Openingswoord jaarvergadering Gereformeerde Bond
II.
Ik behoef u nog maar te wijzen op de toenemende vraag naar Gereformeerde prediking in gebieden, waar wij tot nu toe niet bekend waren en op de sterke toename van onze bladen, de Waarheidsvriend, het Gereformeerd Weekblad en niet te vergeten het Evangelisatieblad, om nog maar te zwijgen van de toenemende invloed van de aan ons nauw verwante Gereformeerde Zendingsbond en wij kunnen weten dat ondanks ons zwakke pogen en ondanks ons veelgesmaad pogen, de Heere onze Bond doet wassen.
Het is voor een wel zeer groot deel te danken aan de krachtige en principiële leiding van ds. G. Boer en van de wel zeer actieve redactie van de Waarheidsvriend, dat er in de Bond en onder predikanten èn onder kerkeraden een verbreding van blik en een verdieping van inzicht gekomen is in de dingen, die vandaag aan de orde zijn. Wij zijn daar zeer dankbaar voor en erkennen gaarne dat dit onze achting bij velen niet weinig heeft doen rijzen.
Waar wij tenslotte op willen wijzen is dit. Wij gedenken met dankbaarheid wat onder de leiding van ds. M. van Grieken, van prof. dr. J. Severijn, van ds. G. Boer gegeven is, gedaan is, ontstaan is. Voor ons is de toekomst verborgen. Wij willen geen pessimistische voorspellingen doen, kunnen geen optimistische voorspellingen doen, maar zien wel een gang in ons volksleven, een stroom in ons kerkelijk leven, wij zien wel of het eb of vloed is en wij zien wel de richting, waarin alles gaat. En wij hebben onze bijbel, waarin onze Heere Jezus Christus ons voorzegd heeft, wat de tijden zullen brengen en wij hebben wel de profetiën van Daniël en van Johannes, die ons een beeld geven van de gang der tijden. En wij, die het profetische woord hebben, dat zeer vast is, doen wel als wij daarop acht hebben als op een licht schijnende in een duistere plaats totdat de dag aanlichte. Wij weten daaruit, dat zware tijden voor de gemeente Gods voorzegd zijn, en dan ook nog eens de tijd van de antichrist, waarin zelfs de uitverkorenen verleid zouden worden, als God die dagen niet verkortte.
Wij kunnen bij het licht van Gods Woord niet voorbijgaan aan wat de tijd ons te zien geeft, internationaal en nationaal, kerkelijk maar ook politiek, politiek maar ook kerkelijk. Ik weet niet, waardoor de geest van de tijd het meest wordt beïnvloed, door de politiek of door de theologie of de religie. Wie zal niet beducht zijn voor het communisme, voor het anarchisme, voor het revolutionair woelen. Het zal ieder duidelijk zijn dat deze dingen niet alleen ons volk, de politieke stelsels, ons vorstenhuis raken, maar ook de kerk. Dient niet het humanisme zich aan als een soort religie, die bijvoorbeeld in de geestelijke verzorging van het leger om gelijke rechten komt met de R.K. kerk en de Protestantse kerken? Is er zelfs niet ontstaan een theologie der revolutie? Laat deze één ding in de kerk en in de kerkelijke ordeningen en inzettingen onaangetast? Wij hebben één keer het been stijf moeten houden tegen het nationaal socialisme. 't Kon wel eens zijn dat wij nog wel eens het been stijf zouden moeten houden tegen veel zwaarder politieke druk. En het kon wel eens zijn, dat er uit het predikantencorps onzer kerk en ook uit het predikantencorps van onze kring dan mensen (God beware ook onszèlf daarvoor!) een aan die politiek aangepast kerkelijk leven zouden voorstaan.
Het is daarom, dat nu reeds in de verschuiving der geesten tegen deze theologie der revolutie krachtige wederstand geboden worde. Het is daarom zo geboden, dat wij de vastigheden van Gods Woord en ook de vastigheden der kerk, namelijk haar belijdenis, haar inzettingen goed vast zetten voor onszelf, voor ons kerkvolk, voor onze kinderen, ook voor het nog ongeboren geslacht.
Laat ons letten op de scholen, op de catechisaties, op het middelbaar en hoger onderwijs. Alles zal zwaarder stormen moeten kunnen verduren, dan die wij hebben moeten verduren.
Laat ons voorzichtig zijn met onze eigen kerk. Het is goed, dat wij haar herinneren aan haar eigen beginsel, aan Gods Woord en aan de belijdenis, ook zelfs aan haar eigen kerkorde. Maar laat ons vooral in alles wat wij van anderen vragen zelf voorop gaan. Wij mogen niet van anderen vragen, wat wij zelf niet doen.
Laat ons voorzichtig zijn met onze eigen kerk. Zij is ons aller Moeder. Zij heeft ons geestelijk gebaard. Uit haar handen ontvingen wij onze doop, Gods Woord, de belijdenis, ons lidmaatschap, des Heeren Heilig Avondmaal, onze opleiding, onze ambten en in haar ontvingen wij de gemeenschap van heiligen, gingen wij in in de rijen der voorgeslachten. In haar nemen wij thans een plaats in voor onze nageslachten. Bedenken wij dat vooral wel. De weg, die wij gaan, zal ons nageslacht gaan!
Laat ons voorzichtig zijn met onze eigen kerk. Is er één kerk waar wij, als wij haar verlieten, als de kerk onverhoopt haar Gereformeerd karakter zou prijs geven en ons uit zou leveren aan Rome, zodat wij daar niet zouden kunnen blijven, terecht zouden kunnen? Is de kerk niet wat anderen zijn èn wat wij zijn? Laat ons met de inzet van heel onze persoon aan deze kerk geven ons geloof, onze hoop, onze liefde. En als wij ergens geloof in hebben, dan is het in de God van de kerk. Als wij ergens hoop op hebben, dan hebben wij het op de God van de kerk. En als wij ergens liefde voor hebben, dan is het voor de God van de kerk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 mei 1970
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 mei 1970
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's