De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

11 minuten leestijd

Kerk en Israël onderweg

Het tijdschrift voor de zendingswetenschap „De Heerbaan" geeft in het tweede nummer van de lopende jaargang een aantal artikelen over het Israëlvraagstuk. Wie mocht menen dat dit thema niet direct te maken heeft met de zending, vergist zich.

In een artikel „Israël en de messiaanse gemeente op Gods heerbaan" schrijft prof. dr. M. Boertien:

Zo trekken zij voort op Gods heerbaan, Israël en de kerk, vragend, antwoordend, twistend vaak, maar nooit zonder hoop. Want 't is het Rijk dat hen roept. En zij, die de boodschap van de „heerbaan" uitdragen onder de volkeren en rijken, die Assyrië en Egypte hebben opgevolgd zullen wel moeten weten wat zij doen, wanneer zij daar „rekenschap afleggen van de hoop die in hen is". Want wegens de door haar beleden eenheid van de Schriften kan noch mag de messiaanse gemeente haar christelijke hoop losmaken van de verwachting, waarvan Jes. 19 : 23—25 getuigt.

In dit citaat ligt m.i. voldoende opgesloten waarom een tijdschrift voor zendingswetenschap een themanummer over het gesprek met Israël geeft. Prof. Boertien haakt in op de titel „De heerbaan". Boeiend is het overzicht wat hij geeft over de betekenis van het woord in O. en N.T. In Jesaja is de heerbaan de weg, die gebaand en opgehoogd wordt tot verlossing van het volk Israël uit de ballingschap, en tevens de weg waarop de God van Israël door de verlossing van Zijn volk de volkeren tot hun bestemming brengt. Als Israël zich op Gods heerbaan bevindt, is dit het begin van de heilstijd voor de volkeren.

In het N.T. is de heerbaan de weg waarop de stem in de woestijn, de stem van de wegbereider van de Messias de Joden roept. Er is naast de gemeente van Israël een andere gemeente. Prof. Boertien wijst er dan op hoe dat de vraag is die sedert het ontstaan van de vroegchristelijke kerk de gelovigen bezighoudt: Wie bevindt zich op Gods heerbaan: Israël of de gemeente van de Messias Jezus?

Globaal beschouwd kan men z.i. zeggen dat deze vraag op drieërlei wijze beantwoord wordt. Er zijn er die zeggen: Israël bevindt zich sedert Christus' komst op een dwaalweg en moet opgaan in de kerk om zijn bestemming te krijgen. Een tweede opvatting zegt: Israël bevindt zich op Gods weg en de kerk eveneens. Want er zijn twee wegen Gods in de wereld. De twee gemeenten Gods gaan naast elkaar. Waarbij de amsterdamse hoogleraar de vraag stelt: Als er twee wegen Gods zijn naar Zijn Rijk, waarom dan ook niet drie of vier? Waarom zijn dan niet alle godsdiensten gelijk en zou men dan niet zeggen dat alle wegen naar Jeruzalem leiden?

Het derde antwoord kiest een tussenpositie. Israël en de kerk bevinden zich beiden op Gods heerbaan, samen onderweg naar dezelfde bestemming, voortdurend geroepen elkaar te vragen en te antwoorden.

Het probleem dat in deze laatste zinsnede ligt opgesloten is m.i.: Wat betekent in dit verband de verzoening door het bloed van Jezus Christus? Is het geloof in de gekruisigde en opgestane Christus niet de weg waarlangs God mensen brengt op de heerbaan van Zijn Rijk? Wat betekent in dit verband het „met elkaar"? Bevindt Israël zich dan zonder meer krachtens het Verbond op deze weg? Wordt op deze wijze Romeinen 9—11 recht gedaan? Zeker, de schrijver geeft aan het slot van zijn artikel, na een overzicht van de inhoud van het studiedocument van de conferentie te Bristol (juli 1967) als zijn oordeel te kennen dat er tussen de beide partners op Gods heerbaan een stuk vervreemding blijft. Want de messiaanse gemeente volgt Hem, die gesteld werd tot een val en opstanding van velen in Israël. Geen enkele theologische formule kan dit stuk vervreemding overbruggen. Dat zal pas in het Rijk van God worden gedaan, als Hij zal zijn alles en in allen. Een zinsnede, die m.i. meer vragen oproept, dan duidelijkheid verschaft. Leidt de heerbaan daar dan heen, zonder dat er breuklijnen zijn? Ontwikkelt de verhouding van kerk en Israël zich automatisch tot de situatie van het Rijk?

