„Een schaal waters uit de fontein Gods”
(Een fragment uit de geschiedenis van de Nederlandse geloofsbelijdenis)
„De Gereformeerde geloofsbelijdenis wil vóór alles Bijbels wezen. Een schaal waters te zijn uit de fontein Gods geschept, dat is de enige roem, die zij nastreeft". Met deze woorden spreekt dr. F. J. Los (in zijn „Tekst en Toelichting van de geloofsbelijdenis der N.H. Kerk) over het belijdenisgeschrift, dat wij in een artikelenserie in ons blad zullen gaan behandelen.
Een Bijbels getuigenis, herhaling van de heilige Schrift. Alszodanig biedt onze geloofsbelijdenis zich aan. Zij heeft oorspronkelijk de ronde gedaan onder de verdrukte protestanten van de Zuidelijke Nederlanden als een geschriftje van weinige bladzijden, niet groter dan het formaat van een briefkaart. Uitdrukking van aller gemeenschappelijk geloof. Maar zo zijn dan ook die artikelen van meetafaan geweest een verweerschrift, waarin kort en krachtig tegen onzuivere beschouwingen ten aanzien van de reformatorische beweging positie wordt gekozen. En straks zijn deze artikelen „openlijke geloofsverklaring der Nederlandse Gereformeerde Kerken aangaande de hoofdinhoud van Gods Woord”.
In het hieronder volgende zijn enkele historische gegevens verzameld om duidelijk te maken, hoe de artikelen van Guydo de Brès, ingebed in de geloofservaring van de christelijke kerken „onder het kruis", geworden zijn tot het gezaghebbend belijdenisgeschrift van de Gereformeerde Kerk. De vraag, wat het wezen en de functie van een belijdenisgeschrift in het algemeen is, komt hierbij slechts zijdelings ter sprake.
Een belijdenisgeschrift
De tijd van Guydo de Brès was er één van inquisitie, brandstapels en grenzeloze haat jegens het Evangelie van Gods vrije genade. En in deze tijd gaf de Heere de mannen van de Reformatie de genade om voor Zijn zaak te willen lijden. Maar Hij gaf ze daarbij de genade om met open vizier en zeer vrijmoedig de dwaalleer te bestrijden, ook de dwaalleer en het revolutionaire woelen van de Dopersen, die de zaak van de Reformatie bij de overheden in een kwade reuk brachten. Zeer vermoedelijk met het oog daarop heeft Guydo de Brès reeds in 1559 gewerkt aan het opstellen van een aantal artikelen, die later de zevenendertig geloofsartikelen werden. De inquisiteurs konden daaruit minstens twee dingen duidelijk aan de weet komen. Het eerste was, dat deze protestanten in alles wilden leren en leven conform de heilige Schrift. De Brès was ervan overtuigd, dat zijn geloofsartikelen in overeenstemming waren met hetgeen op de eerste vier conciliën van de oude kerk als kerkleer was vastgesteld. Tussen twee haakjes: men moet blijkbaar wel weten, wat men doet, als men vandaag de belijdenisgeschriften voor tijdgebonden verklaart. De Oude Kerk en de Schrift zijn hiermee meteen in het geding. In de tweede plaats moest het de vervolgers van de protestanten door de artikelen van De Brès duidelijk worden, dat deze zaak niets te maken had met het doperse streven om alles op zijn kop te zetten en tegen de bestaande ordeningen aan te schoppen terwille van het nabije Koninkrijk Gods.
In hetzelfde jaar, 1559, nu is op de Parijse synode van de protestantse kerk in Frankrijk de zogenoemde Confessio Gallicana aanvaard, veertig artikelen, die, met enkele kleine wijzigingen ter synode aangebracht, van Calvijns hand waren. Heeft Guido de Brès deze franse belijdenis soms gebruikt voor de opstelling van zijn geloofsartikelen? Ja, hij heeft dat stellig gedaan, al moet gezegd worden, dat hij zelfstandig doorwerkte en de artikelen van Calvijn (de franse belijdenis) niet slaafs navolgde. Hij verbeterde, vermeerderde en werkte bij. Maar heeft Calvijn, het wel zo toegejuicht, dat de Nederlanders een aparte geloofsbelijdenis verzorgden? En heeft hij het zelfs niet afgekeurd, om te voorkomen, dat men geen gesloten linie zou vormen in de eenheid van het belijden tegenover de vijanden? Dat wordt inderdaad beweerd, al zijn er ook, die dit oude verhaal ten sterkste tegenspreken.
Hoe dan ook, Guydo de Brès heeft zijn werk afgemaakt. En hij zal daar niet alleen deze reden voor hebben gehad, dat men in de Zuidelijke Nederlanden, vooral in Doornik, nu eenmaal niet zo fransgezind was.
