De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

11 minuten leestijd

Na 25 jaar

Het april-mei nummer van „Kerk en Israël" is samengesteld met het oog op de herdenking van de nationale bevrijding in 1945. Het valt te verstaan dat juist het blad van de raad voor het gesprek met Israël hieraan aandacht schenkt. De vloedgolf van nationaal-socialistisch heidendom heeft immers juist Israël getroffen. En er is wel geen herdenking van deze jaren mogelijk zonder dat het licht valt op wat er gebeurd is met de Joden.

De vrijheid die ons in 1945 ten deel viel zal alleen maar met dankbaarheid herdacht worden, als wij ook Israël in onze herdenking betrekken. Trouwens, juist het boek dat wij met Israël gemeen hebben, het Oude Testament, spreekt op indrukwekkende wijze over vrijheid en bevrijding. Terecht schrijft de eindredacteur, ds. S. Gerssen in zijn artikel „Leve de vrijheid" dat wij vanuit Israël geleerd hebben wat vrijheid eigenlijk is.

Buiten de bijbelse openbaring om, kan men niet spreken van vrijheid, maar hoogstens experimenteren met vormen van schijnbare vrijheid, die vroeg of laat mislukken en eindigen in slavernij.

De God van Israël is de God der bevrijding. Het heilsfeit van de uitredding uit Egypte staat in het hart van het credo van Israël. Israëls bestaan is gefundeerd in het bevrijdend handelen Gods. Het Pascha wees Israël daar steeds weer op.

Voortdurend klinkt de roeping te blijven gedenken dat men slaven geweest is in Egypte. Vrijheid is in het OT veel meer een roeping dan een bezit. Leven uit de vrijheid is leven uit de belofte van God, wandelen naar Gods rechten en inzettingen, voortdurend onderweg zijn naar het land der vrijheid. Gerssen wijst in dit verband op Exodus 12 en op de verbinding van de verwijzing naar de uittocht en de wetgeving in Exodus 20. Hij schrijft in dit verband:

Vrijheid kan nooit verkregen worden door de normen aan te passen aan de begeerten van het hart. De vrijheid wordt alleen gediend, wanneer de rechten en inzettingen des Heren worden geëerbiedigd en ook in de samenleving der mensen geldigheid behouden. Wanneer tegenwoordig met nadruk over de mondigheid van de mens gesproken wordt, mag wel gevraagd worden wat daaronder wordt verstaan. Mondigheid in bijbelse zin is, dat God met zijn schepsel om wil gaan als de bevrijdende God en dat het schepsel door hem persoonlijk wordt aangesproken. In de aanspraak „Ik ben de Here uw God" ligt de mondigheid van de mens verankerd en gegarandeerd. Hij wordt namelijk door Hem niet als een slaaf of als een functie, maar als mens, als kind aangesproken. Wanneer men niet meer mens-voor-God wil zijn is de mondigheid juist in gevaar. Het valt dan immers te vrezen dat deze mondigheid een toestand voorbereidt, waarin de verslaafdheid en de onmenselijkheid erger worden dan ooit. God heeft ons zijn gebod gegeven omdat Hij zorg heeft over de menselijkheid van de mens. Daar wil Hij namelijk voor strijden, dat doet Hij met de bekendmaking van zijn wil.

De vrijheid gaat in het rood gekleed, want zij is met bloed gekocht. Israël wist dat men de vrijheid niet te danken had aan een wisseling op het politieke toneel, maar aan de uitgestrekte arm en de slaande hand des Heren in Egypte. Dat weet de christelijke gemeente nog te meer, want ons Paaslam is voor ons geslacht. Wij zijn geroepen tot het rijk van de vrijheid dat gefundeerd is in het kruis.

Tot zover dit citaat. In het slot van dit artikel wijst Gerssen erop, hoe de prediking van de vrijheid steeds opnieuw een oproep tot de strijd is. De vrijheid is er en is er nog niet. Er is de spanning tussen vlees en Geest, tussen deze bedeling en de toekomende.

Dr. J. Koopmans

Behalve dit artikel over de vrijheid bevat dit nummer een kort artikel over het boek „Edda en Thora" van prof. dr. Miskotte, dat in 1939 scherp aanwees waar in het geding met het nationaal-socialisme de fronten lagen. Verzoening tussen de germaanse religiositeit en de prediking van Gods geboden en beloften is uitgesloten. Een boek als een appèl: Kiest u heden, wie gij dienen zult.

