DE KERK
en wat haar vandaag te doen staat
Bijbels Kerkgeloof
Het is niet de bedoeling om alsnog stof aan te dragen voor de agenda van de Algemene Kerk Vergadering. Wat men ook van ons standpunt denkt, het is duidelijk voor wie dat weten wil, dat wij deze methode afkeuren. Niet van beneden uit moet de kerk weten, wat zij zijn en doen moet, maar van boven af, van God uit, van het Woord Gods afgelezen. Dat neemt niet weg, dat ons de toestand van de kerk ter harte moet gaan en dat de kerk het recht heeft, om onze inzichten te horen en onze inbreng te ontvangen. Wij wensen niet ter zijde te staan en mogen niet ter zijde staan. Ook wij hebben uit de bijbel te zoeken wat voor de kerk nodig en dienstig is. Wij mogen daarbij geenszins achter staan bij anderen in de kerk. Wij hebben daarbij de kerk en ook hen, die van andere meningen zijn, te dienen.
Wij weten zeer wel, dat zij, die op de agenderingsvergaderingen spraken vanuit de klassieke kerkopvatting en met de gegevenheden in de Schrift en in de belijdenis wilden werken, maar slecht werden aangehoord, om dit maar zacht te zeggen. Intussen is een klassieke kerkopvatting een oude en niet verouderde. Intussen is de Schrift de enige kenbron van God en van Zijn dienst en is de belijdenis nog altijd de spreekregel van onze kerk. Van een bijbelse kerkopvatting, liever van een bijbels kerkgeloof willen wij uitgaan, wetende dat, wat het geloof aangaande de kerk betreft, het Nieuwe Testament gewoon een voortzetting is van het Oude Testament. De Schrift heeft maar één kerkgeloof, gelijk Christus van het begin in de wereld Zijn gemeente tot een kerk vergadert. De kerk is niet ontstaan door de wil en door de idee der mensen. Zij is van God, zij is van boven, hoewel geplaatst in de wereld. God wil, dat zij is als een stad boven op een berg, dat zij is als een licht op een kandelaar. Hieruit volgt dat zij wel in de wereld is, maar niet van de wereld, dat zij vóór de wereld is (de stad en het licht), maar op geen manier uit de wereld.
De roeping der kerk
De roeping der kerk is dan ook speciaal gericht op God en op de bouw, de onderhouding, de uitbreiding der kerk. Dit kan de kerk alleen doen met dat, wat van God Zelf is, opdat de kerk in haar ontstaan en in haar voortbestaan hemels zij en blijve, derhalve door het van God gegeven Woord, door de van God gegeven sacramenten en door de van God gegeven ambten.
Buiten de van God gegeven middelen staat ons tot de bouw der kerk en tot onze taak in de wereld niets ten dienste. Maar deze van God gegeven middelen zijn dan ook zo rijk en zo toereikend, dat wij daar onze God mee kunnen eren en dat wij daarmee de mensheid genoegzaam kunnen dienen. De godzaligheid is tot alle dingen nut en heeft de beloften voor dit en voor het toekomende leven. Dit is de eerste taak der kerk, namelijk God te eren met al wat Hij ons gaf in Zijn Woord en dienst. Volbracht de kerk alleen deze taak, het zou genoegzaam zijn. Maar God, Die twee geboden gaf, gaf ook een taak in het horizontale vlak, namelijk ten aanzien van de mensen. Het begint bij de naaste, het eindigt aan de grenzen van landen en tijden. Gaat heen, onderwijst alle volken, lerende hen onderhouden wat Ik u geboden heb. Daar krijgt het profetische ambt der kerk een wereldwijd perspectief, het priesterlijk ambt aller gelovigen een alomvattend betoon van barmhartigheid en het koninklijk ambt een winnende kracht. Wij ontveinzen ons daarbij niet en mogen ons niet ontveinzen, dat tegenover elkaar blijven staan het rijk Gods en het rijk des Satans, poort tegenover poort. Wij ontveinzen ons niet en mogen ons niet ontveinzen, dat tegen het eind der eeuwen het zal zijn als in de dagen van Noach. Wordt dan de kerk een zoutend zout en een schijnend licht, dan zal dit zout behoudend, maar ook bederfwerend, bijtend zijn en dat licht zowel ontdekkend als vertroostend. Zo gaat vanwege de kerk het woord troostend en richtend door de wereld, maar het gaat door de wereld tot aan haar einden en tot aan haar einde.
