Het ambt van de ouderling
I Oorsprong
Inleiding
Het is de bedoeling van dit artikel in enkele sobere lijnen te tekenen de oorsprong van het ambt van de ouderling. Voor velen zal het geschrevene dus geen bijzonderheid bevatten, omdat een nauwkeurig onderzoek van het bevestigingsformulier van ouderlingen en diakenen, onder ons nog met ere in gebruik, hierover al genoegzaam kan inlichten. Toch willen we het overbekende nog eens van een andere zijde belichten, omdat daardoor allicht het ouderlingschap een nieuw facet ontvangt. De vanouds overgeleverde goederen verdienen voortdurend nieuwe bezinning. Wij kunnen ons daardoor de schatten van vroeger opnieuw toeëigenen en doorgeven aan het nageslacht. Bovendien schuilt er in de overweging van het bekende dit voordeel, dat we in de benadering van de wortel der zaak opnieuw oog krijgen voor de strijd der geesten in onze dagen rondom het ambt.
Schriftgegevens
Toen de gemeente van Jezus Christus na de uitstorting van de Heilige Geest op de Pinksterdag eenmaal haar beslag had gekregen, ontving ze van het begin af aan een bepaalde organisatie: Elke vereniging van mensen heeft nu eenmaal een vaste leidraad nodig, volgens welke ze haar samenkomsten regelt en haar werkzaamheden bestuurt. Zonder een krachtige hand ontaardt zulk een vereniging in verwarring en ontbinding en beantwoord ze niet aan het doel waarvoor ze werd opgericht. Ook de gemeente van de Heere Jezus Christus is aan deze algemene wet van de menselijke samenleving onderworpen. God is geen God van verwarring, maar van vrede. Hij stelt ordeningen voor al zijn schepselen vast en wil, dat ook in Zijn gemeente alles met ere en met orde geschiedt (1 Cor. 14:33, 40). In algemene trekken vinden wij die orde van God reeds in het Nieuwe Testament. In de eerste plaats was Christus zelf persoonlijk en lichamelijk, zolang Hij op aarde verkeerde, de leraar en leidsman van zijn discipelen. In Zijn opstanding en hemelvaart is Hij verhoogd tot een Heere en Christus, tot een Vorst en Zaligmaker, tot een Hoofd der gemeente, tot Koning van Zijn volk. Wij willen u hierin niet vermoeien met alle Schriftplaatsen op te sommen. Wij schetsen alleen de Bijbelse hoofdtrekken. Hij, die Bijbels fundament verlangt, doorzoeke de Heidelbergse Catechismus en hij vindt overvloedig antwoord. De regering van de gemeente is dus strikt aan één Hoofd gebonden. Een is haar Meester, namelijk Christus.
De hemelvaart van Christus en reeds aanvankelijk de opstanding, brengt in het Nieuw-testamentisch patroon echter een duidelijke inkeping. De Evangeliën tekenen ons het beeld van Christus' omwandeling op aarde. Maar van de Evangeliën naar Handelingen overgaande, worden wij oog in oog gebracht met Christus van de hemel uit regerende. De hemelvaart brengt teweeg, dat Christus lichamelijk voor een tijd van Zijn gemeente verwijderd is: Het centrum ontbreekt. Het middelpunt van de jongeren is weg. Hoe wordt nu dat gemis vergoed? Wel, de Heere heeft hierin voorzien. Uit de brede kring van Zijn discipelen koos Hij twaalf apostelen, die door Hem persoonlijk onderwezen en op een bijzondere wijze met de Heilige Geest en met buitengewone krachten toegerust als zijn getuigen hadden op te treden, de gemeente moesten planten in de wereld en haar door hun woord te leiden en te weiden hadden. Toen de gemeenten zich uitbreidden, kregen deze apostelen voorts nog steun van evangelisten, zoals Barnabas, Markus, Lucas, Timotheüs, Titus, en Silas en van profeten zoals Agabus. Al deze ambten van apostelen, profeten en evangelisten zijn voorbijgegaan. De dragers van deze ambten stierven en zijn niet door anderen vervangen. Zij waren nodig in die eerste tijd, toen de gemeente op aarde moest worden gesticht.