Trouwens er waren in die eerste oorlogsjaren meerderen die scherp doorzagen, waarom het ging. Een van hen was dr. J. Koopmans (geb. 1905), sinds 1941 predikant in Amsterdam. Kort voor de bevrijding werd deze begaafde prediker en theoloog getroffen door een verdwaalde, duitse kogel, die niet voor hem bedoeld was. Op 24 maart 1945 overleed Koopmans. Zijn schriftelijke nalatenschap heeft zijn weg gevonden naar vele bibliotheken. We denken aan zijn drie bundels preekschetsen, een goudmijn voor de prediking die aan velen onschatbare diensten bewezen hebben, aan zijn boeiende dissertatie over het oud-kerkelijk dogma in de reformatietijd, aan zijn voordrachten en artikelen, gebundeld onder de titel „Onder het Woord".

„Kerk en Israël" wijst speciaal op de betekenis die Koopmans had voor het kerkelijk verzet, gedurende de bezettingsjaren, en op zijn getuigen van onze solidariteit met Israël. Ds. H. C. Touw, die de geschiedenis van het kerkelijk verzet teboek gesteld heeft, geeft een boeiend artikel over de betekenis van dr. Koopmans voor het verzet.

Hij wijst erop hoe Koopmans reeds in 1939 een poging deed een getuigenis voor te bereiden tegen de nationaal-socialistische beweging, tegen het antisemitisme.

In October 1940 stelde Koopmans een geschriftje op: „Bijna te laat", dat bedoeld was voor verspreiding in het hele land. Een geschrift dat terecht beroemd geworden is. Wie de tekst niet heeft, kan in dit april-mei nummer van „Kerk en Israël" de volledige tekst van deze brochure vinden.

De aanleiding tot dit geschrift was de houding die velen aanamen tegenover de zgn. Ariër-verklaring, de verklaring dus, dat men geen Jood was. Velen tekenden, in argeloosheid en berusting. Ondanks gewetensnood. Inmiddels was de zgn. Luntersekring ook bezig leiding te geven aan het kerkelijk verzet. Het geschriftje „Bijna te laat" was bedoeld de mensen wakker te schudden.

Geheel onverwacht stelde in de laatste week van oktober dr. Koopmans in de consistoriekamer van de Nieuwe Kerk te Amsterdam aan mej. Kohlbrugge de tekst van het door hem geschreven „Bijna te laat!" ter hand, met de woorden: Zie jij maar, wat je er mee doet!" Samen met ds. Kroon, die toen predikant in Noordwijk aan Zee was, wist mej. Kohlbrugge de Noordwijkse drukker A. Dorsman bereid te vinden, clandestien, en met de grootste risico's, het gevaarlijk geschriftje te drukken in een voor die tijd ongekende oplage van 40.000 exemplaren.

Ten huize van de moedige Amsterdamse predikant dr. G. Oorthuys, Prinsengracht 21, werd alles opgestapeld. Een nacht lang werkten daar dr. Oorthuys en diens vrouw, mej. Kohlbrugge en haar zuster, samen met twee studenten, aan het insluiten der geschriftjes in enveloppen, het frankeren en adresseren aan geselecteerde adressen, o.a. oudleden der N.C.S.V., alle burgemeesters, notarissen, schoolbesturen, enz. In koffers werden de enveloppen naar leden van de Lunterse Kring vervoerd, met preciese opdracht, op welk uur de enveloppen per post verzonden moesten worden. Dr. Buskes reisde met een grote koffer, waarin twee duizend exemplaren zaten, van Amsterdam naar Rotterdam! Alles verliep stipt volgens de afspraken.

Het is bijna te laat, — zo zegt dr. Koopmans in dit klein, maar hoogst belangrijk geschrift, — maar niet helemaal! Wij zijn geslagen, maar dat mag niet betekenen, dat we nu ook voorgoed verslagen zijn! Wij moeten nu, voordat het helemaal te laat is, overleggen, wat ons te doen staat, als de tweede slag komt. En dan doet de schrijver een hartstochtelijk beroep op alle Nederlandse instanties, om in geen enkel opzicht mee te werken aan enige anti-Joodse maatregel, zoals de Ariër-verklaring een der eerste was.

„Bijna te laat!" is een der machtigste getuigenissen van radicaal verzet tegen het anti-semitisme. Helder, scherp, moedig geschreven, heeft het zeer velen van ons volk voor het eerst wakker geschud, en met schaamte doen zien, wat wij allen bezig waren te doen.

„Koopmans heeft in zijn brochure „Bijna te laat!" willen zeggen", — aldus zei later prof. Miskotte voor de t.v. — „dat een slag verloren was, de eerste slag. Hij had het beleefd, zoals wij allen het in die tijd beleefd hadden, dat zelfs intellectuelen, die toch gelegenheid genoeg hadden om het Duitse Rijk te doorzien, zich van de Ariërverklaring in kwestie niets aantrokken of liever gezegd, eenvoudig tekenden met de onnozele verontschuldiging dat men toch niet hoefde te liegen wanneer men zei dat men geen Jood was... Wij Nederlanders zijn misschien niet een uitgesproken dapper volk in die zin, dat wij ook vechten, wanneer wij geen hoop op succes zien. Daartegenover stelt Koopmans zich. Hij zegt dat het voor een goede zaak altijd de moeite waard is, zich in te zetten, met kans op succes of niet. En dat wij met ons geweten niet mogen marchanderen. En dat het er op zal aankomen voor de zaak, deze goede zaak, zo nodig, te vallen.”

