De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De zorgen van de kerkvoogdijen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De zorgen van de kerkvoogdijen

9 minuten leestijd

I

Deze titel is niet van mij, maar van prof. dr. ir. H. G. van Beusekom, erevoorzitter van de Vereniging van Kerkvoogdijen en hoofdredacteur van het maandblad van deze vereniging „De Kerkvoogdij". Mij bereikte het verzoek iets te schrijven over een artikel van de hand van prof. Van Beusekom in het maart-nummer van genoemd blad, dat bovenvermelde titel draagt. Het lijkt mij goed het hoofdartikel van dezelfde schrijver, verschenen in het nummer van februari van „De Kerkvoogdij" ook daarin te betrekken. Dit gaat over „Gemeentevormen en gemeenteopbouw en de kerkvoogdijen". Het zijn immers ook de financiële zorgen van de kerk, die hebben geleid tot het verstrekkende, zo u wil heilloze rapport „Gemeentevormen en gemeenteopbouw", dat in de november-vergadering vorig jaar ter synode is behandeld en niet aanvaard. Natuurlijk is de financiële situatie niet de voornaamste aanleiding tot het opstellen van dit rapport geweest. Maar zij speelt een rol mee. Pecunia nervus rerum! Het geld is de zenuw van de dingen, ook van het kerkewerk. Ook in de kerk geldt, dat men allerlei plannen kan maken en het meest nodige en nuttige werk kan opzetten — maar het geld moet er voor zijn. En op dit punt is de situatie verre van rooskleurig. In vele gemeenten hebben de kerkvoogdijen zorgen, zware zorgen. De uitgaven stijgen drastisch. Tractementen en salarissen moeten voortdurend worden opgetrokken, de kosten aan de kerkelijke gebouwen verslinden sommen gelds en het bedrag van het quotum (de verplichte bijdrage voor het algemene kerkewerk) neemt jaarlijks toe. Ondanks de welvaart weet menige kerkvoogdij haar begroting niet meer sluitend te krijgen. Enerzijds werkt de voortgaande ontkerkelijking door. Ieder kan begrijpen, dat deze ook zeer nadelig is voor de kollekte in de eredienst en de vrijwillige bijdrage of hoofdelijke omslag. Anderzijds verstaan ook vele meelevende gemeenteleden hun roeping helaas nog onvoldoende. Daar kunnen nog twee factoren bijkomen. Een gemeente kan zó klein zijn, dat zelfs grote inspanning van de gemeenteleden om de zelfstandigheid en de predikantsplaats te handhaven niet meer baat. Mede gelet op het huidige tekort aan predikanten lijkt combinatie met een andere gemeente dan, eventueel voorlopig, de enige oplossing. Het kan ook gebeuren, dat een kerkvoogdij zó autocratisch te werk gaat en de gemeente zó onkundig houdt, dat alle lust tot geven aan de gemeenteleden ontgaat. En wat te denken van een kerkvoogdij, die (zoals ik eens vernam) maar een enkele maal per jaar vergadert en op wier agenda gebed en dankzegging ontbreken? Op de uitzonderlijke gevallen en uitwassen wil ik echter niet ingaan. Het is voldoende vast te stellen, dat de meeste kerkvoogdijen zorgen hebben. En die zorgen gaan toegewijde, trouwe, bekwame en gelovige kerkvoogdijen niet voorbij. Het resultaat? Menigmaal onvoldoende onderhoud van kerkgebouwen, pastorie en andere panden. Sluiting, verkoop, afbraak van een kerkgebouw. Opheffing van predikantsplaatsen.

Maar wat zich plaatselijk afspeelt, dient zich ook aan voor de generale financiële raad. Het ziet er naar uit, dat op de begroting 1971 op het landelijk werk voor ƒ500.000 tot ƒ600.000 moet worden besnoeid! Zodat de G.F.R., ondanks het steeds verhoogde quotum, de reclamecampagne voor de Paas-en Oudejaarskollekte, de verhoging van de bijdrage voor de generale kas, de eindjes ook niet meer aan elkaar weet te knopen.