Bezinning
Als de kerk zich op haar oorsprong en op haar roeping in deze wereld bezint, dan zullen die haar zelf in de eerste plaats moeten brengen tot bezinning. Wat is de kerk, wat was zij, wat zal zij zijn? Met deze oorsprong achter haar, namelijk God, Christus, de Heilige Geest, met deze gegevenheden bij haar, namelijk het Woord, de sacramenten, de ambten, wie zijn wij? Zijn wij kerk voor God? Zijn wij kerk in deze wereld? Meer kunnen wij niet zijn, meer behoeven wij niet te zijn, meer mogen wij zelfs niet zijn. Maar dan ook een kerk die haar zegenend licht doet uitstralen over allen en alles en die haar zoutend werk doet bij allen en in alles. Hierin past ons over de hele breedte der kerk diepe verootmoediging. Wat hebben wij van het woord Gods verstaan, en wat hebben wij van het woord Gods uitgestraald, wat hebben wij daarvan waargemaakt. Wie het woord Gods niet geloofde, heeft het ook niet gepredikt, heeft het ook nagelaten te doen. Die heeft het licht dat hem was toebetrouwd, gedoofd. Dit zout is smakeloos geworden en is waard buiten geworpen te worden. Dan is de profetie gedoofd, zij is weg. Wie Christus, de Barmhartige, niet gelooft, kent niet de barmhartigheid en betoont ook geen barmhartigheid. Alle priesterlijke dienst is dan teloor gegaan.
Wie Hem en Zijn Vader geen ontzag betoont, heeft zelf alle gezag verloren. De kerk heeft dan niets koninklijks meer. Dan begint een oordeel Gods bij het huis Gods. Dan geeft God de kerk over aan niets ontziende machten van het ongeloof, die de kerk tot niet zullen maken. Met ongeloof is de kerk nooit gediend geweest, ook niet met gedeeltelijk geloof. Dit doet de kerk haar plaats en ook haar taak in de wereld verspelen. Dan heeft de wereld aan deze kerk niets. Dan zal de kerk met deze wereld mee vergaan. Dan zullen de mannen van Sodom en de koningin van het Zuiden opstaan in het oordeel tegen zulk een geslacht, dat zich kerk noemde en zo weinig kerk was.
Van ons wordt niet meer en niet minder gevraagd dan het te houden bij God en bij Zijn gegevenheden. Zo niet, zo wij daar onze rijkdom en kracht niet in hebben, dan zullen wij geen dageraad hebben. Ons past dan niets meer en niets minder dan een hartgrondige bekering tot God en tot Zijn eenvoudige dienst!
Waar geen bekering is tot Hem, reëel, vandaag tot Hem, tot Zijn Christus, tot Zijn dienst tot Zijn woord, daar zal de kandelaar weggenomen worden. Waar die bekering wèl is, reële, vandaag, daar zal opgeruimd worden alles wat in de kerk de Geest des Heeren wederstaat en bedroeft. En daar is nogal wat, wat de Geest des Heeren wederstaat. Waar de kerk kwijnt en verdwijnt, daar is zelfs een erger kwaad dan het wederstaan van de Geest, dan het bedroeven van de Geest, namelijk het blussen van de Geest.