Ook in het boek van Presser, Ondergang wordt diepe waardering uitgesproken voor dit geschrift.

Toen dr. Koopmans als predikant in Amsterdam kwam heeft hij op nog geheel andere wijze zijn gaven in dienst gesteld van het Joodse volk. Touw schrijft in dit verband:

De eerste Joden-deportaties waren begonnen, en de kerken hadden door onderhandelingen de verzekering van vrijstelling van deportatie verkregen voor gedoopte Joden. In de Nieuwe Kerk te Amsterdam wordt het Bureau gevestigd, waarvan Koopmans de leiding krijgt, waar het uiterste gedaan wordt, om zoveel mogelijk mensen van Joodse afkomst te redden uit de greep van de tyrannieke bezetters en daarmee van de ondergang. Blijmoedig offert de theoloog al zijn tijd vele maanden voor dit zenuwslopende, hoogst verantwoordelijke werk.

Later vinden wij hem soms, in opdracht der Synode, betrokken bij allerlei besprekingen met Duitse instanties, om Joden te redden. Soms is hij in de consistorie van „zijn" Noorderkerk, van waaruit allerlei illegale lectuur wordt verspreid, en illegale actie voorbereid, vaak in samenwerking met „Vrij Nederland”.

Niet verzwegen mag hier ook, dat het Koopmans was, die, op verzoek der kerken, in mei 1943 het uiterst bewogen, verontwaardigde protest opstelde, dat door alle kerken aan Seys Inquart verzonden werd, om te getuigen tegen de schandelijke plannen tot sterilisatie van gemengd-gehuwde Joden. Deze laatsten werden daardoor voor het afschuwelijke conflict gesteld: zich te laten steriliseren of gedeporteerd worden. Het zou in beide gevallen de uitroeiing van hun volk bedoelen. In het protest, dat Koopmans opstelde, klinkt dezelfde toon door van profetische ernst, vanuit het besef, een opdracht van Godswege te moeten vervullen. Maar nu is het geen anonym, illegaal geschriftje, maar het getuigenis van tien kerken. Uit dit lange protest kunnen we hier slechts een enkele passage citeren.

„De sterilisatie is de uiterste consequentie van een anti-christelijke en volksvernietigende rassenleer, van een mateloze zelfverheffing, van een werelden levensbeschouwing, die een waarlijk christelijk en menselijk leven onmogelijk maakt. Daarom zeggen de christelijke kerken in Nederland in opdracht van God en op grond van Zijn Woord tot Uwe Excellentie: het is de plicht van Uwe Excellentie de schandelijke praktijken dergenen, die de sterilisatie toepassen, te verhinderen. Wij maken ons geen illusies. Wij zijn ons wel bewust, dat wij nauwelijks kunnen verwachten, dat Uwe Excellentie acht zal geven op de stem der Kerk, dat is op de stem van het Evangelie, dat is op de stem van God. Maar wat men menselijkerwijs gesproken niet kan verwachten, dat mogen wij in het christelijk geloof hopen. De levende God heeft macht ook het hart van Uwe Excellentie te neigen tot bekering en gehoorzaamheid. Dat bidden wij dus van God, Uwer Excellentie en ons lijdend volk ten goede.”

Dit protest, dat doet denken aan andere uit klassieke tijden der kerken, is een der aangrijpendste documenten uit de strijd der kerken tegen het heidens nationaal-socialisme. Achteraf gezien is het duidelijk afkomstig van de schrijver van „Bijna te laat!’

Uiteraard is tegen dr. Koopmans telkens fel en grof gewaarschuwd door de nat. soc. pers in die jaren. Zo noemde het S.S. blad Storm hem o.a. „een in toga verhulde procuratiehouder der firma Juda en Co", „aankomend preektijger, die het opnam voor het jodentuig", „volksverraderlijke dominee", „gevaarlijke saboteur", enz. Tot een arrestatie is het echter niet gekomen.

Wij mogen „Kerk en Israël" dankbaar zijn voor dit herdenkingsnummer. Bezinning op het verleden is meer dan een kerkhistorische aangelegenheid. Het getuigenis van dr. Koopmans en vele anderen werd gedragen door profetische ernst, priesterlijke bewogenheid, koninklijke moed. Wanneer herdenking van de bevrijding ook betekent bezinning op het heden, dan kan men alleen maar de hoop uitspreken dat de kerk ook in onze tijd bezield moge zijn met de Geest des Heren, om profetisch te getuigen naar het Woord des Heren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 april 1970

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 april 1970

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's