Het kleine geschriftje van zevenendertig artikelen is de geloofsuitdrukking van de gemeente van Doornik geworden. Het circuleerde, het leefde in de harten, al voordat het over de kasteelmuur geworpen werd om aangeboden te worden aan de Koning van Spanje. De Brès kon in de begeleidende brief aan koning Philips zeggen, dat niet alleen de meerderheid van de bevolking van die stad er achter stond, maar ook velen in den lande. „Belydenisse des gheloofs ..., ghemaeckt met een ghemeyn accoort door de gheloovighe, die in de Nederlanden overal verstroyt zijn, de welcke na de suyverheyt des Heylighen Evangeliums ons Heeren Jesu Christi begheeren te leven". Zo lezen we het op het titelblad van een eerste Nederlandse uitgave van de Nederlandse geloofsbelijdenis (1562), een overigens slechte vertaling (waarschijnlijk niet van de hand van De Brès zelf) van de oorspronkelijk in het Frans verschenen uitgave van 1561. Beide uitgaven zijn intussen door de inquisitie kennelijk zo „hittiglijk vervolgd", dat het eerst in de vorige eeuw gelukt is er nog een enkele van te vinden.
De Nederlandse geloofsbelijdenis was dus niet slechts een partikuliere zaak van Guydo de Brès. Zij wilde welbewust staan in de traditie van de Kerk aller eeuwen, die Christus Zich vergadert. En daarenboven stond zij in een levende relatie met de hartelijke geloofservaring van vele vrienden en collega's van Guydo de Brès. We mogen gerust aannemen, dat ze in ieder geval de Antwerpenaren uit het hart gegrepen was. Aan de Schrift en aan de geloofservaring is zij getoetst door de eerste generatie van de Reformatie. We onderkennen daarin een duidelijke leiding van God. En als de kerk straks deze zevenendertig artikelen als de uitdrukking van haar geloof kerkelijk gezag toekent, dan heeft zij dat alleen maar kunnen, mogen en ook moeten doen, omdat zij het geestelijk gezag daarvan in de harten opmerkte en er graag voor viel. Wat zijn wij daar vandaag ver vandaan? Waarom dóet de Nederlandse geloofsbelijdenis het niet meer? Omdat wij vervreemd zijn van de religie der belijdenis. En dat is een in-en in-droeve zaak.
De provinciale synode van Armentiers (1563) erkende evenals verschillende andere van de Waalse kruissynoden (vele daarvan in Antwerpen) het geestelijk gezag van de artikelen des geloofs. Zij eiste ondertekening, ook door ouderlingen en diakenen. De geloofsbelijdenis heet: arrestée entre nous (onder ons aanvaard). Van Langeraad schrijft, dat men de geloofsbelijdenis bij het begin van iedere Synode van de Zuidelijke Nederlanden las om de eenheid in het geloof te bewijzen van al die kerken en om na te gaan, of er ook iets in viel te verbeteren of iets moest worden bijgevoegd. Zij is dus „beproefd", juist omdat men er de smaak van te pakken had. De kerk wilde, ook wanneer zij vastberaden en vrijmoedig haar geloof beleed, blijven staan onder de heilzame tucht van Gods Woord en Gods Geest. De belijdenis staat onder de Schrift, ook al is ze breeduit echo en herhaling van de heilige Schrift naar de diepste overtuiging. Men las de artikelen telkens voor, als uitdrukking van het gemeenschappelijk geloof, maar ook opdat de Schrift en iedere schriftuurlijke critiek niet afgesnoerd zouden worden.
Dat is heel wat anders dan wanneer men de belijdenis telkens weer ter discussie stelt met de bedoeling, dat iedere geest eraan zou kunnen morrelen, zoveel hij wil. We worden met dat laatste alleen maar voorzichtiger, als we bedenken, dat onze Nederlandse geloofsbelijdenis door het filter van de geloofservaring van zovelen tot ons is gekomen. Dr. R. B. Evenhuis vertelt in zijn boek „Ook dat was Amsterdam" (blz. 218), dat de Staten-generaal in 1606 (Van Oldebarnevelt vooraan) het verzoek van de Amsterdamse kerkeraad tot het houden van een generale synode alleen wilden toestaan op voorwaarde, dat revisie (herziening) van de belijdenis als één der agendapunten van de synodevergadering op tafel kwam (een aangelegen zaak voor de Remonstranten). En wat is het antwoord van de Amsterdammers? Dan maar geen synode. Men gaat nu eenmaal niet, voordat men aan de slag gaat, eerst de grond onder eigen voeten weggraven. En een synode is geen club van theologen, die vrijblijvend over hun eigen „akkoord van gemeenschap" disputeren, maar een vergadering van wettig gekozen ambtsdragers der kerk. Dr. A. Kuyper heeft eens gesproken over „revisie van de revisielegende".
Maar met het verhaal over Amsterdam lopen we wat op de feiten vooruit. We zijn nog even bezig met de vraag, hoe de zevenendertig geloofsartikelen het kerkelijk gezag als belijdenisgeschrift kregen.
