De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De zorgen van de kerkvoogdijen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De zorgen van de kerkvoogdijen

7 minuten leestijd

II.

Wanneer prof. dr. ir. H. G. van Beusekom in het nummer van maart 1970 van het maandblad „De Kerkvoogdij" een artikel onder bovenvermelde titel schrijft, vangt hij aan met te herinneren aan de algemene vergadering van de Vereniging van Kerkvoogdijen in 1963. Toen reeds is in een tweetal lezingen indringend over deze zorgen gesproken. De voortgaande ingrijpende veranderingen in de maatschappij hebben mede tot gevolg, dat de kerkvoogdijen steeds moeilijker aan hun verplichtingen kunnen voldoen. In zijn lezing kwam notaris H. Oltmans, één der beide sprekers, tot de conclusie, „dat alles wat ondernomen is en wordt, niet tot een oplossing blijkt te voeren. In de richting, waarin gezocht was, blijkt geen oplossing te vinden te zijn. Daarom kwam hij tot enkele revolutionair klinkende gedachten als daar zijn: samenwerking van gemeenten in pseudo- of werkelijke pastorale verbanden, algehele kerkelijke herindeling of herverkaveling, terugbrenging van de predikanten tot hun eigenlijke taak door een andere werkverdeling, waarbij een deel van het werk, dat thans door de predikanten wordt verricht, aan anderen wordt overgedragen. Die „anderen" zijn dan leden van de kerkeraad, de gemeenteleden en wellicht andere functionarissen”.

Inmiddels zijn al weer 7 jaren voorbijgegaan. De vraag rijst of in die tijd misschien een oplossing voor de kerkvoogdelijke zorgen gevonden, althans dichterbij gekomen is. Uit gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek blijkt, dat in de jaren 1963 tot 1969 het nationaal inkomen gestegen is met 41 procent, gemiddeld dus met bijna 7 procent per jaar, terwijl het nationaal inkomen per hoofd der bevolking steeg met 31 procent, dus ruim 5 procent per jaar. Is deze inkomensstijging ook ten goede gekomen aan de kerk? Prof. v. B. beantwoordt deze vraag als volgt: „Het ernstige feit waarvoor wij staan, is, dat terwijl in de afgelopen zes jaren de welvaart niet tientallen procenten is gestegen, de zorgen van de kerkvoogden niet kleiner maar groter zijn geworden. Juist de laatste paar jaren is de toestand beangstigend geworden". In tal van kleine plattelandsgemeenten trekken vele jongeren weg. Het draagvlak van de gemeente wordt daardoor steeds kleiner. De overblijvenden kunnen in menig geval de stijgende lasten niet meer dragen. Maar in de grotere gemeenten wordt het draagvlak ook kleiner: groei van het aantal Hervormden betekent niet, dat het aantal meelevenden toeneemt. Waar ontbreekt de klacht, dat er van de nieuw-ingekomenen, vooral in nieuwe woonwijken, toch zo weinig ter kerke gaan en meeleven? In veel grotere gemeenten worden voortdurend predikantsplaatsen opgeheven. Maar dit kan de oplossing niet zijn, zegt prof. v. B. terecht. Het is geen wonder dat, wanneer een kerkvoogdij al amper meer weet het plaatselijk werk te financieren, de verhoging van de pensioenpremies, de aanslag van de kas voor de predikantstraktementen en het quotum en de verdubbeling van de bijdrage aan de generale kas wel heel zwaar gaan drukken.

Onlangs zijn in de hoofdbestuursvergadering van de Vereniging van Kerkvoogdijen deze dingen opnieuw ter sprake gebracht. Ik geef weer het woord aan prof. v. B. Hierbij werden de volgende vragen gesteld.

1. Moet op grond van de financiële nood in de Hervormde Kerk het kerkelijk werk aanzienlijk worden besnoeid?

2. Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord, moet deze besnoeiing dan voornamelijk liggen op:

a. plaatselijk niveau, b.v. opheffing van een groot aantal predikantsplaatsen;

b. landelijk niveau, b.v. door afschaffing van een groot gedeelte van het thans uit paascollecte, enz. gefinancierde werk;

c. internationaal niveau, b.v. zending, hulp aan ontwikkelingslanden, enz.

3. Indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord, op welke wijze is dan te bereiken dat geldmiddelen worden gevonden waardoor het werk onverminderd kan worden voortgezet, en, waar nodig, kan worden uitgebreid.

