De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

OM GOD EN ZIJN WAARHEID

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

OM GOD EN ZIJN WAARHEID

(reacties op een open brief)

18 minuten leestijd

De Open Brief (afgekort OB) die de vereniging „Protestants Nederland" (afgekort PN) op 15 januari jongstleden het licht deed zien, heeft vele reacties opgeroepen. Het bestuur van PN heeft al wat schriftelijk binnenkwam mij ter hand gesteld met het verzoek, in het maandblad van de vereniging op deze reacties in te gaan. Wij willen daartoe in dit artikel een poging wagen.

Meer waardering dan kritiek

Zoals wel te verwachten was is er op de OB ook kritiek uitgebracht. Hij werd o.m. toegezonden aan kardinaal Alfrink, de bisschoppen en vele geestelijken binnen de rooms-katholieke kerk, terwijl hij bovendien geheel of gedeeltelijk in allerlei kranten werd afgedrukt. Honderden exemplaren werden aangevraagd, niet alleen in Nederland maar ook in Duitsland, Engeland, België, Luxemburg, Frankrijk, Italië en Amerika.

Het zou al te mooi zijn indien onder al deze lezers niemand zou zijn die het met de inhoud van deze Brief oneens was. Opvallend is echter dat dit, voorzover wij uit de reacties hebben kunnen opmaken, zeker niet geldt van de meerderheid. Verreweg de meesten die gereageerd hebben, hebben hun instemming met de OB betuigd; sommigen zelfs hun grote dankbaarheid er voor uitgesproken.

De meest op de voorgrond tredende critici waren ds. A. C. van den Bosch, die het maandblad van PN een „rot blad" noemde; een weinig zákelijke critiek! Verder de gereformeerde ds. A. T. Besselaar die met het oog op de OB in „De Protestant-De Weg" (jan. 1970) schreef over „grimmige protestanten" die „reaktionair de deuren sluiten voor medechristenen" en „vanachter gesloten deuren" een brief hebben geschreven. Vervolgens de hervormde predikant ds. L. Schellevis die in Woord en Dienst (19.4) zijn gereformeerde collega is bijgevallen en de mening uitsprak dat de rooms-katholieke kerk zich in deze OB zeker niet zal herkennen.

Wat de rooms-katholieke critici betreft: hun oordeel was heel wat milder; hun critiek komt verderop in dit artikel nog genoeg ter sprake.

Overheersend was de waardering. Zij betrof de volgende punten:1. de toon van de OB is waardig, niet kwetsend, hartverwarmend, waarlijk christelijk. 2. de inhoud getuigt van moed, men durft ingaan tegen de onchristelijke tijdgeest; zij dient de waarheid en de waarachtigheid, en is in dat opzicht oecumenischer dan wat daar tegenwoordig voor doorgaat; 3. de inhoud is ook constructief, opbouwend, versterkend het leven des geloofs, door het christendom terug te voeren tot haar bron, het Woord van God.

Meerdere rooms-katholieke lezers en lezeressen hebben, naar zij schreven, de OB ervaren als een geestelijke steun. Sommigen van hen hebben in een preek hem aanbevolen bij de kerkgangers; anderen schreven er over in een meditatie, een „zuster" schreef: ik zou willen dat er elk jaar zo'n brief kwam. Velen vroegen om meerdere exemplaren om in een groep de inhoud van de brief te bespreken, omdat men zich daardoor zo aangesproken voelde.

Veel verontrusting

Ons bleek opnieuw uit de reacties die binnenkwamen hoeveel verontrusting er op het moment leeft binnen de roomskatholieke kerk in ons land. Sommige brieven die wij ontvingen zijn zonder meer diep ontroerend, in een enkele troffen wij een toon van bitterheid aan. Om met dit laatste te beginnen: Noordwijkerhout zit menigeen dwars. Men acht het Pastoraal Concilie niet representatief, daar komen alleen maar progressieven aan het woord. Men betreurt dat het nederlandse episcopaat er medewerking aan verleent. Men voelt zich ook in de hoek gezet; alle media zijn in handen van de anderen. Wij leven onder de dictatuur van een vrijzinnige clerus, ex-roomse pers, radio en televisie, schreef iemand. Zij voegde er aan toe: de mensen zijn geestelijk vergiftigd en zwaar ondervoed. Dit zijn heus niet allen Confrontatie-mensen.