Wenden wij ons nu tot de artikelen van prof. Van Beusekom, allereerst dat over „Gemeentevormen, gemeenteopbouw en de kerkvoogdijen". Het inmiddels niet aanvaarde rapport over „Gemeentevormen en gemeenteopbouw" was bedoeld als een bijdrage tot het gesprek over de problemen, waarvoor de Hervormde kerk in een sterk veranderende maatschappij staat en over de vraag, welke nieuwe wegen de kerk, zowel plaatselijk als landelijk, zou kunnen inslaan om in de nieuwe, voortdurend veranderende situaties haar opdracht als kerk te kunnen blijven vervullen". Over dit rapport, naar de secretaris van de daartoe benoemde commissie wel het rapport-Kaptein genoemd, is veel te doen geweest, is ook uitvoerig geschreven in „De Waarheidsvriend”.

Prof. Van Beusekom spreekt er zijn verwondering over uit, dat in deze commissie geen enkele vertegenwoordiger van de kerkvoogdijwereld zitting had en dat hij officieel geen exemplaar van het rapport in handen kon krijgen. Van bevriende zijde is hem toen de paragraaf, die handelt over de kerkvoogdij ter hand gesteld. Het blijkt, dat het rapport stelt, „dat de constructie van de zelfstandige plaatselijke kerkvoogdij in de huidige situatie van de kerk onmogelijk is geworden en één van de oorzaken kan worden, waardoor de kerk, als er geen verandering in de situatie komt, op den duur zal vastlopen". Het heet dan, dat de zelfstandigheid van de plaatselijke kerkvoogdij onjuist en ongewenst is. En er wordt gesproken over een zeer menselijke bezitsdrang in een kerkelijk kleed. Prof. v. B. schrijft dan: „Het komt er intussen maar op neer, dat de commissie de kerk­voogden op één hoop veegt met de stovenzetsters en de orgeltrappers, die waardering verdienen om de ijver en de toewijding, waarmee zij hun werk hebben verricht, maar die in deze moderne tijd kerkelijke rariteiten zijn geworden, waarover men de schouders ophaalt". Dit oordeel van de commissie is in de eerste plaats gebaseerd op de willekeur in de geldwerving: in de ene gemeente is het bedrag, dat men als bijdrage van de leden van de gemeente verwacht, veel hoger, dan in de andere. Maar, zo vervolgt prof. V. B., dit is geen willekeur, maar bittere noodzaak, want bijv. Amsterdam-west heeft 17,6 procent belijdende leden en 50,1 procent geboorteleden, Amsterdam-Watergraafsmeer daarentegen resp. 29,6 procent en 34,4 procent. Maar zou een uniforme kerkelijke bijdrage mogelijk zijn? Reeds in 1967 is een commissie, ingesteld door de algemene kerkvoogdijraad, onder voorzitterschap van ds. E. B. Rijnders tot de conclusie gekomen, dat „geen aanbevelingen konden worden gedaan, op grond waarvan landelijk de geldwerving op uniforme wijze zou kunnen geschieden". De motieven, die deze commissie daartoe aanvoerde, komen in het kort hierop neer: deze uniforme bijdrage zou moeten berusten op een bepaling in de kerkorde, die echter onvoldoende effect zou sorteren, aangezien de kerkvoogdijen die vrij beheer hebben hiertoe niet verplicht zouden kunnen worden. Voorts zou door zo'n regeling in een deel der gemeenten nog te weinig binnenkomen. Tenslotte zou dit alleen uitvoerbaar zijn, wanneer het een verplichte omslag zou gelden, terwijl de meeste gemeenten een vrijwillige bijdrage kennen.