Het zijn vragen die in de geschiedenis steeds weer gesteld zijn. Dit themanummer gaat er in een keur van artikelen op in. Boeiend is wat er geschreven wordt over activiteiten in Israël waarbij christenen zijn betrokken. Daarnaast krijgt in dit nummer ook de conflictsituatie in het Midden-Oosten ruime aandacht. Dan blijken de standpunten nogal uiteen te gaan. De ruimte staat niet toe er breed op in te gaan. Het bovenstaande moge dienen om u te wijzen op het belang van dit themanummer. Belangrijk studiemateriaal voor ieder die deze vragen ter harte gaan.

Ontluistering van de theologie

Lange tijd werd de theologie beschouwd als de „regina scientiarum", de vorstin der wetenschappen. Wij zijn wat dat betreft wat bescheidener geworden en zullen niet zo spoedig deze titel aan haar meer toekennen. Immers er zijn allerlei wetenschappen opgekomen, die naar de mening van velen meer relevant zijn en als wetenschap een meer vorstelijke positie innemen dan de theologie? Theologische lectuur is doorgaans niet de lectuur die een enorme oplage heeft. Waarbij overigens de vraag blijft, of de dingen van het zijn niet de diepste doorlichting krijgen in de theologische bezinning?

Het gaat ons hier echter niet over de vraag: Wat is theologie? Wat is haar betekenis?

Er is in het opschrift sprake van „ontluistering". Daarmee zijn we wel heel ver uit de buurt van het koninklijke. Nu is het iets wat vaker voorkomt: Tronen die vallen. Dat is een stuk ontluistering. Dreigt de theologie hetzelfde te overkomen? Prof. dr. G. P. van Itterzon schrijft in het Hervormd Weekblad, het orgaan der Confessionele vereniging van 21 mei over een rapport waarin gepleit wordt voor een nieuwe opzet van de theologische studie.

De tijden zijn veranderd. Want tot mijn niet geringe verbazing kreeg ik een dezer dagen een rapport onder ogen, dat zou moeten leiden tot een nieuwe opzet van de theologische studie. Ik las daarin, dat commissieleden hadden voorgesteld, dat een aantal theologische studenten in het derde jaar van hun studie zou kunnen „volstaan met een summiere studie van het Oude Testament" en dat zij zouden kunnen „afzien van de studie van het Hebreeuws. Het Hebreeuws zou dan geen onderdeel kunnen zijn van een uniform examen aan het einde van het eerste jaar".

Een schema, dat als „illustratie" moest dienen, hoe het dan bij voorbeeld kon, maakte de zaak duidelijk. De bijbelse vakken moeten het ontgelden. De colleges van hen, die nog wèl waarde hechten aan de uitlegging van het Oude en het Nieuwe Testament, zouden tot op de helft moeten worden teruggebracht. Degenen, die de studie van de bijbel een verouderde bezigheid vinden, kunnen met nog veel minder exegese (bijbeluitlegging) toe. Zij mogen het helemaal zonder enig Hebreeuws doen, of, zo zij er al een minimale kennis van zouden moeten bezitten, zou toch dit schamele beetje Hebreeuws moeten worden ingepast in de al even minimale kennis van het Oude Testament.

Onder het opschrift: Ontluistering van de theologie" maakt prof. Van Itterzon een aantal opmerkingen bij dit rapport. Wie wetenschappelijk verantwoord stu­die wil maken van het O.T. dient Hebreeuws te bestuderen. Blijft dit achterwege — en het is Van Itterzon een raadsel, dat zelfs hoogleraren in het Hebreeuws en het O.T. dit voorstel hebben gesteund — dan degradeert men de universitaire opleiding.

Nu zullen de voorstanders van dit rapport wellicht tegenwerpen: Ja, maar wij willen wel ruimte laten voor wetenschappelijke bestudering van het O.T., maar achten het niet nodig dat elke theologische student zich intensief met de bijbelse grondtalen bezig houdt. Want de universiteit en ook de theologische studie moet „maatschappelijk-geëngageerd" zijn.

Prof. Van Itterzon acht dat laatste een kreet. Verreweg de meeste theologische studenten worden opgeleid voor de dienst des Woords in de kerk. Dit rapport heeft z.i. de belangen van de kerk totaal uit het oog verloren. De kerk vraagt immers dat haar dienaren de Bijbel bestudeerd hebben en bestuderen in de grondtalen.

In de plaats van het Oude- en Nieuwe Testament komen dan in dit rapport allerlei andere vakken, n.l. de mens- en maatschappij-wetenschappen, zoals sociologie en psychologie. Dat is maar niet toevallig. Ten diepste zit in deze verschuiving een andere visie op de theologie.