Zoals ik al zei: sommige brieven zijn ontroerend. Vanwege het stille lijden onder de situatie waarin kerk en christendom zich op het ogenblik bevinden. Een hele groep schreef ons: Wij leven in een moeilijke tijd. Een andere groep: U geeft ons steun in deze zware tijd. Een weer andere groep: De vervlakking en humanisering grijpt steeds verder om zich heen; velen onzer weten niet meer waar zij aan toe zijn. Een oud-missionaris: Ik zie met lede ogen het ongeloof en zedenbederf van ons dierbaar vaderland. Een Salesiaan: Noordwijkerhout is een groot onheil. Een Confrontatie-lezer: Wat zich in mijn kerk voordoet, verdriet mij grotelijks. Een „zuster": Zelfs in mijn klooster voel ik mij een eenzame omdat ik voor mijn overtuiging uitkom. Een doctor schreef: Uw Open Brief is mij uit het hart gegrepen, ik dank u voor uw opwekkende woorden, met name de passages ten opzichte van humanisme en secularisatie. Een groep geestelijken: Uw verontrusting over een onbezonnen aanpassing aan de moderne tijd en wereld delen wij. Anderen schreven: Wij als Katholieken staan geheel achter uw Open Brief; wij moeten front maken tegen het heidendom; u geeft ons steun in deze zware tijd. Een ander: U hebt ons en heel onze kerk een dienst bewezen; er is bij ons een onbezonnen aanpassing aan de moderne tijd en wereld; bij vele priesters en leken; de beneveling der geesten is ontstellend. Een „zuster": Moge deze Open Brief vele priesters en gelovigen de ogen openen en tot inkeer brengen.

Ook met de oecumenische activiteiten van tegenwoordig zijn velen het niet eens. Men spreekt van een „vals irenisme", een ontwijken van de kern van de zaak, een verdoezelen van de verschillen. De OB vindt men eerlijker, christelijker, en daardoor ook oecumenischer.

Een der schrijvers had kennis genomen van het boven reeds vermelde artikel van ds. Besselaar, waarin deze PN aanvalt als een vereniging die polemiseert van achter gesloten deuren. De reaktie van deze lezer is: „Wie zulk een kritiek geeft als A. T. Besselaar beledigt zichzelf meer dan Protestants Nederland". Wij voegen daar aan toe: Gaarne accoord!

Het oecumenisch ethos

Naast alle bovengenoemde particuliere reacties kwam er ook een enkele officiële.

In het dagblad „Het Centrum" (15 jan. 1970) lazen wij het volgende: „Op een ogenblik waarop de al jarenlang aan de gang zijnde kerkelijke gesprekken in een voorlopig beslissend stadium zijn gekomen trekt de Vereniging Protestants Nederland aan de noodrem. Dit wordt gezegd in een verklaring van het Oecumenisch Aktie Centrum in Driebergen over de open brief van genoemde vereniging aan de Rooms-Katholieke Kerk in ons land". Het dagblad weet verder te vermelden dat volgens het OAC het tijdstip waarop de OB verscheen merkwaardig moet worden geacht, gelet op het kort tevoren gepubliceerde geschrift uitgaande van de Synode der Ned. Hervormde Kerk: Onze verhouding tot de Rooms-Katholieke Kerk; en vervolgens dat volgens hetzelfde Aktie Centrum de OB van PN in feite een verbreking betekent van het oecumenisch ethos.

