Waar het aan schort
„Waakt op, rechtvaardiglijk en zondigt niet. Want sommigen hebben de kennis van God niet, ik zeg het u tot schaamte." 1 Korinthe 15 : 34
In het brede kader van de opstanding der doden, brengt Paulus het christelijk leven ter sprake. Waar de opstanding uitvalt, is dit leven het een en het al: Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij. Zo'n opvatting grijpt om zich heen. Zo wordt er over het leven gesproken. Slechte gesprekken zijn het, waarin Pasen niet meespreekt. Op den duur gaat men vinden en voelen, wat „men" vindt en voelt. De mondige mens is nogal aan de mode onderhevig; wij praten elkaar na en apen elkaar na. Zo doende worden onze zeden verdorven. Ons gedragspatroon, daarin komt Pasen niet voor. Dat is aan alles te merken.
Paulus waarschuwt de gemeente om zich niet mee te laten nemen door de heersende meningen en stromingen. Dwaalt niet! Waar ge mee omgaat wordt ge mee besmet. Mensen drijven de spot met de opstanding: mijd hen! zij zwijgen het leven in Christus, het eeuwige leven dood; laat u niet door hen beïnvloeden. Houdt u aan het evangelie, en maakt daaruit uw gevolgtrekkingen voor het leven.
Hij richt zich op en zijn ogen fonkelen. Is hij niet een apostel, heeft hij de Here Jezus niet gezien, werd de gemeente van Corinthe niet door hem gesticht? Welnu dan: waakt op rechtvaardig, beter vertaald: komt tot de rechte nuchterheid. Hij verwijt velen in de gemeente dat ze in een soort roes leven. Ze denken heel nuchter over de opstanding; dat kan niet! Maar hun verstand is beneveld door de wijsheid van deze eeuw en dat blijkt uit hun denken, spreken, doen. Het wil maar niet helder worden, dat Christus uit de doden opgewekt is. Wakker worden! Nuchter worden! De echte nuchterheid wordt door de Heilige Geest gewerkt. Hij doet de nevelen opklaren, zodat wij kruis en opstanding in één lijn zien liggen. Wij mogen als gemeente niet bevangen worden door de levensroes, die wij om ons heen waarnemen, wij mogen in handel en wandel niet doen alsof er geen opstanding der doden is. Nuchter is hij, die uit deze roes ontwaakt, zich de ogen uitwrijft en gelooft.
Zondigt niet. Is dat dan zondigen, zeggen dat er geen opstanding der doden is? Wel zeker, dat is zondigen, te kort doen, aan wat de Here ons bekend maakt. En leven als ware er geen opstanding der doden. Dat is ook zondigen. Wij spreken in woord en daad God tegen, die Christus uit de doden opgewekt heeft; zodoende richten wij ons leven niet op de toekomende eeuw, de toekomst des Heren. Dat is ook zondigen; wij slaan de plank dan lelijk mis. Wij zitten er naast. Wie bezondigt zich niet aan de waarheid Gods? Daarom roept Paulus ons op tot bekering. God wil ons verstand verlichten, om de Waarachtige te kennen.
Want daar schort het aan: Sommigen hebben de kennis van God niet. Dat is meer dan kennis, die God verleent; dat is kennis waarmee God gekend wordt. Zij hebben een voorstelling van God, een opvatting over Hem, die ze voor waar houden, ook in Corinthe. Sommigen althans. Maar ze missen de kennis die de Heilige Geest schenkt, de geloofskennis Gods. Iemand kan veel weten en God niet kennen. Iemand kan hele gesprekken voeren over God en godsdienst, en God niet kennen. Het is te vrezen, dat menigeen geen kennis van God heeft. Niet het flauwste besef, wie Hij eigenlijk is. Wij mogen ons dit woord wel aantrekken. Er is onder ons heel wat algemene godsdienstigheid, gereformeerdheid, gelovigheid. Maar hoe zeer ontbreekt de persoonlijke kennis van de levende God.
