Waar dient het toe?
„Waarom zijn ook wij alle uur in gevaar? Ik sterf alle dag, hetwelk ik betuig bij onze roem, die ik heb in Christus Jezus onze Heere. Zo ik naar de mens, tegen de beesten gevochten heb te Efeze, wat nuttigheid is het mij, indien de doden niet opgewekt worden? 1 Korinthe 15 : 30—32
De zondag is geen snipperdag, die we op de werkdagen uitsparen. De zondag is de dag, die wekelijks openvalt, waardoor we wat ruimte krijgen in de kringloop van de dagen en dat komt door de opstanding van de Heere Jezus; het is Zijn dag, de Paasdag. Pasen is het feest van het perspectief: wij kijken door de dagen heen naar een heerlijke toekomst. De hoop wordt gewekt en hoop doet immers leven. Wij zouden de zondag niet graag missen, het feest houdt de dagen leefbaar.
Is dit alles niet rijkelijk hoog gegrepen, klopt het wel met de werkelijkheid van ons leven? Waar hebben wij het eigenlijk over? En hebben wij het er wel ooit over? In de gemeente van Corinthe wordt over Pasen gesproken: sommigen zeggen. Dat praten is echter niet veel meer dan het uitspinnen van eigen gedachten. Ik vind er dit van en ik denk er zo over. Paulus praat daar niet in mee, hij preekt. Hij stapelt de gedachten Gods op elkaar tot een bouwwerk, dat bij de eeuwigheid hoort. Maar nu, Christus is opgestaan uit de doden en is de Eersteling geworden dergenen, die ontslapen zijn. Hij onderstreept de prediking met de herhaalde vraag: Indien Christus niet opgewekt is. Blijkbaar hangt heel het bestaan en heel de arbeid daaraan. Het mag ons bevreemden, dat wij zelden zo over de opstanding van Christus en over de opstanding der doden horen spreken. Is de Christelijke gemeente nog paasgemeente? En is uw geloof wel een paasgeloof ?
Indien Christus niet is opgewekt, dan valt het geloof met een plof door de mand: ijdel is het, zonder inhoud; en het sleept de hoop mee in haar val: tevergeefs. Dan kijken we nergens meer doorheen, dan staan we voor een blinde muur, zonder raam, zonder deur, de blinde muur van de dood. Als er geen opstanding der doden is, dan loopt het leven uit op de dood, ook het leven van een Christen. Daarom verweert de apostel zich zo hartstochtelijk tegen allen die met de waarheid der opstanding de hand lichten. Het leven zou zijn zin verliezen als zij gelijk hadden.
Denk u dat eens in, zo verzekert hij ons. Neem mij nu eens. Het is niet zo zeer een argumentatie, als wel een illustratie: Ik ben van uur tot uur in gevaar. Het apostelschap zet een stempel op zijn leven: gevaarlijk. Hij moet zich voortdurend in gevaar begeven; hij is vaak onderweg. Hij bevindt er zich ook dagelijks in, omdat zijn vijanden het hem moeilijk maken. Zal hij al die gevaren eens opsommen? Met roeden gegeseld, gestenigd, schipbreuk geleden, moordenaars... (2 Cor. 11). Een apostel loopt het risico van het evangelie. Hij lijdt verdrukkingen met het evangelie, hij wordt verworpen met het evangelie. Dat is de gemeenschap van het lijden van Christus. Dat is gevaarlijk. Paulus beklaagt zich daar niet over. Jezus had hem meteen getoond, hoeveel hij lijden moest om Zijns naams wil. Hij wist wat hem wachtte, wanneer hij in dienst trad bij deze Koning. Maar waarom treedt iemand in zo'n gevaarvolle dienst en waarom zet iemand zich zo helemaal in voor het evangelie als...
Het gevaar is levensgevaar. Het leven is meer dan spannend, het is hachelijk: ik sterf alle dag. Ik wordt iedere dag met de dood geconfronteerd, bedoelt hij. Zo leef ik, zo geef ik mij aan mijn levenstaak. Ik zoek het vege lijf niet te redden, ik sterf alle dagen. Of, zoals hij elders schrijft: Als stervende en zie wij leven. Dat leven is vele doden gestorven, zoals wij het kunnen besterven van schrik en angst. Zo gaat hij door duizend doden heen. Predikanten hebben een ander leven dan apostelen!