Als commentaar op dit bericht het volgende. Uit welke hoek de wind waait in alles wat het OAC als zijn mening te beste geeft kan ieder bekend zijn die op de hoogte is van de kerkelijke verhoudingen in ons land. Een reactie als deze verwondert ons dan ook niet. Verder, de verwijzing naar het geschrift van de Generale Synode der Nederlandse Hervormde Kerk getiteld: Onze verhouding tot de Rooms-Katholieke Kerk, heeft in dit verband niet zoveel zin. De hervormd-gereformeerden b.v. die ongeveer één-derde van de leden der Ned. Herv. Kerk uitmaken staan niet achter dit geschrift. En ook buiten de Hervormde Kerk zijn er tallozen die dit geschrift afwijzen. Het vertegenwoordigt een oecumene van de slechtste soort. Alles wordt gladgestreken; noch de leer der Hervormde Kerk noch die der Rooms-Katholieke Kerk wordt serieus genomen. Op deze basis behoeft eenheid niet meer gezocht te worden, er wordt hoogst oppervlakkig van uitgegaan dat zij er al is.

Indien het oecumenisch ethos inhoudt een verdoezeling van alle verschillen en derhalve ook een uitsluiten van een eerlijk gesprek over die verschillen, dus uitsluit een gezamenlijke worsteling om de waarheid, dan kan de christenheid onmogelijk daarmee gediend zijn. Een verstoring van dit ethos is een bijbelse eis van waarachtigheid.

Een kardinale vraag

Ook van kardinaal Alfrink werd een brief ontvangen. Wij gaan er van uit dat zijn brief mag worden opgevat als een min of meer officieel schrijven, vandaar dat wij in dit geval de naam van de afzender noemen, wat ten aanzien van de andere brieven niet werd gedaan. Na het uitspreken van zijn erkentelijkheid voor de brief en ook zijn begrip voor onze verontrusting, stelt de kardinaal de vraag of niet aan ons meeleven en onze verontrusting een dimensie ontbreekt, namelijk die van het vertrouwen in de goede bedoelingen van de betrokken kerken en of door ons wel voldoende recht wordt gedaan aan het eerlijk zoeken naar eenheid door deze kerken.

Gaarne danken wij de kardinaal dat hij de moeite heeft willen nemen de OB van PN door te lezen en daarover ook een brief te schrijven. Eveneens danken wij hem voor het begrip dat hij volgens deze brief wil opbrengen voor onze verontrusting. Maar reeds dit ene punt roept bij ons tegelijk een tegenvraag op, namelijk déze of het de kardinaal onbekend is dat ook in zijn kerk, en waarlijk niet alleen in de reformatorische kerken, een diepe verontrusting leeft, zowel over de verwereldlijking van christendom en kerk als ook over diezelfde oecumenische activiteiten waar hij als kardinaal klaarblijkelijk zich achter stelt, als ook over zijn beleid dat daarbij aangepast is. Inzage in de brieven die wij ontvingen zou het hem kunnen leren, gesteld dat hij het ook zelf al niet vaak onder ogen heeft gehad in brieven die aan zijn adres gericht waren of in allerlei publicaties.

En verder, de vraag die de kardinaal ons heeft voorgelegd lijkt ons, eerlijk gezegd, niet bepaald terzake. Wil hij dat wij geloven in de goede bedoelingen der verschillende kerken, hij kan het gaarne van ons gedaan krijgen. Maar niets is daarmee opgelost! Dat er geen kwestie is van kwade of slechte bedoelingen, in subjectieve zin, staat ook voor ons vast. Wij hebben geen enkele behoefte om wie ook maar persoonlijk te kwetsen. Zelfs willen wij toegeven dat het zoeken naar eenheid in onze tijd op zich genomen legitiem bijbels is. Maar de wijze waarop dat wordt gedaan, die levert bezwaren op.

De geldigheid van eigen dogma en belijdenis wordt losgelaten; men zoekt elkaar op basis van wat individuele theologen hebben beweerd; of men gaat aan al wat waarheid, leer, belijdenis, dogma heet, voorbij en stort zich tezamen zonder meer op de problemen van de moderne wereld en tijd. Daarvoor in de plaats bepleiten wij een samen worstelen om het verstaan van de waarheid der Schriften, onder afbidding van de leiding van de Geest. Dan zullen wij elkaar omwille van de waarheid meer dan eens in het aangezicht moeten weerstaan, maar dan blijft ook de mogelijkheid open dat het Woord Gods op een nieuwe, verrassende wijze voor ons ontsloten wordt.

