De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

LEVE DE KERK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

LEVE DE KERK

6 minuten leestijd

III

In dit laatste artikel willen wij enkele vragen, enz. aan de orde stellen, die rijzen bij de lezing van dit boek.

In het vorig artikel hadden wij het o.a. over de wapenen, die prof. Jonker ons aanreikte. Wij mogen ook spreken van het gereedschap, dat hij hanteert. Hoe bijbels prof. Jonker ook wil zijn, hij is precies als ieder van ons een kind van zijn tijd. Daarbij is hij in het bijzonder door de existentie-filosofie van Jaspers en Heidegger heengegaan.

Het zal wel altijd moeilijk zijn om theologie en filosofie nauwkeurig te onderscheiden en wellicht nog moeilijker om in de practijk het gereedschap van de existentie-filosofie ver te houden van de bijbelse woorden en begrippen. Wie betrapt er zich niet telkens op, dat hij van de boom der kennis gegeten heeft?

’k Denk aan wat prof. Jonker schrijft op blz. 86, waar temidden van een bijzonder schone verdediging van het Evangelie, dat niet naar de mens is, de zin te lezen staat: Zeker, het gaat in het Evangelie ten volle om het heil van de mens, d.w.z. om de zelfontplooiing van de mens tot pure vrijheid, maar de weg, waarop de zaak van het Evangelie voor en in de mens gerealiseerd wordt, kan vaak een weg schijnen tegen onze diepste verlangens en gevoelens in.

De vraag is of „de zelfontplooiing van de mens tot pure vrijheid" zich verdraagt met „de realisering van het heil door God voor en in de mens"? Is zelfontplooiing een bijbels woord?

Een andere zaak. Dr. Jonker is steeds theologisch bezig. Dit strekt hem tot eer. Daarom begrijp ik niet, waarom hij op blz. 102 stelt, dat hij via de inductieve methode (d.i. via de verschijnselen tot het centrum) tot dezelfde conclusie kon komen als via de deductieve methode (d.i. vanuit het centrum naar de buitenkant). Wanneer God soeverein is en ook de zin van de kerkelijke praxis soeverein is, dan weten wij dit toch alleen uit het Evangelie en niet uit het gesprek met andere woordvoerders?

Hoe illustratief de auteur ook is (de postzegel-plakkende bankbediende), deze illustraties veronderstellen toch een uitgangspunt? Zou hier het theologische niet strakker moeten worden volgehouden?

Het woord: Waarheidsverwerkelijking kijkt je telkens aan. 'k Vind het niet alleen taalkundig geen mooi woord, maar ook theologisch weet ik er niet zoveel weg mee. Het werkende Woord, ja, dat is het. De Geest, die levend maakt, ja dat is het ook! Maar zodra de Waarheid verwerkelijkt moet worden van God naar de mens en dan weer naar God toe functioneert, wordt het voor mij wat moeilijk.

Wij zitten hier in de buurt van de correlatie-methode (1).  Wanneer  deze correlatiemethode de Waarheid aantast, wijst dr. Jonker die beslist af. Maar de waarheidsvertolking richt zich naar de vragen en problemen van een bepaalde eeuw. Tot die vragen rekent de auteur de interpretatie van Gen. 1 en 2, de „pil", de verhouding Kerk en Israël, enz. enz.

De Waarheid is niet alleen gelijkblijvend, maar ook existentieel (op het bestaan ingaande).

Haalt prof. Jonker hier via een omweg weer niet de afgewezen correlatie-methode van Tillich in principe althans weer binnen? 'k Vind het jammer, dat de auteur deze dingen aanwijst en er niet verder op ingaat (blz. 122).

De vraag rijst of er niet een nauwere betrekking is tussen de Waarheid en de waarheidsbeleving in de verschillende eeuwen dan prof. Jonker laat zien. Het gaat niet om binding aan bepaalde cultuurpatronen, maar wel om wat uit de Waarheid beleden en beleefd is.

