De anderen drufden niet
„En van de anderen durfde niemand zich bij hen voegen; maar het volk hield hen in grote achting". Handelingen 5 : 13.
Bij het lezen van de Schrift zijn er zinnen, die ineens de aandacht trekken en tot nadenken stemmen. Zo ging het ook met deze tekst. Een merkwaardig woord. Er is sprake van „de anderen", die zich niet bij de gemeente van Christus durfden voegen, en van het volk dat de gemeente hoog achtte. Wie zijn dan toch die anderen?
Wordt daar het volk mee bedoeld? Het schijnt van niet. Wordt immers niet duidelijk een tegenstelling gemaakt tussen die anderen en het volk in het algemeen?
Zijn het dan de leidende kringen? In die richting gaan aanvankelijk de gedachten. We kunnen niet zonder meer in de tekst een tegenstelling maken tussen ongelovigen en gelovigen. Het volk van Jeruzalem is niet in zijn geheel tot het geloof in Jezus de Messias gekomen, al zegt het volgende vers, dat grote scharen van mannen en vrouwen in de Heere gingen geloven, en zich bij de gemeenten aansloten. Toch stond de gemeente bij allen in hoog aanzien. In Hand. 2 : 47 wordt ook al gezegd, dat zij in de gunst stonden bij het gehele volk. Zouden dan die anderen de vijandig gezinde Joodse leiders zijn, speciaal de priesters en de sadduceën, die in 4 : 1 en 5 : 17 worden genoemd?
Maar in dat geval verbaast het ons te lezen, dat zij zich niet bij de gemeente durfden voegen. Had er dan niet moeten staan: De anderen wilden niets met hen te maken hebben? Of, zoals sommigen vertalen: Van de anderen durfde niemand hen te na komen? Maar dat laatste staat er niet. De in het grieks gebruikte woorden betekenen, dat de anderen zich niet bij de gemeente durfden aansluiten.
Daarom moeten wij niet denken aan de vijandig gezinde priesters en sadduceën, maar aan dat deel van de bevolking, dat, hoewel de gemeente gunstig gezind, niet tot de besliste geloofskeuze kwam.
Wij moeten de huiver van die anderen om zich bij de gemeente te voegen in verband brengen met wat we in dit hoofdstuk lezen over het oordeel dat God bracht over Ananias en Saffira. Zij waren geen echte gelovigen, zoals uit hun handelwijze bleek. Zij waren niet vervuld geweest met de Heilige Geest, maar de satan had hun hart vervuld. Zij hadden tegen de Heilige Geest gelogen. Zij waren bedriegelijke copieën van het werk van de Geest geweest. Hun huichelarij was liegen tegen God (5 : 3, 4).
De straf die zij ontvingen, vinden nog altijd veel mensen te zwaar. Maar zoals Jezus het „Wee u!" over de geveinsden heeft uitgeroepen, zo heeft God het over hen doen komen, opdat niet het werk van de satan het werk van de Geest in de gemeente van binnen uit vernietigen zou.
Wij lezen in vers 11 dat grote vreze kwam, niet alleen over de hele gemeente, maar ook over allen die dit hoorden. Dat was Gods bedoeling.
Deze vrees is gevolg van de erkenning, dat de Heere Zelf in het midden van Zijn gemeente is: de Heilige Israëls! Allen kenden vanuit de Schrift de roeping: Weest heilig, want Ik ben heilig.
In de gemeente van Christus is duidelijk aan het licht gekomen, dat daar niet mee te spotten valt. Binnen de gemeente leidt dat tot grote eerbied, zelfbeproeving en dagelijkse bekering. Buiten de gemeente is er in zoverre ontzag, dat niemand het waagt zich uit onzuivere motieven bij de gemeente te voegen. Het oordeel, dat God heeft voltrokken, werkt dus afschrikwekkend. Het is zoals we in Jesaja 33 : 13, 14 lezen: Hoort, gij die verre zijt, wat Ik gedaan heb; en gij die nabij zijt, bekent Mijn macht! De zondaren te Zion zijn verschrikt, beving heeft de huichelaars aangegrepen. Zij zeggen: Wie is er onder ons, die bij een verterend vuur kan wonen; wie is er onder ons die kan wonen bij een eeuwige gloed?"