Ik ga naar Petrus

Een pastoor schreef ons het volgende. Ik ben een gezagsgetrouwe katholiek. Helaas zijn zulke er niet zoveel meer in ons land. Ik schat hun aantal op ongeveer twintig procent. Met uw brief ben ik het in vele opzichten eens. Alleen, die eerste bladzijde, daar heb ik bezwaren tegen. U meent het Woord Gods alleen te vinden in de H. Schrift. Volgens mij is het ook te vinden in de goddelijke overlevering. Het is niet zo gemakkelijk Gods Woord op het spoor te komen. De Schrift is niet altijd even duidelijk. Zij heeft uitleg nodig. Ik kan er vaak niet uitkomen. En wat doe ik dan? Dan ga ik naar Petrus, te weten naar zijn opvolger: de paus. Hem vraag ik de juiste zin van de brieven van Paulus en van de evangeliën. Tot zover deze brief.

Op de meeste punten, heel belangrijke! komen wij straks nog terug. Hier gaat het alleen om de houding van de briefschrijver. Hij was de enige die op deze krasse wijze zijn geloof in een onfeilbare uitleg van de Schrift door het leergezag beleed. Waarschijnlijk is zijn standpunt extremer dan zijn kerkleer hem toelaat. In elk geval zijn op Vaticanum II Schrift en Overlevering niet zonder meer naast elkaar gezet. Daarmee heeft men wel niet gekozen voor de reformatorische visie maar is er toch ruimte gekomen voor het lezen en onderzoeken van de Schrift. Uit meerdere brieven die wij ontvingen is ons ook gebleken dat daarvan gebruik wordt gemaakt. Een „zuster" schreef: De H. Schrift is de bron waar wij hoe langer hoe meer uit gaan putten.

Nog een paar andere stemmen: Ik deel met u in de eerbied en liefde voor de Schrift. Hartelijk dank voor uw Open Brief waarin u ons een zo belangrijk punt als de betekenis van de Heilige Schrift voor ogen houdt. God geve dat een nieuw besef van de waarde van de Schrift bij ons doordringt...

Onze conclusie is: Niet allen lijken zoals de pastoor, die ik zojuist uitvoerig aanhaalde, erg te tobben met de duisterheid der Schrift of met een overstelpende hoeveelheid interpretaties. Er zijn er die ook zonder Petrus klaar komen. Alle problemen zijn daarmee niet opgelost, zeker ook niet het probleem van de verhouding van de traditie tot de Schrift, maar wel geeft dit alles enige hoop. Moge God zijn Woord ontsluiten voor alle harten, bij onszelf en bij alle anderen!

Geen bijbel zonder kerk

Het is onmiskenbaar dat dat gedeelte van de OB waarin gesproken wordt over de unieke betekenis van de Schrift bij vele rooms-katholieke lezers de meeste vragen heeft opgeroepen. Velen zitten er toch blijkbaar wel mee, hoe de Schrift, waar men tegenwoordig veel meer mee in aanraking komt dan vroeger, moet en mag worden gezien. Menigeen heeft als antwoord op hetgeen in de OB over het Schriftgezag gezegd wordt herhaald wat zijn of haar kerkleer hem of haar altijd heeft voorgehouden. Náást de Schrift stelt men dan de Traditie; of men zoekt beide, in de lijn van Vaticanum II, met elkaar te combineren zonder evenwel de Traditie als bron der waarheid prijs te geven. Een der argumenten die in dit verband tegen de reformatorische visie worden ingebracht is deze dat toch immers de kerk de canon van de H. Schrift heeft voortgebracht. Waaruit weten u en ik — schrijft een zeer geleerd priester — dat een bepaald boek tot de Heilige Schrift behoort? Zijn eigen antwoord is: Dit weten wij door de traditie! Een ander schreef: Door de traditie kennen wij de boeken van de Schrift; de basis van de bijbel, het bestaansrecht van de heilige boeken is uitsluitend gelegen in het geloof in de overlevering.