De woorden van prof. dr. ir. H. G. van Beusekom over het gebrek aan financiën en het sterk toenemend gebrek aan predikanten, het opheffen, samensmelten van predikantsplaatsen, het kwijnen van de kerkedienst, zijn duidelijke tekenen van het wegnemen van de kandelaar. Of zou iemand dit anders willen noemen? Dit is ons aller zaak, die ons ter harte gaat! Dat wil niet zeggen, dat dit ons aller schuld is.
Hieraan staan niet schuldig zij, die zich bij God en Zijn dienst gehouden hebben. Het is Johannes' schuld niet geweest, het is Paulus' schuld niet geweest, dat de zeven gemeenten van Klein-Azië teloor zijn gegaan. Niettemin heeft elk in de kerk de schuld te eigenen en mee te dragen. Wij zijn nu eenmaal kerk met elkander en de verbondsrelatie, waarin wij samen voor God staan, maakt ons in de kerk medeverantwoordelijk voor elkaars daden, voor elkanders afwijkingen, voor elkaars zonden.
De uitweg
Ook de weg, die wij met elkaar hebben te gaan, moet ons vanuit het bovenstaande klaar voor ogen komen. Die zal uit het Woord Gods en naar de aard der kerk, die in haar belijdenis uitkomt, moeten worden her-kend en er-kend. Er zal onderzocht en aangewezen moeten worden waar de fundamenten der kerk zijn aangetast. Als fundamenten zijn aangetast, dan heeft dat gevolgen voor het hele gebouw: muren scheuren, het dak verzakt. Dan moet alles van de grond af gerestaureerd worden. Van de bodem uit, van de grondstukken uit moet geweerd — maar ook ècht geweerd — worden elke prediking, die de Schrift en dus de Heere Zelf en Zijn Christus aantast. Al te lang heeft de kerk ons bezig gehouden met beloften van genezing der kerk, van reorganisatie der kerk, van kerkherstel en kerkopbouw. Deze alle zijn beloften gebleven, zij hebben niets geholpen. Wie het beeld, hierboven gebruikt, goed doordenkt, begrijpt dat deze methoden niet konden helpen. Genezen is ontleend aan de medische wetenschap. Reorganisatie ziet het uitsluitend in het organisatorische, ze brengt ons in het bureaucratische. Kerkopbouw bouwt voort zonder de gebreken te zien en te herstellen tot in de fundamenten. Kerkherstel komt er het dichtst bij. Wederkeer tot God, tot Zijn Woord, tot Zijn dienst — bekering — zijn de meer bijbelse woorden, die wij hiervoor hebben. Zal dat de zaak verbeteren? Voorzeker. Omdat zij doen denken in andere categorieën, meer bijbels en dan ook meer kerkelijk. Een individuele bekering is niet genoeg. Zij moet er een zijn van de kerk, van het volk. Dat dit mogelijk is, bewijst de bijbel en bewijst de kerk in verschillende tijden en in verschillende landen. Men moet dit geen ondoeltreffende kreten noemen. Of men zou het woord van de profeten en van de Allerhoogste Profeet kreten moeten noemen. De eis Gods is de hoofdlijn van de bijbel, vergezeld van de belofte: Als zij tot Mij wederkeren, zal Ik tot hen wederkeren. Zo niet dan hebbe de tucht der kerk haar taak! Men denke niet dat welk samengaan en samensmelten van kerken ook het euvel van de ontkerkelijking zal verhelpen. Het samengaan van af wij kenden zal het tempo van ontkerkelijking alleen maar versnellen! Wij zijn van God afgegaan, de kerk is afgeweken van God en Zijn woord. Daarvoor is maar één remedie: de kerk moet terug naar God, terug naar Zijn Woord, terug naar Zijn dienst. Al zullen wij de zevenduizend, die God niet verlaten hebben, Zijn Woord niet verlaten hebben. Zijn dienst niet verlaten hebben, dankbaar uitzonderen, waar zij ook waren, wie zij ook zijn, in de laagste kringen en zeker in de hoogste kringen.