Als bovenbedoelde commissie schrijft, dat men de theologie kan omschrijven „als de wetenschappelijke bezinning op de vraag naar God en daarin naar het heil van mens en wereld", kan ik tegen zulk een omschrijving alleen heftig en hartgrondig protesteren. Wie die kant uitzeilt, en de student zich wil laten bezinnen op „de vraag naar God" en hem principieel niet laat studeren in „de geschriften van het Oude en Nieuwe Testament", doet even zonderling, als hij, die de godsdienst der Mohammedanen wil laten opgaan in de vraag naar God bij de Mohammedanen met geen of weinig kennis van de Koran. „Sociaal-wetenschappelijke statistiek" van de Islamietische wereld is dan het slechtste surrogaat, dat men zich denken kan.

De vraag naar God als voorwerp van de wetenschappelijke bezinning? Dan zijn we regelrecht bij Feuerbach terechtgekomen. Dan hebben we geen faculteit van godgeleerdheid meer, ook geen 19de eeuwse faculteit van godsdienstwetenschappen, maar misschien iets als een faculteit van religiewetenschappen. Religie dan in de meest menselijke, schrale, subjectieve, inhoudloze zin van het woord. Of, om de commissie te volgen: geen faculteit van godgeleerdheid, maar van mens- en maatschappijwetenschappen. Maar dan kunnen we onze faculteit wel opheffen. Dan kunnen we voortaan wel terecht in andere faculteit, waar alles zoveel wetenschappelijker en grondiger toegaat dan „bij ons". Dan offeren we de theologie in zover op, dat we alleen de zgn. discussievakken overhouden, die vakken, waarvoor men niets meer hoeft te „leren", maar waarover men als mondige studenten van meet af aan dagenlang kan discussiëren, al maar discussiëren. Dan kunnen we, na opheffing van de faculteit der godgeleerdheid, het Rijk de hoge kosten besparen, die er aan een nieuwe faculteit met mens- en maatschappijwetenschappen verbonden zijn en een combinatie maken van vakken uit faculteiten, waar men vakkundig sociologie, psychologie, politiek, statistiek e.d. doceert. Het zal dan, gezien het feit, dat het terrein van „mens-en maatschappijwetenschappen" zo uitgebreid is, wel uitlopen op een snufje van het een, en een snuifje van het ander. Een soort snoepwinkeltje, waar men van alles een ietsje proeft en niets koopt.

Inderdaad, bij deze opzet valt b.v. ook de kerkgeschiedenis en de dogmatiek weg. Wat overblijft heeft met theologie nauwelijks iets te maken. Prof. Van Itterzon ziet in deze ontluistering van de theologie grote gevaren voor de kerk en haar prediking.

We hebben, door op vele plaatsen het evangelie in te ruilen voor horizontale politieke en maatschappelijke beschouwingen, diverse kerken leeggepraat. We zeggen, dat de kerk in de vorige eeuw te weinig over de politiek en de maatschappij heeft gesproken en daardoor veel van haar leden heeft verloren. We wagen het te verklaren, dat we bezig zijn nu zoveel politiek, vooral linkse, op de kansel te brengen, dat de gemeenteleden zich tot „bijbelgetrouwe secten" begeven. En wij ons maar op de borst slaan vanwege onze progressiviteit! En wij maar kerken sluiten bij de vleet! En wij maar predikantsplaatsen opheffen en herstructueren, alsof het een genoegen was!

Met al ons accentueren van mens- en maatschappijwetenschappen, met al ons spreken over bezinning op de vraag naar God (alsof dáárin, in dat vragen(!), „het heil van mens en wereld" zou gelegen zijn), verlagen we ook de kerk. Is het geen vreemde zaak, als een predikant de kerk afschrijft, om in de plaats daarvan de begeerte naar vormingscentra te stellen? Is het geen vreemde zaak, als zulk een predikant, de kerk afboekend, toch voortgaat van dat verouderde instituut, dat tot een afgedaan „establishment" (= instelling) gerekend wordt, maandelijks zijn tractement te incasseren? Mag ik dat wonderlijk vinden? En in zekere zin onbehoorlijk?

Ik zou dit alles niet openlijk schrijven, als de commissie niet om duidelijke reacties had verzocht. En dat van zoveel kanten, als het maar mogelijk is. De vrees bekruipt me wel, dat mijn bezwaren terzijde zullen worden gelegd. Toch moet het er uit, omdat ik me anders niet verantwoord voel. Als de kerk maar weet, dat er kerkleden zijn, die een rapport, zoals bovenbedoeld, een document achten, dat, als het onverhoopt ooit gerealiseerd zou worden, de onkerkelijkheid machtig zou bevorderen.

Een rapport (al zal het zo niet zijn bedoeld) tot verdere ontkerstening van kerk en volk.

Tot zover deze hartekreet van prof. Van Itterzon. Wij hopen dat ze gehoor zal vinden. Niet alleen omdat hier de theologische studie in het geding is, maar zeker ook terwille van de kerk, van de prediking en het pastoraat.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 mei 1970

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 mei 1970

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's