Van belang is dat allereerst opnieuw uit de doeken wordt gedaan waar precies het eigenlijke knelpunt zit. De kwestie is namelijk niet deze, dat door de Reformatie met alle traditie ooit zou afgerekend zijn. Veeleer komt het er op aan het juiste zicht te hebben op de waarde en betekenis der traditie. Het komt ons voor dat door de rooms-katholieke briefschrijvers die wij zoëven aan het woord lieten, deze betekenis te hoog wordt aangeslagen; ja, dat door hen aan de traditie meer wordt toegeschreven dan wat zij waar kan maken. Dat de bijbel zijn basis zou hebben in het geloof in de overlevering, zoals geponeerd is, gaat stellig alle proporties te buiten. Nimmer is door de Reformatie ontkend dat wij geen bijbel zouden hebben als er geen kerk was. Maar dat houdt nog lang niet in dat de kerk prioriteit zou hebben boven de bijbel en zelfs niet dat de kerk, in haar overlevering, een eigen gezag zou vertegenwoordigen naast de bijbel, en met een openbaring zou kunnen komen die niet duidelijk aan de Schrift is ontleend.

Al wat men méér aan de kerk toeschrijft dan een verkondigster te zijn van wat God ons in zijn Woord, in de Schrift, geopenbaard heeft, komt hoe dan ook in mindering op die Schrift, haar inhoud en haar gezag. Naarmate de kerk zich dan breder maakt wordt het gezag van de Schrift smaller. Ons advies is dan ook: aan de Schrift terug geven al waar zij recht op heeft, háár alleen te laten regeren in kerk, huis en hart.

De wijze waarop eens de canon is ont­ staan is in dit opzicht niet onbelangrijk. De kerk heeft niet de canon gemáákt; haar taak is veel bescheidener geweest. De Schrift zèlf heeft zich in de kerk doorgezet; de kerk heeft niet meer behoeven te doen dan dat te erkennen. Hier en daar was in de oude kerk twijfel omtrent een bepaald bijbelboek, en toen heeft niet de kerk de knoop doorgehakt, maar de twijfel heeft het moeten afleggen tegen de betrouwbaarheid waarmee heel de Schrift zich presenteerde. Het hele proces van de canon-vorming is één machtig bewijs voor de goddelijkheid van de Schrift, waar de kerk, gesteld dat zij het gewild had, niet tegen op kon. Wie erkent dat de zon schijnt, draagt zelf niets wezenlijks bij tot dat schijnen van de zon, hij belijdt slechts wat hij ervaart. Alleen blinden zien het niet. Wij hebben dan ook nodig, altijd weer, dat God onze ogen opent, opdat wij zien de wonderen van zijn Wet d.i. zijn Woord (Psalm 119).

Maar ook u hebt traditie

Spitsvondige briefschrijvers hebben ons — overigens heel vriendelijk — het verwijt gemaakt: Wat praat u over traditie bij ons, uzelf hebt ook traditie! In de OB is namelijk aangehaald een zinsnede uit een der reformatorische belijdenisgeschriften (art. 5 Ned. Geloofsbelijdenis). Een priester uit Luxemburg schreef: Wellicht valt dat ons meer op dan u, hoezeer en hoeveel u met uw traditie werkt; ook op dit punt zouden wij weleens dichter bij elkaar kunnen staan dan uzelf meent.

Zo'n opmerking doet stellig sympathiek aan. En toch zullen wij niet al te vlot gelijkheid mogen constateren. Al valt niet te ontkennen dat ook in de reformatorische kerken met de traditie wordt gewerkt, de aard en functie van deze traditie verschillen toch wel zeer van die in de roomskatholieke kerk. Wat men bij ons „traditie" zou kunnen noemen valt geheel en al onder de norm van de H. Schrift; en de functie van de traditie is bij ons geen andere dan het tra-de-ren (= overleveren) van de Schriftinhoud. Het behoort tot het wezen van de reformatorische traditie om zich geheel in dienst te stellen van het Woord Gods in de Schrift. Deze traditie blijft dan ook principieel open voor wijziging, correctie vanuit de Schrift. Het is onmogelijk haar een neven-positie toe te kennen ten aanzien van de Schrift. Wij menen dat zo alleen het Woord Gods het best geëerd wordt. Het gaat ons om het horen van de Stem van God, waarin alle menselijke bijklanken zo weinig mogelijk kans krijgen.

