. In dit verband komt de reformatorische Waarheid ter sprake. Zij is — hoe waardevol ook — niet absoluut, maar staat open voor correctie en revisie. In de voortgang der waarheid moeten wij niet alleen letten op de selectie, maar op de samenvatting. Nu komt de auteur tot de inhoud der Waarheid. Hij is wet (thora) en evangelie. Er zijn kernwoorden als schepping, oordeel, opdracht, verlossing, verzoening, heiliging en bestemming. Dr. Jonker wil al deze woorden vanuit het einde (eschaton) belichten. Dit is een denken vanuit het Rijk Gods.
Verder onderscheidt de auteur drie heilsfasen: Gen 1 tot 11, Gen. 11 tot Mal. 4 en het Nieuwe Testament. Daarin vindt hij de grond-existentialen(2) van het menszijn vertolkt; het „zijn" van de mens; het „zo-zijn" van de mens; het „verlost-zijn" van de mens.
Met het „zijn" van de mens bedoelt dr. Jonker het staan van de mens onder de scheppende liefde èn onder het oordeel Gods. Dat is vandaag nog zo. De mens is voor hoger beroep vatbaar (Rom. 1). Met het „zo-zijn" van de mens bedoelt de auteur het leven van het volk Israël met de thora (onderwijzing), waarin de opdracht centraal staat. Toch is het O.T. geen pleitbezorger voor het puur humane. Het humanum, het menslievende, blijft bewaard in de verbanden van het verbond.
Met het „verlost zijn" bedoelt prof. Jonker verzoening, heiliging en bestemming in de Mens Jezus Christus. Hij waarschuwt tegen spiritualisering(3) en neojudaïsme(4).
De verbanden en het ineenschuiven van deze drie fasen worden nauwkeurig nagegaan.
Na deze excurs over de inhoud der waarheid komt de auteur nu tot het ambt en tot de dienaar der waarheid. Hij weigert deze dienaar door de menswetenschappen (psychologen en sociologen) te laten „vangen". De man, die het ambt draagt, is dienaar van de openbaringswaarheid. Wat de drie heilsfasen betreft, ieder van deze fasen geeft een „laag" van de menselijke samenleving aan.
In het zesde hoofdstuk geeft dr. Jonker kritische noties weg. Hij gaat op de ontkenning van God (Jules de Corte) en op de belijdenis van God in (de Jood Rakover in de hel van Warschau èn de Christen J. Overduin in zijn „hemel en hel van Dachau").
In deze theologie (is het nog theologie?) van het niet meer geloven in God, werken allerlei motieven samen. Men stelt zomaar, dat na Auschwitz er een radicale saecularisering plaats vindt. Men suggereert „Godsvoorstellingen" en „Godsbeelden" en gaat aan Gods daden voorbij. Men overtrekt de verandering in het wereldbeeld en verzet zich tegen een wereld achter deze wereld (anti-metafysische tendens). Ook de eeuwigheid verdwijnt in de tijd. Alleen het hiernamaals speelt een rol.
Aan God worden beperkingen opgelegd en dientengevolge wordt Zijn Waarheid uit de voegen gelicht.
Na het Godsgeloof bespreekt dr. Jonker de Christusgedachte in de moderne theologie. De vermenselijking van Christus (iets anders dan menswording!) is in. Wie het geloof in de ene God kwijtraakt moet Christus ontgoddelijken!
Ook de leer van de mens komt aan de orde. Via een excurs over een stierengevecht in Mijas (Spanje) komt de auteur tot de volgende kenmerken van de moderne theologie: mondigheid, het niet zozeer denken over de inhoud als wel over de functie van de dingen, een andere werelden Schriftbeschouwing en een ander geloof. Tegenover de z.g. mondigheid staat de christelijke vrijheid, die bepaald wordt door Gods handelen. Deze vrijheid is door God gegeven en omgeven .De „mondigheid" van de neo-theologen leidt tot sociaal-humanisme en ... fatalisme.
Uit deze moderne „theologie” trekt dr. Jonker tien conclusies, 'k Schrijf ze niet over. Ge moet ze lezen en één voor één op u laten inwerken. Zij zijn indrukwekkend.
De slotconclusie is, dat vanuit dit neomodernisme de kerkelijke practijk geen enkele zin meer kan hebben. Er is een scheiding der geesten gaande, die praktische konsekwenties zal hebben voor de gemeenschappelijkheid van het kerkelijk samenleven, (blz.175).
In het laatste hoofdstuk (VII) geeft dr. Jonker richtlijnen over Waarheidskennis, kerugmatische (verkondigende) dialoog (tweespraak), ambt en gemeente en over de ambtsdragers. Bij het onderdeel: waarheidskennis, gaat de auteur in op het verschil tussen het bijbelse en het Griekse denken. Het „mythische" waarheidsdenken wordt nogal afgeschermd tegen misverstanden.