Menselijk redenerend zou men zeggen: Nu is het gedaan met de werfkracht van de gemeente. Nu is de groei er uit. De mensen zijn bang om te komen als het zo streng toegaat.
Maar dan vergeten we, dat die werfkracht bepaald wordt door de aanwezigheid des Heeren in de gemeente. Zijn heiligheid verdraagt de goddeloosheid niet. Dat leidt tot de openbaring van Zijn strenge tucht. Die wekt afschrik bij mensen die zich niet bekeren willen. Maar dit hoofdstuk spreekt óók van de heilbrengende tegenwoordigheid van God. De genade van God in Jezus Christus openbaart zich in de vele tekenen en wonderen, die door de handen van de apostelen geschieden. Zij openbaart zich ook in de eendracht, die de gemeente kenmerkt als zij samenkomt in de voorhof van Salomo (vers 12).
De Heere zorgt er voor, dat de nieuwsgierigen en op sensatie belusten op een afstand blijven, maar Hij trekt allen die het gaat om de vrede met God en de vernieuwing van hun leven, geestelijk en lichamelijk. Vandaar dat ondanks die schrik-reactie toch menigten van mannen en vrouwen tot het geloof kwamen. Er is ook een vrees, een ontzag voor wat God doet, dat winnend werkt (Hand. 2 : 43).
Dit bijbelgedeelte moet ons veel te denken geven. De vraag dringt zich aan ons op: Zijn wij zó gemeente des Heeren, dat men van ons kan zeggen, dat God in ons midden regeert door Zijn Geest en Woord? Dat Hij de tucht oefent, die de zondaars en de huichelaars ontmaskert? Dat Hij onder ons werkt de wonderen van Zijn genade, tot heil van de mens in zijn totaliteit, naar lichaam en ziel?
Wanneer wij moeten erkennen, dat die tweevoudige werking van afschrik en aantrekking niet zo duidelijk of maar zelden bij ons wordt gevonden, dan mogen we er ons niet van afmaken door te wijzen op het uitzonderlijke van die eerste tijd. Ook niet door het te schuiven op het soevereine welbehagen van God en de vrijmacht van Zijn Geest. Die mogen wij zeker niet ontkennen, maar ze ook niet misbruiken als verontschuldiging voor eigen ongeloof, waardoor wij zijn vervreemd van wat God in Christus door de Geest de gemeente heeft geschonken.
Is er weinig openbaring van Geest en kracht? Is er verdeeldheid en onderling wantrouwen? Ontbreekt de eenheid van leer en leven? Is er wel lippendienst aan de Waarheid, maar geen wandelen in de Waarheid? Laten we de schuld zoeken bij onszelf. Als de Heere niet woont en werkt in de gemeente en in de kerk, dan moeten we daar onszelf een verwijt van maken.
Wanneer de anderen, die zich niet waarachtig bekeren, zich wel bij ons durven voegen en zich bij ons en onder de prediking thuis voelen, maar geen menigte van mannen en vrouwen tot het geloof komen; moet bij ons dan niet de beschaamdheid zijn, omdat wij de Geest bedroeven door Hem niet in ons persoonlijk en gemeente-leven te laten werken?
Toetsen wij ons aan wat de Schrift leert over de gemeente Gods, dan kunnen we alleen maar bescheiden zijn tegenover de mensen, en ons verootmoedigen voor God. Dan bidden we innig en vurig om vergeving van ons ongeloof, en om de vernieuwing door de Heilige Geest. Waar die houding van oprechte bekering is, daar wil de Heere ook nu wonen en werken door Zijn Geest. Daar doet Hij wonderen van Zijn reddende en helende genade. Daar werkt Hij ook zuiverend door Zijn heiligende tucht. Dan zullen we zien wat er gebeurt. Dan durven „de anderen" niet meer, en toch zal er een machtige werfkracht zijn. Want één ding staat vast: De Heere is niet veranderd!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 mei 1970
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 mei 1970
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's