Maar de eigen uitlegging dan

Aan het slot van de OB is een tekst aangehaald uit de tweede brief van de apostel Petrus (1 : 19—21). Een enkele briefschrijver heeft gemeend te kunnen opmerken dat deze tekst als een boemerang zich keert tegen degenen die hem hebben gebruikt. Die „eigen uitlegging" waar Petrus tegen waarschuwt zou het grote gevaar zijn waar de Reformatie voor is gezwicht. Zij roept als vanzelf de noodzaak op van een instantie die met gezag uitmaakt wat de ware uitleg der Schrift is. En daarvoor worden wij dan verwezen naar „het onfeilbaar levend leergezag" van de rooms-katholieke kerk. Bovendien, u kunt u nu wel beroepen op het gezag van de H. Schrift en u dus terugtrekken op het zogenaamde sola scriptura, schreef iemand uit Zwolle, maar kijk eens hoe dat gezag ook bij u ondergraven wordt.

Nauw hiermee verbonden is de opmerking, die wij ook meer dan eens tegenkwamen, namelijk dat de Schrift in zichzelf niet duidelijk zou zijn. De veelheid der interpretaties zou als vanzelf de christen noodzaken zijn toevlucht te nemen tot de kerk, het leergezag, een onfeilbare gezagsinstantie.

Het probleem dat hier aan de orde is gesteld omvat meer dan met een paar regels is op te lossen. Toegegeven moet worden dat het mogelijk is met de Schrift in de hand heel verschillende dingen te leren. Alleen, wat is daarvan de oorzaak? De onduidelijkheid van de Schrift? Wij menen van niet. De ellende heeft meer zijn oorzaak in een heel verschillende benadering van de Schrift. De enig juiste benadering van de Schrift is die, die door de Schrift zelf ons wordt voorgehouden. De Schrift wil dat wij ons aan haar onderwerpen, dat wij haar leerling willen zijn, dat wij tot haar komen met de bede: Spreek HEERE, want uw knecht hoort. De moeilijkheid is echter dat wij altijd weer geneigd zijn om God in de rede te vallen, met onze eigen filosofieën of theologieën, gedachten zus en ideeën zo, of zelfs Hem tégen te spreken, omdat zijn Woord ons niet aanstaat. In de Schrift komt God ons namelijk tegemoet als een God die ons veroordeelt vanwege onze zonden, om ons vrij te spreken door zijn Zoon Jezus Christus. Het ware lezen van de Schrift kan niet omgaan buiten een waarachtige bekering tot God. God vernedert ons; zelfs doodt Hij ons, om ons levend te maken (Lofzang van Hanna; 1 Samuel 2:6). Hierin komt de Schrift tot ons met een zekerheid die geen bevestiging van buitenaf nodig heeft. De functie van de kerk in dezen is alleen deze zekerheid uit te spreken, te belijden. Een onfeilbaar leergezag is overbodig. Niet alle problemen van het verstaan van de Schrift zijn hiermee opgelost, maar wel het meest wezenlijke. Het moet nog bewezen worden dat dan de Schrift niet in grote duidelijkheid allen hetzelfde leert. Wáár God ook op aarde zijn volk heeft, in de hoofdzaak leren zij allen hetzelfde. Zij worden zondaar en zondares voor Hem, leren hopen op zijn genade, roemen in de Here Jezus Christus en verwachten zijn heil. De Schrift zelf moge, steeds meer, ons allen dat leren!

K. Exalto


Het artikel „Om God en Zijn Waarheid" (Reacties op een Open Brief) werd op verzoek van het hoofdbestuur van „Protestants Nederland" geschreven door drs. K. Exalto, Hervormd predikant te Noordeloos. Overdrukken van dit artikel worden toegezonden aan hen die op de in januari jl. gepubliceerde „Open Brief" gereageerd hebben, terwijl voor belangstellenden nog een beperkt aantal exemplaren beschikbaar is.

Aanvragen zende men aan: L. Huizer, Noordeinde 48a te Delft.

Uit: „Protestants Nederland", mei 1970

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 mei 1970

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

OM GOD EN ZIJN WAARHEID

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 mei 1970

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's