Bij de verkondigende tweespraak wijst dr. Jonker de objectieve mededeling van de Waarheid af. Ook de existentie-filosofie met haar communicatie. Hij kiest voor de dialoog en onderscheidt daarin het objectieve en het existentiële aspect. God laat aan de mens het „middenwoord”.
Bij ambt en gemeente bespreekt dr. Jonker het rapport-Berkhof èn het (niet uitgegeven) rapport-Van Ruler. Het is een bizonder boeiende bespreking, waaruit veel te leren valt.
Tenslotte wordt de taak van de ambtsdrager verkend. Dr. Jonker besluit met enkele stellingen over de verhouding theologie en practijk.
Uit deze korte samenvatting, die vanwege de veelheid van de stof gebrekkig moet zijn, blijkt, dat wij hier een zeer belangwekkende studie voor ons hebben, die midden in deze tijd staat.
Het belangrijkste aspect van deze studie is m.i., dat prof. Jonker op wetenschappelijke wijze het woord voert met de vertegenwoordigers van de nieuwe theologie en daarbij de schat van de Kerk: het Evangelie zoekt door te geven aan de huidige generatie.
Wij zijn hem voor dit werk bijzonder veel dank verschuldigd. En dat mag en moet openlijk uitgesproken worden. Temeer, omdat prof. Jonker aan het wetenschappelijk front staat, waarin zijn tegenstanders „zich vermenigvuldigen" en velen van de kerk in deze tijd zeggen: „zij heeft geen heil bij God”!
Hoe diep moet prof. Jonker niet geraakt zijn, wanneer hij, die bekend staat als een zeer synthetische figuur, op blz. 175 schrijft: „Er is een scheiding der geesten gaande, die practische konsekwenties zal hebben voor de gemeenschappelijkheid van het kerkelijk samenleven". Daarmee is geen woord teveel geschreven, want het kerk-zijn van de kerk staat op het spel. Tot welke concessies prof. Jonker ook bereid is en hoe breed kerkelijk hij ook wil denken en handelen, hier is een grens bereikt, waar hij blijft staan. Want de prediking, de sacramenten, enz. hebben zijn hart, omdat zij bijbels zijn.
Daarom dient er niet alleen begrip voor de uiterst moeilijke en verantwoordelijke plaats, die prof. Jonker en andere hoogleraren innemen, te zijn, maar vooral meeleven en gebed.
Er zijn in dit boek prachtige stukken. Mij trof vooral de glasheldere ontleding van de nieuwe theologie en de blootlegging van de wortels ervan. Die hebben wij ons eigen te maken. Hier wordt achtergrond-informatie gegeven en diepteboring verricht en wapenen aangereikt, die wij niet zonder schade kunnen laten liggen.
Verder trof mij de prachtige excurs over de prediker (blz. 144 e.v.), de tien conclusies en konsekwenties (blz. 172 e.v.). Zo is er nog veel meer te noemen. Rijzen er dan geen vragen en bedenkingen? Daarover in een slotartikel.
1 In het eerste artikel stond een uitroepteken achter de titel: Leve de Kerk. Dit uitroepteken staat niet op het boek van prof. Jonker.
Verder ben ik op een vriendelijke wijze terechtgewezen door onze eind-redacteur over het gebruik van vreemde woorden (vakjargon!) in het eerste artikel, 'k Heb hem beloofd mijn leven te beteren!
Hier volgt een verklaring van de vreemde woorden die (hebt u het nummer nog?) in het vorig nummer (26-3-70) gebruikt zijn:
Geschichtlichkeit: in het verband betekent dit, dat alle nadruk valt op de tijd als geschiedenis, waarbij het aspect van de eeuwigheid vervaagt.
Anti-institutionalisme: het verzet tegen de gevestigde instituten, in dit geval tegen de kerk als georganiseerde grootheid.
Essentie: wezen.
Existentie: bestaan.
Correlatie: wederzijdse, onderlinge betrekking; onderlinge afhankelijkheid en beïnvloeding.
Polair: naar tegenover gestelde kanten gericht.
Inductieve methode: methode, die uit het bijzondere tot het algemene besluit. Deze methode staat tegenover de deductieve methode, die van het meer algemene tot het bijzondere besluit.
Mutatis mutandis: veranderd wat veranderd moet worden bij de toepassing in een ander geval.
Depreciatie: lagere waardering.
2 Met grond-existentialen doelt prof. Jonker op de (zoals uit het vervolg blijkt) wijzen van bestaan van de mens.
3 Spiritualisering: opvatting, die alle aandacht heeft voor de ziel en geen of weinig aandacht schenkt aan de zichtbare dingen.
4 Neo-Judaïsme hier: herleving van gedachtengangen, die door Paulus bestreden werden, omdat zij met miskenning van het Evangelie weer terugvoeren tot de Wet.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 april 1970
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 april 1970
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's