Het Avondmaal ook voor kinderen?
Er is op het ogenblik in allerlei kerkeraden en ook in het kader van de Algemene Kerkvergadering een vrij sterke neiging om bovenstaande vraag met „ja" te beantwoorden. Wanneer dat gebeurt betekent het niet zonder meer een afschaffing van het doen van belijdenis (al willen sommigen ook dáártoe over gaan). Maar wel een zgn. „ontkoppelen" van belijdenis en Avondmaal.
Het is merkwaardig de argumenten te overwegen die je soms tegenkomt en die dienst moeten doen als breekijzer in die eeuwenoude en dus muurvaste samenhang tussen deze twee. Eén van de argumenten, die ik tegenkwam in een aan dit onderwerp gewijde studie is, dat bij toelating tot het Avondmaal ná geloofsbelijdenis alleen, de sacramenten het karakter zouden krijgen van een beloning en verzegeling van ons geloof.
Ik zou willen vragen, waar men ooit in de belijdenis der kerk of in de Gereformeerde theologie de suggestie is tegengekomen dat Doop of Avondmaal een beloning zouden zijn. Misschien dat in een Remonstrants denkklimaat hiervoor plaats zou kunnen zijn. Maar ik dacht, dat het goed Reformatorisch was uit te gaan van het „sola fide" (alleen door het geloof) en dan als identiek met „sola gratia" (alleen genade). De Hervormers hebben ten volle willen honoreren, wat Paulus zegt in Efeze 2:8: Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave. Wanneer de Hervormers op het voetspoor van de oude kerk, de belijdenis des geloofs aan het sacrament laten voorafgaan, dan heeft dit niets te maken met „vooroordelen, waarmee de zeer jonge kerk te maken had". Ik kwam deze opmerking tegen in bovenbedoelde studie, waarin verwezen werd naar de vraag of de heidenen zich moesten laten besnijden (Hand. 11 : 15 en de Galatenbrief). Maar dit is een geheel andere, onvergelijkbare zaak. Nooit heeft de kerk het geloof gezien als een verdienste, maar als de weg, die God Zelf gewild heeft en werkt, waarlangs Hij Zijn gemeente deel geeft aan Christus in al Zijn weldaden.
Het is voluit Bijbels, dat God Zelf het licht schenkt, maar ook het oog om dat licht te zien. Dat oog is onmisbaar. Het gaat overal in de Schrift, waar zo grote en beslissende dingen aan het geloof verbonden worden, om de onmisbaarheid van het geloof. Maar dat is totaal iets anders.
Daarom is het een scheve voorstelling, dat, bij handhaving van de band tussen geloofsbelijdenis en Avondmaal, dit laatste een beloning zou zijn op het eerste. Het gaat er om, dat Christus dit sacrament „alleen voor Zijn gelovigen heeft ingesteld" (Form. H.A. I.). Alleen in het geloof, hoe klein en hoe zwak ook, wordt Christus gezien en ontmoet in het Avondmaal. Daarom verwijzen Belijdenis en Formulier ook bij het zelfonderzoek naar het geloof als noodzakelijk om recht Avondmaal te kunnen vieren. Maar het verwijt van de beloning berust op een ernstig misverstand, zo ook wanneer gevraagd wordt, of de sacramenten geen verzegeling van ons geloof worden, wanneer men de geloofsbelijdenis vooraf laat gaan. Daarvan moeten we ook al weer vragen: wie heeft ooit zo iets beweerd? Het is overeenkomstig het Reformatorische inzicht in het doel en de betekenis van de sacramenten, te zeggen, dat God ze gegeven heeft om de beloften van het Evangelie te verzegelen, zoals de acte van een geloofwaardig man bekrachtigd wordt doordat zijn verklaring op zegel gesteld wordt. Zo wil God Zijn beloften verzegelen. Niet het geloof wordt verzegeld, maar de beloften.
Maar dat wil niet zeggen, dat het geloof hiermee niets heeft uit te staan. Dezelfde belijdenis van onze kerk (zie b.v. Heid. Cat. Zondag 25 v.v.) zegt, dat de sacramenten dienst doen om het geloof te versterken. 't Gaat er niet om, dat het geloof wel een pluimpje verdient, maar dat het zwak is en dat het Avondmaal een versterkend middel is voor een geloof, dat er althans in beginsel moet zijn, om versterkt te kunnen worden.