Maar hun arbeid was niet ijdel. Want in de eerste plaats hebben zij wezenlijk de gemeente gegrondvest op het fundament Jezus Christus, en ten tweede leeft hun getuigenis voort in de boeken van het Nieuwe Testament. De stemmen van deze werkers van het eerste uur kunnen we beluisteren in de Evangeliën, in de Handelingen, in de Brieven en in de Openbaring van Johannes. Tot op de huidige dag kunnen we dus in contact blijven met deze boodschappers. Willen wij dus weten wat de Heere der gemeente van ons wil — het getuigenis ligt in de Schrift voor onze ogen. Door dat getuigenis wordt de gemeente in staat gesteld om alle tijden door te volharden in de leer van de apostelen, in de gemeenschap, in de breking van het brood en in de gebeden. Op hun belijdenis is de gemeente gebouwd. Het woord der apostelen is en blijft de grondslag van de kerk. Geen gemeenschap met Christus is mogelijk dan door de gemeenschap met hen en met hun woord (Joh. 17 : 20; 1 Joh. 1 : 3).
Behalve deze buitengewone, zijn er ook nog gewone ambten door Christus in Zijn gemeente ingesteld. De apostelen waren zelf reeds ook uitdelers van de gaven der barmhartigheid, maar toen de gemeente aanzienlijk groter werd, konden zij die arbeid eigenhandig niet meer volbrengen. In Hand. 6 : 1—6 vinden wij de instelling van het diakenambt, want, terwijl de apostelen voor zich de bediening van het Woord en de dienst der gebeden behielden, werden zeven mannen belast met de dienst der tafelen, dat is met de regeling van alles wat de verzorging van het avondmaal en de armen aangaat. Dit diakenambt vond ook later in andere gemeenten ingang. Evenals de apostelen in Jeruzalem, stelde later Paulus er de vereisten voor vast. Naast dit diakenambt kwam ook spoedig in de gemeente het ouderlingenambt op. Van zijn oorsprong wordt ons niets vermeld, maar ouderlingen komen toch reeds voor in Hand. 11 : 31, waar zij gaven in ontvangst nemen en in Hand. 15 : 2v, waar zij met de apostelen deelnemen aan de vergadering, die voor de regeling van de zendingsarbeid te Jeruzalem belegd was. Ook dit ambt werd weldra in andere gemeenten ingevoerd. Men zie er de opschriften van Paulus' brieven maar eens op na. In de brieven aan Timotheüs en Titus wijst Paulus de vereisten voor dit ambt aan. Deze ouderlingen waren met het opzicht over de gemeente belast. De gemeente heeft daarin niets vreemds gezien, als wij bedenken, dat de regering door oudsten, burgerlijk en ook in de synagogen, bij de Joden gewoon was. Deze ambtsdragers werden nog binnen het apostolisch tijdvak onderscheiden in zulken, die regeerden en anderen, die bovendien nog arbeidden in de bediening des Woords en het onderwijs der waarheid.
Samenvatting
Dit was de eenvoudige regeling, welke in de apostolische kerk voor de regering der gemeente van Christus werd getroffen. Hier was van enige heerschappij voerende macht volstrekt geen sprake. Integendeel, alle macht in de gemeente vraagt naar boven een onderworpen karakter in de gehoorzaamheid aan Christus; Hij is het Hoofd der gemeente, de enige Meester en Heere. Naar beneden draagt dat ambt van ouderling een bedienend karakter. Het ambt is ten dienste der gemeente, tot volmaking der heiligen, tot opbouw van het lichaam van Christus. Het middelpunt in iedere ambtsbediening is volstrekte afhankelijkheid van het Woord Gods met ons hart en leven. Verlaten wij dat Woord, dan geraakt de Christus uit ons gezichtsveld; dan verheffen we ons in nameloze hoogmoed; dan verliezen we de gemeente als de kudde die geweid moet worden, uit het oog. In één woord gezegd: Christus — het Woord gebonden op ons leven — de gemeente: ziedaar, de drie punten, die in de kracht des Geestes in trillende spanning op elkander moeten zijn aangelegd. Waar deze orde wordt verwoest of de spanning verslapt, daar geraakt alles in strijd en wordt de kerk bedreigd. Daarover in een volgend artikel.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 mei 1970
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 mei 1970
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's