Toch heeft het echte christelijke leven altijd iets van sterven. Sterven aan eigen vertrouwen, vastheid, voornemen. Met Christus leven, kan slechts, als wij met Christus leren sterven. Het leven verliezen om Zijnentwil. Dat speelt zich niet af in diep geestelijke overpeinzingen, maar dan gaat het spannen in het leven van iedere dag, in bestaan en arbeid. Ik sterf alle dagen, dat is het offer. Christus dienen is geen zelfontplooiing, maar zelfopoffering. Het is tegelijk de triomf der liefde: Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus. Die gevaren? Nee!
Vindt iemand dat overdreven? Paulus doet er een eed op: bij onze roem, die ik heb. Dat betekent, bij de roem die ik op u heb, gemeente van Corinthe. Die gemeente is zijn roem. Door zijn dienst werd ze gesticht en geestdriftig heeft hij het overal verteld: In de wereldstad Corinthe is een gemeente van Christus, daar mocht zijn arbeid vrucht dragen. Wat een wonder, een opstandingswonder. God riep die gemeente in het leven, zij was er niet, Paulus werd daarvoor gebruikt, daar mag hij in roemen. Geen eigen roem is hier aan het woord, een roem in Christus Jezus onze Heere. Hij wordt er door verheerlijkt. Het is toch maar een feit, dat gij mijn lezers, mijn roem zijt in Christus. De mensen in Corinthe kijken elkaar eens aan en knikken instemmend. Nu, zo is het ook een feit, dat ik iedere dag sterf. Denk daar niet gering over. Om eens een voorbeeld te noemen: Zo ik naar de mens, tegen de beesten gevochten heb in Efeze. Had hij dat dan, vragen wij onwillekeurig. Het wordt ons nergens vermeld en bovendien werd een romeins burger niet veroordeeld tot een gevecht met de wilde dieren. Hij zal het dan ook niet letterlijk bedoelen. Wat hem in Efeze is overkomen, laat zich het beste vergelijken met een gevecht tegen de beesten. Bij wijze van spreken dus, maar het tekent de bittere ernst en het grote gevaar van wat hij meemaakt.
Daar staat een man in de arena, wat verloren in de immense ruimte. Duizenden mensen kijken naar hem; zij schreeuwen hem zijn vonnis in de oren: ad bestias. Voor de wilde dieren. Daar zijn ze, de brullende leeuwen, de grommende beren. Met hen moet hij vechten en de toeschouwers hitsen de dieren aan. Mensen zijn een mengeling van teerheid en wreedheid; in de arena overheerst de wreedheid. Ze vinden het een prachtig schouwspel: de wilde dieren scheuren hun slachtoffer in stukken en brokken; wat bloedige hompen en botten blijven van hem over.
Zo stond het er nu met de apostel voor. Mensen waren net wilde dieren. Had Jezus niet gezegd: Ik zend u als schapen in het midden van de wolven. Hij was als een lam ter slachting geleid, en Paulus loopt vlak achter hem. Wèg met die Paulus, wij lusten hem levend, wij dorsten naar zijn bloed. Gelukkig, hij heeft er het leven afgebracht, maar hij keek de dood toen recht in de ogen. Naar de mens was het dwaasheid, zijn leven op het spel te zetten voor de zaak van Christus. Wat bereikt hij er mee? En als hij het verspeelt dan is daarmee alles uit. Indien, tenminste, de doden niet opgewekt worden. Leven en blijven leven, dat is dan veel verstandiger. Leven en blijven leven, daar gaat het dan om.
Maar goddank, hij wist van de opstanding van Christus en dus van de opstanding der doden. Van uitkomst en toekomst, van kroon en loon. Het kruis zonder de opstanding is een mislukking. Alles, ook zijn leven, op de ene kaart van Christus zetten dat is een dwaze zet, als de doden niet opgewekt worden. Het geloof in de Verrezene schept de hoop op de verrijzenis. De hoop is de spankracht van zijn apostelschap. Anders had hij het niet volgehouden, anders zou het ijdel zijn. En zo hangt het een met het ander samen. Het gevaarvolle bestaan en de gevaarvolle arbeid hebben alleen maar zin, indien de doden opgewekt worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 april 1970
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 april 1970
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's