Prof. V. B. wijst dit volstrekt af. „Immers dit zou meebrengen, dat het gehele geldelijke beheer van de kerk in handen van één college zou worden gelegd, dat de behoeften van de landelijke kerk en de plaatselijke gemeenten vaststelt en daarvoor de nodige geldmiddelen toewijst. Deze geldmiddelen zouden door dwang van de leden (lidmaten, doopleden of geboorteleden?) moeten worden verkregen en desnoods met de sterke arm ingevorderd. Voor een dergelijk centralisme is ons inziens in een Christelijke kerk geen plaats". Prof. v. B. laakt daarna de grievende wijze waarop het rapport een volkomen scheve voorstelling van de kerkvoogdijen geeft. „Weet de commissie niet, dat 61 procent van de kerkvoogdijen, vertegenwoordigende 70 procent van alle Hervormden, wel in de kerkeraad is geïntegreerd, wel bereid is te allen tijde verantwoording af te leggen en op geen enkele wijze door het begrotingsrecht het geestelijk leven der gemeente beheerst? Van een belangrijk aantal der overige gemeenten is voorts het financieel beheer reeds sedert de vorige eeuw onder toezicht gesteld, zodat ook daar regelmatig verantwoording omtrent het beheer plaats vindt. Bijzonder grievend vind ik de uitlatingen van de commissie voor de Gereformeerde Bondsgemeenten. Dat deze in grote meerderheid niet zijn aangepast, komt waarlijk niet doordat zij op het geld willen blijven zitten en het geld der gemeente alleen voor deze zelf of voor geestverwanten willen gebruiken. Zij hebben heus wel andere motieven, welke wij moeten respecteren. Trouwens ook bij de 300 niet-aangepaste gemeenten van andere modaliteit gelden veelal andere motieven dan „het zitten op het geld" om niet tot aanpassing over te gaan, zoals b.v. de vrees, dat men onder de predikant (of het ministerie van predikanten) zal komen". Tot zover profV. B., die dit hoofdstuk besluit met het beslist afwijzen van de in het rapport voorgestelde dwang.

Daarna stelt hij het bezit van de kerk, door het rapport „immens" genoemd, in het juiste daglicht: dit vermogen bestaat hoofdzakelijk uit waardevolle historische kerkgebouwen, die voor de gemeenten een zware belasting vormen en grondbezit, waarvan het rendement uiterst laag is. Ik laat dit nu verder rusten.

Het artikel wordt besloten met een doorlichting van het advies van het rapport de kerkvoogdijen te integreren in het geheel van de beleidsstructuur van de kerk. Bij het voorgestelde centralisme, zo stelt prof. V. B. terecht, zou dat geen zin meer hebben: de kerkvoogden, beroofd van elke vorm van zelfstandigheid, zouden eigenlijk maar administrateurs meer zijn. „Het is duidelijk, dat dit alles de dood van elke kerkelijke aktiviteit zou betekenen. Het is onbegrijpelijk, dat een serieuze commissie, ingesteld door het hoogste orgaan van een kerk, die zich geleidelijk ontworsteld heeft aan een werelds systeem als een desnoods met dwang in te vorderen hoofdelijke omslag en in overwegende mate gekozen heeft voor het stelsel van de vrijwillige bijdragen, deze ontwikkeling wil terugdraaien. Wij moeten integendeel vooruit in deze zin, dat wij de kerkvoogdijen brengen tot een grotere vrijwillige solidariteit, waarbij zij helpen elkanders lasten te dragen”.

Uit het artikel van prof. Van Beusekom heb ik rijkelijk geciteerd, omdat hetgeen hij geschreven heeft waard is onder veler oog te komen. En mocht iemand menen, dat dit alles weinig actualiteit meer heeft, omdat het aangevochten rapport toch verworpen is, dan dienen wij te bedenken, dat de inhoud van het rapport op de een of andere manier opnieuw op de synodale tafel wordt gelegd. Daarop wijst het als N.B. geplaatste naschrift van prof. Van Beusekom, dat de generale synode het advies van de algemene kerkvoogdijraad in samenwerking met de vereniging van kerkvoogdijen heeft gevraagd over de onderhavige stof van het rapport. En er is veel meer dat daarop wijst, zodat waakzaamheid geboden blijft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 april 1970

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De zorgen van de kerkvoogdijen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 april 1970

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's