Dit klemt temeer, wanneer wij dr. Jonker horen zeggen, dat verbreiding van de Waarheid allereerst betekent het licht laten schijnen over eigentijdse vragen, die er vroeger niet waren. En dan volgt een hele reeks van vragen (blz. 126). Is dat zo? Komen die vragen niet aan de orde, wanneer wij uit het hart van de vragende God preken. Dr. Jonker laat één-en andermaal zien, dat de vragen, die God stelt veel belangrijker zijn dan de vragen, die mensen stellen. Daarom valt deze positiekeuze op deze plaats op.

Wat te denken van de drie heilsfasen en de daaraan beantwoordende taken van de dienaar? Wat moeten wij aan met de drie existentialen van de menselijke ontplooiing in de samenleving? Wat met het „zijn", het „zo-zijn" en met het „verlostzijn". Dr. Jonker voert een vurig pleidooi (wij mogen dit niet vergeten bij deze vragen en critische kanttekeningen) voor de bijbelse kernwoorden. Maar wat moeten wij dan aan met b.v. de zin: Ons zijn is dialectisch? Zijn de drie heilsfasen — hoeveel waarheidsmomenten zij ook bevatten — niet wat geconstrueerd? Staat in de tweede fase (Gen. 12—Mal. 4) de opdracht wel zo centraal? Staan niet veel eer de grote daden Gods (uittocht, wetgeving, verzoening) centraal? Doet dr. Jonker wel recht aan de Messias-verwachting in het Oude Testament? Is het waar (blz. 140) dat er nu vanuit het Nieuwe Testament een nieuwe dimensie aan toegevoegd is? Dr. Jonker schrijft: „gerechtigheid is niet meer louter opdracht en roeping, zij is nu Persoon geworden en gave, van waaruit de existentie op een nieuwe wijze wordt benaderd: Christus onze gerechtigheid.”

De vraag rijst: waar is hier de wording van Jezus Christus ? Waar is Abraham, die Christus' dag heeft aanschouwd?

Er is nog meer te noemen. Maar dan vervallen wij spoedig tot een kruimelrubriek, al meen ik te mogen schrijven, dat de bovenstaande opmerkingen geen kruimels zijn.

Wij willen de hoofdlijn in het oog houden: de verbreiding en verdediging der Waarheid aangaande Kerk, prediking, sacramenten, ambten, enz.

Aan prof. Jonker is verweten, dat hij zich zomaar op het Chalcedon beroept, 'k Heb mijn ogen uitgewreven toen ik dit las. Mag je je in de Kerk op één van de oudste belijdenissen beroepen? Moet 't Chalcedon in elk werk opnieuw geïnterpreteerd worden? Dat is niet-oecumenisch, niet-kerkeiijk en niet-rechtzinnig. Het is een eer voor de schrijver, dat hij het eeuwige Zoonschap alsmede de triniteit buiten elke twijfel stelt.

Het is ook een eer voor de schrijver, dat hij deze nieuwe theologie als sociaal humanisme van harte verwerpt. Wie temidden van heel veel onkruid in deze nieuwe theologie toch nog op zoek is naar een waardevolle munt, kan zijn tijd beter besteden. Dr. Jonker — hoe eerlijk analyserend en beoordelend ook — doet er niet aan mee.

Uit dit boek spreekt liefde en hoogachting voor de instellingen des Heeren. Dr. Jonker's boek heeft mijn aanbeveling niet nodig. Vurig hoop ik, dat niet alleen onze kerkeraden en predikanten opnieuw bemoedigd worden, maar ook dat vele meelopers met de karavaan van deze nieuwe theologie nog bijtijds de ogen geopend worden. Daarmee zou al veel gewonnen zijn.


1. De correlatie-methode is de methode waarin zaken wederzijds op elkaar betrokken en onderling afhankelijk zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 april 1970

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

LEVE DE KERK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 april 1970

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's