Het ligt niet op mijn weg, op deze vragen het beslissende antwoord te geven. Daarvoor zal diepgaand en ernstig overleg met de leidende organen van de kerk nodig zijn. Wat wel op mijn weg ligt is deze vragen wat nader te bezien en aan de lezers te tonen, wat aan deze vragen vast zit en welke de gevolgen zullen zijn, indien aan één of meer van de suggesties van vraag 2 gehoor wordt gegeven".

Prof. v. B. acht opheffing van predikantsplaatsen zonder meer eenvoudig afbraak van de kerk. Maar hij meent, dat opheffing volgens een weloverwogen plan, dat ook de nodige voorzieningen treft, bij de tegenwoordige ontwikkeling noodzakelijk kan zijn. Samenwerking of samenvoeging van kleine gemeenten, herindeling of herverkaveling kunnen een oplossing bieden. Dat alles is al wel eerder bepleit. „Thans komt hierbij nog een ander aspect: samenwerking met de Gereformeerde kerken. Het is niet meer verantwoord om, zoals heden nog vaak het geval is, een klein dorp te belasten met het onderhoud van twee academisch gevormde predikanten", aldus de meer geciteerde schrijver.

Ik ben het er van harte mee eens, wanneer deze zeer ongunstig denkt over het opheffen van predikantsplaatsen zonder meer. Dat is inderdaad niet minder dan afbraak van de kerk. Ik besef zeer goed, dat het wel en wee van de kerk tenslotte niet van mensen afhankelijk is. Maar dat mag ons niet brengen tot een quasi-geestelijk standpunt van: laat maar gaan, het doet er niet toe wat mensen doen. Lijdelijk toezien en afwachten is uit de boze. Hoeveel gemeenten zouden er kwijnen doordat zij, die verantwoordelijkheid dragen (droegen), hun opdracht niet verstaan (verstonden)? Het is wel wat kras uitgedrukt, dat een predikant een gemeente af kan breken, maar er ligt toch veel waarheid in. Hij kan ook ontzaglijk veel zegenrijk en opbouwend werk verrichten. Maar opheffing van de predikantsplaats is, evenals een langdurige vacature, als regel nooit bevorderlijk voor het gemeentelijk leven. Dat moet wel het laatste zijn. In de grote steden groeien de wijken daardoor zo ontzettend uit, dat zij niet meer te overzien en steeds moeilijker te bewerken zijn. Wij raken hier aan het probleem van de geboorteleden en de volstrekt niet meer meelevenden, die wel de kerkelijke registers maar niet de kerken bevolken. Samenvoeging van gemeenten, met name van kleine gemeenten, vindt voortdurend plaats. Het is dan de enige oplossing, maar vaak een noodoplossing.

Voorts blijkt, hoe nauw materiële en geestelijke, practische en theologische vragen samenhangen, wanneer samenwerking met de Gereformeerde kerken wordt aanbevolen. Dit zou echter enerzijds wettig moeten gebeuren, als gevolg van méér toenadering van de Hervormde Kerk en Gereformeerde Kerken als geheel. Anderzijds vraag ik mij af of de plaatselijke gemeenten aan zo'n nauwe samenwerking toe zijn. Het komt mij voor, dat dit in de grotere plaatsen gemakkelijker zou zijn dan in de kleinere. Maar in de kleinere gemeenten dringt de nood het meest. Maar zal de raad van een kleine Gereformeerde kerk bereid zijn tot samenwerking met een Hervormde gemeente van vrijzinnige signatuur? Die vraag kan ook gesteld t.a.v. samenwerking met een Hervormde gemeente, die een overtuigd confessioneel, Kohlbruggiaans, of Gereformeerde Bonds stempel draagt! Is niet onlangs ter Gereformeerde synode de Ger. Bond het probleem op de weg naar eenheid met de Hervormde Kerk genoemd? De minste moeilijkheden zijn m.i. daar te wachten, waar een Hervormde gemeente midden-orthodox is. De Gereformeerde Kerken zijn dat in brede kringen helaas immers ook. Daarom zal menige Hervormde gemeente weinig voelen voor toenadering tot de plaatselijke Gereformeerde kerk. Financiële nood zou ook wel een heel wankele basis voor een gezamenlijke predikantsplaats en dus groeiende eenwording zijn. De zorgen van de kerkvoogdijen staan niet los van de zorgen om het geloof, de rechte prediking en het recht belijden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 mei 1970

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

De zorgen van de kerkvoogdijen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 mei 1970

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's