Dat is nogal wat. Hebt u daar nooit erg in gekregen? Wij, mensen van de twintigste eeuw, kennen God minder dan ooit. We zijn zo veel wijzer geworden, verbeelden wij ons. En iedereen denkt en zegt het zijne over God. Het zijne, daar wringt de schoen. Alsof het „onze" enig gewicht in de schaal legt als het om God gaat. Hier kan alleen het apostolisch en profetisch getuigenis helpen. God de Heilige Geest kan ons helpen, door ons de ogen te openen.
De Sadduceeërs — verlichte mensen, naar ze meenden — voerden eens een gesprek met Jezus over dit onderwerp: de opstanding der doden. Wat al onwaarschijnlijkheden en onmogelijkheden brachten ze daar tegen in. Christus, onze hoogste profeet en leraar antwoorde hen: Gij dwaalt, want gij kent de Schriften niet, noch de kracht Gods. God is geen God der doden, maar der levenden. Dat is het: de Schrift en de kracht Gods! De wetenschap van het geloof. God kan niet anders God zijn, dan in en door de opwekking der doden. Dat is duidelijk geworden met Pasen, bij de opstanding des Heren. Het schittert echter door heel de geschiedenis van Israël als een stil en sterk licht; God pakt de dood aan, wekt het leven op uit de doden, helpt over het dode punt heen. Ga het maar eens na.
Paulus leerde het met schade en schande. Hij leerde op God te vertrouwen, op die God namelijk, die de doden opwekt. God voerde hem in vele doden, om zich als de waarachtige God te bewijzen. Ondervinding is de enige leermeester. De macht Gods aan den lijve ondervonden, de waarheid Gods bevestigd zien in duizend doden. Wie in de verste verte geen besef heeft van de macht Gods, omdat het geloof hem ontbreekt, die dwaalt. Dwalend heeft hij moeite met alle artikelen van het ongetwijfeld geloof. Hij kan niet geloven in de opstanding der doden, omdat hij niet in Gòd gelooft, in deze God des levens.
Het komt naar ons toe. Hebben wij de kennis van God. Of schort het daar aan, terwijl wij denken: ik moet en ik zal. Menen wij niet vaak, dat, als wij het niet meer weten, God het ook niet meer weet? God kan niet, als ik niet meer kan. Die onkunde wreekt zich in alle levenservaringen en levensomstandigheden. Wij getuigen van God, die Christus uit de doden opwekte. Op geen ander zult gij uw hoop stellen. Hoopt volkomen op Hem, in voorspoed en tegenspoed, in leven en sterven. Om niets raken wij zo verlegen, dan om de rechte kennis van God en dan pas zijn de ervaringen waardevol, als we kennis van God opdeden in al wat ons wedervoer. De Heere wil het ons leren; een leven lang, zodat we toenemen in deze kennis.
Ik zeg het u tot schaamte. In Corinthe ging men prat op zijn kennis. Daar klopt niets van, zegt Paulus; schaamt u liever over uw onkunde. Verslaap de paasmorgen niet! Wakker geschud door dit apostolisch woord, ontnuchterd, schamen wij ons. Over ons leven: eten en drinken. Over ons denken: onze meningen doorstaan de toets van het Woord niet. Vooral over ons gebrek aan kennis van God.
Wie zou zich niet schamen. Ik denk soms, hier schort het aan, en dan schiet ik tekort. Maar nu moet ik het belijden: de kennis van God ontbreekt mij. Waarom wanhoop ik zo spoedig in noden en angsten, terwijl God toch Gòd is? Heere, zo bidt ons hart: Leer mij U kennen. Waarheen Gij Uw treden wendt. Uw voetsporen vindt ik terug in uw woord; ik zet mijn treden in Uw spoor. Het schaamrood is het morgenrood van een nieuwe dag. God kennen is geen verstandelijke aangelegenheid, het is geen zaak van het gevoel. God kennen is Hem beminnen, met Hem omgaan, en in die omgang zich telkens over Hem verwonderen. Groot van Hem denken; ontdekken dat Hij Gód is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 april 1970
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 april 1970
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's