Kerkelijk geijkt
De Synode van Antwerpen (juli 1566) heeft de geloofsbelijdenis „overzien, aangenomen als de geloofsbelijdenis van de Calvinisten in de Zuidelijke Nederlanden en gedrukt". De belijdenis sprak voor zichzelf en het sprak haast vanzelf, dat de kerk haar gezag erkende. Maar juist omdat de belijdenis onder de Schrift staat, heeft de zojuist genoemde synode gezorgd voor de best mogelijke formulering. Zij heeft in de oorspronkelijke Franse tekst van Guydo de Brès de nodige wijzigingen aangebracht. Van deze herziene belijdenis hebben we kennis gekregen door een perkamenten handschrift, dat is bewaard gebleven, daterend uit het jaar 1580. Langzamerhand kregen nu ook de artikelen in de Noordelijke Nederlanden meer en meer gezag. Het Convent te Wezel (1568) besloot, dat de dienaren des Woords, alvorens in hun ambt te worden bevestigd, hun instemming zouden betuigen met de leer, in de Nederlandse geloofsbelijdenis en in de catechismus vervat. De Synode van Embden (1571) besloot tot ondertekening van de geloofsbelijdenis door de synodeleden.
Nog een enkele greep uit de geschiedenis. In de Noordelijke Nederlanden werd nog maar steeds de oude uitgave van 1562 (in het Nederlands) nagedrukt. Deze bevatte veel fouten in de vertaling en verschilde buitendien van de gereviseerde van 1566 (zie boven). Moesten de Waalse en Nederlandse kerken in Nederland echter niet dezelfde belijdenis bezitten in eenzelfde formulering? In 1583 heeft ds. Arent Cornelissen (Delft) een vertaling, van de gewijzigde belijdenis van Antwerpen ontworpen, die op de partikuliere synode van hetzelfde jaar te Den Haag na voorlezing van artikel voor artikel door alle afgevaardigden „tot een teecken der eenicheyt" onderschreven werd. Van zijn hand zijn de korte opschriften boven de artikelen, die er oorspronkelijk niet boven stonden. Later zijn ze weer door de Dordtse synode weggelaten, evenals (helaas) de vele Bijbelteksten aan de rand. Deze „getuigen" uit de heilige Schrift hadden de tekst van de belijdenis steeds in alle uitgaven begeleid.
Eenheid in het belijden. Maar de boekdrukkers namen het niet zo nauw. Men drukte maar raak, ook de niet gewijzigde belijdenis van voor 1566. En de remonstranten, die straks de kop opstaken, hebben van deze verschillen in de lezing van de tekst der Nederlandse geloofsbelijdenis gretig gebruik weten te maken. Daarom besloot de provinciale synode van Veere (1610) tot het laten drukken van twee confessie-uitgaven: één achter de Heidelbergse catechismus (met Kort Begrip), één apart. Een vertaling van de herziene belijdenis van Antwerpen (1566).
Eenheid in het belijden. De Dordtse synode (1618—'19) heeft tenslotte grondig orde op zaken gesteld. Haar commissie „Thysius" heeft nauwkeurig de vroegere uitgaven van de Nederlandse geloofsbelijdenis met elkaar vergeleken. Los schrijft: „Bijna alle wijzigingen, die zij aanbracht, zijn ontleend aan vroegere uitgaven en vertalingen of dienen om het verschil tussen de Franse en de Hollandse tekst op te heffen". Verder werden aangehaalde Bijbelplaatsen naar de oorspronkelijke tekst verbeterd. De taal werd aangepast. Minder juiste uitdrukkingen vervangen. Voetius heeft betuigd: „Wij ontkennen, dat er enige verandering geschied is in de inhoud der Confessie, hetzij door toevoeging van nieuw, hetzij door weglating van bestaande, hetzij door in de plaats stelling van andere leerstellingen".
Vermeld dient nog te worden, dat de leerlingen van de Latijnse scholen hun belijdenis en catechismus op school in het Latijn en in het Grieks lazen (met Bijbelse bewijsplaatsen). Dat gaf, schrijft iemand, „geheide leerkennis, in een Bijbelvast volk". Ook Duitse en Engelse vertalingen zijn in de loop der eeuwen verschenen.
Dat met dit alles de geschiedenis van de tekst der Nederlandse geloofsbelijdenis niet af is, wordt o.a. een vijftigtal jaren na de Dordtse synode nog weer eens duidelijk in de kerkelijke verwikkelingen rondom De Labadie. De Waalse synoden lieten nog steeds de nieuwkomers hun handtekening zetten in het Synodale exemplaar van het oude handschrift van 1580, terwijl Dordt de kerkelijke tekst officieel had vastgesteld. De Labadie heeft dat terecht niet genomen. Daarmee zijn niet het vaak zonderlinge gedrag en de zonderlinge gedachten van De Labadie verdedigd. Dat is een hoofdstuk apart. Ik wil alleen zeggen, dat het toen en nu de kerkelijke weg was en is om ons te houden aan de kerkelijke tekst van onze Nederlandse geloofsbelijdenis.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 april 1970
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 april 1970
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's