Een volgend argument, dat ik tegenkwam, is dit: de gemeente viert de maaltijd des Heren uit louter genade en niet op grond van onze verdiensten". Accoord. Maar dan volgt er deze merkwaardige zin: „mogen we dan gedoopte kinderen weren van het Avondmaal, als stonden ze op één lijn met hen, die onder bijzonderemaatregelen-ter handhaving-van de-kerkelijke tucht-gesteld zijn? ”
De verbindingsstreepjes bedoelen het erge van de discriminatie van deze kinderen te onderstrepen en van een uitroepteken te voorzien. Maar deze redenering gaat helemaal mank. Er is verschil tussen „nog niet" en „niet meer". Het is in de regel geen discriminatie als iemand van twintig jaar nog niet tot hoogleraar benoemd wordt. Maar het is inderdaad een ernstige zaak als iemand van 50 of 60 jaar van zijn professorale waardigheid ontheven wordt, omdat hij zich onmogelijk heeft gemaakt. Dat zijn toch geen vergelijkbare grootheden!
Zo is er ook binnen het verband der genade een „nog niet", dat niet discriminerend is, omdat er eenvoudig „de tijd" nog niet voor aangebroken is. Daarnaast is er een „niet meer", dat in de Reformatorische belijdenis en liturgie als een zaak van aangrijpende ernst behandeld wordt (Zondag 31 over de sleutelmacht!).
We ontmoeten hier een te simplistische gelijkschakeling van beide sacramenten, terwijl zij toch, al bezegelen ze dezelfde belofte des Evangelies, niet identiek zijn. Men herinnert b.v. aan de hoge dingen, die we van de kleine kinderen der gelovigen belijden. Dat ze nl. „erfgenamen van het rijk Gods en van Zijn verbond zijn". Verder dat ze „in Christus geheiligd en daarom als lidmaten van Zijn gemeente behoren gedoopt te wezen". Verder wijst men op het bekende tafereel uit Matth. 19, waarin Jezus opdracht geeft de kinderkens tot Hem te laten komen en ze niet te verhinderen. En men vraagt of deze veelgebruikte bewijsplaats voor de kinderdoop niet even goed een nodiging tot de Maaltijd des Heren behelst.
Maar dat zou een al te snelle conclusie zijn. Bij de Doop belijden we, dat de kleine kinderen „zonder hun weten" in Adam verloren, in Christus wederom tot genade aangenomen. De kinderen, waarop de nodiging van Matth. 19 : 14 betrekking heeft, waren blijkens de Griekse tekst, beslist nog zeer jonge kinderen.
En nu is het verbond van Gods genade zo wijd, dat ook de kleine kinderen der gelovigen daarin een plaats vinden. Het gaat er ook niet om of de kleine kinderen wel tot het verbond der genade behoren, maar òf ze en hoe ze er mee bezig zijn. Of het hart „ja" zegt of „neen" tegen dat verbond en tegen de God van dat verbond. Of de verootmoedigende taal van de Doop (die immers in de eerste plaats een brandmerk is — denk maar aan de hele tendens van de prediking en de Doopsbediening van Johannes de Doper) verstaan is, en het hart ook (en dat is geen vanzelfsprekend ding) is opengegaan voor de rijkdom van Gods genade in Christus. Dat is geen kwestie van meerdere „intelligentie" van de volwassene boven het kind (ik kwam die uitdrukking ergens tegen) maar van het onderwijs dat God de Here door Zijn Woord en Geest in het opgroeiende leven wil geven, zó dat we nu ook „werkzaam" zullen zijn met het Woord der genade en met het sacrament. We wòrden gedoopt (passief).
Maar we vieren het Avondmaal (actief). En dan staan er in de Bijbel een aantal van die actieve werkwoorden, die bij de viering van het Avondmaal alle aandacht vragen: dat wij n.l. dit alles zullen „doen" tot 's Heren gedachtenis; dat wij de dood des Heren zullen „verkondigen" totdat Hij komt; dat wij onszelf zullen „beproeven", voordat wij tot de Tafel des Heren zullen komen.
(slot volgt)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 april 1970
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 april 1970
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's