Dit zal zeker zegenrijke gevolgen hebben voor het hele kerk-zijn en voor het hele kerk-zijn in de wereld. Hier ligt een rechtvaardige taak voor de kerk in de staat en de maatschappij. De kerk zal zich nooit kunnen vereenzelvigen met een bepaald stelsel of met een partij. Zij heeft de eis Gods te prediken op recht profetische wijze aan alle landelijke levensverbanden, ook aan de verhouding der volkeren en tot onderlinge hulp en bijstand. Het geloof der kerk zal op deze wijze bewaren voor een eenzijdig horizontalisme maar tevens aanzetten tot prediking van het heil, tot het doen van gerechtigheid en tot het betonen van barmhartigheid tot aan verre horizonten.
Uiteraard zal de zaak der kerk alle aandacht behouden, zoals kerkorde, eredienst, gemeentevorming. Hiermee zullen de kerkeraden in de bredere vergaderingen intensief en constant hebben bezig te zijn. Hoe staat de gemeente tegenover God, tegenover het Woord, tegenover de sacramenten? Hoe staan de gemeenteleden tegenover elkaar, hoe staan zij tegenover degenen die buiten zijn? Hoe staat de gemeente in de wereld, in de tijd waarin God haar plaatst? Deze tijd werpt vragen op, die wij niet ontgaan kunnen, die niemand onzer ontgaan mag. Wij zullen daarop vanuit God, vanuit Gods Woord, vanuit de kerk een antwoord moeten geven, althans een antwoord moeten zoeken, al zijn wij ons welbewust, dat wij op alle vragen geen antwoord zullen hebben en ook geen antwoord behoeven te hebben.
Naar dergelijke vragen vanuit de kerk en van buiten de kerk behoeft de kerk niet te vissen. Een levende kerk komt de vragen, die uit haar leden zelf en van buitenaf gesteld worden, vanzelf tegen. Bij een peiling naar wat in en buiten de gemeente leeft zullen een levende kerkeraad of, in breder verband, de classicale en provinciale moderamina, uiteraard al tegen komen al wat er leeft aan wensen, klachten, aan wat belangrijk en niet belangrijk gevonden wordt. De moderamina kunnen in hun ressort deze dingen zelf aan de orde stellen. De synode krijgt vanzelf te beraadslagen, ook over wat op tafel gekomen is. Zo wordt de hele zaak, die nu van bovenaf aan de orde gesteld is, omgebogen naar het presbyteriale systeem. Zo komen de kerkelijke vergaderingen weer tot hun recht en aan hun recht. En met al wat uit de gemeente of rond de gemeente opkomt aan vragen, aan wensen, aan meningen, moet worden gehandeld naar de maatstaven van de bijbel. Met degenen, die menen, dat de bijbel nergens maatstaf voor is en nergens maatstaf voor geeft, beginnen wij in de kerk niets.
Als de kerk oproept tot geloof in haar God en Zaligmaker, dan houdt die oproep in geloofsgehoorzaamheid bij haar, die roept en geloofsgehoorzaamheid bij hen, die geroepen worden. Dit is wat wij voor onze kerk zoeken, wat wij voor haar bidden, wat wij ook van haar vragen. Omdat het is tot heil van de kerk zelf.
Oproep
Vandaar dat wij met het oog op de ernst van de toestand, waarin de kerk zich bevindt, de kerkeraden en de predikanten der gemeenten vragen om op de morgen van zondag 10 mei in de prediking de zaak van de kerk en de noden van de kerk aan de orde te willen stellen en in verootmoediging, in het gebed de kerk en haar noden te willen opdragen.
De kracht van het gemeenschappelijk onder de ogen zien van wat de kerk deert en de kracht van het gemeenschappelijk gebed doet zo veel.
En onze God ontfermt zich op het gebed!
De kerk ten goede.
Namens het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond,
W. L. Tukker, voorzitter
H. Bout, secretaris
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 april 1970
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 april 1970
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's