De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De zorgen van de kerkvoogdijen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De zorgen van de kerkvoogdijen

10 minuten leestijd

(slot)

Thans komen wij toe aan de tweede door prof. dr. ir. H. G. van Beusekom vermelde mogelijkheid om de zorgen van de kerkvoogdijen te verlichten: moet soms het kerkelijk werk op landelijk niveau besnoeid worden, b.v. door afschaffing van een groot gedeelte van het werk, dat uit de paascollecte en dergelijke gefinancierd wordt? Prof. v. B. licht dit als volgt toe: „Er wordt onder kerkvoogden veel geklaagd over „het geld, dat naar Den Haag gaat". Daarbij gaat het niet in de eerste plaats om de paascollecte e.d. die na de laatste oorlog zijn opgezet om het landelijke werk der kerk te financieren, maar om de verplichte betalingen, die van hoger hand worden opgelegd.

Men kan niet ontkennen, dat de predikantstraktementen regelmatig moeten worden verhoogd, omdat deze de trend van de overheidssalarissen volgen; evenmin dat de pensioenstortingen drastisch moesten worden verhoogd, omdat de pensioenen jarenlang verwaarloosd waren. Dit zijn zaken, die prioriteit moeten hebben. Daarbij komen dan echter de verhoging van de aanslag van de kas voor de predikantstraktementen met gemiddeld 7 procent per jaar en de verhoging van de bijdrage aan de generale kas in luttele jaren van een kwartje tot tien gulden.

Nu weten de meeste kerkvoogden wel, dat dit geld niet in Den Haag blijft, maar voor allerlei belangrijke doeleinden wordt besteed. Zij weten wel, dat er in de academiesteden studentenpredikanten moeten zijn, die de plaatselijke gemeente niet kan bekostigen, en dat er in buitenlandse havens, waar helemaal geen gemeente is, een zeemanspredikant moet worden geplaatst. En zo zijn er veel meer voorbeelden.

De kerkvoogden worden echter schuw bij het ontdekken van allerlei raden en commissies met een groter of kleiner ambtelijk apparaat, waarvan de gewone kerkvoogd alleen maar weet, dat zij veel geld kosten".

Prof. v. B. wijst er vervolgens op, dat ds. K. Exalto, lid van de Generale Synode in zijn minderheidsnota bij het rapport „Gemeentevormen en gemeenteopbouw" beklemtoond heeft, dat in de kerk een sterke vereenvoudiging van de organisatie nodig is en een concentratie op de eigenlijke taken van de kerk in de plaatselijke gemeenten. Naar het oordeel van ds. Exalto „is de kerk in haar raden en commissies topzwaar geworden, terwijl de gemeenten doodbloeden. Er was al veel gewonnen, wanneer de raden voor een groot deel werden afgeschaft, zo ook de commissies als die voor gemeentevormen en gemeenteopbouw, de vrijgestelde secretarissen en andere functionarissen voor het grootste deel werden ontslagen, de synode werd ontlast van alle stukken, die het belijden der kerk weerspreken. Welk een mankracht, vele duizenden werkuren en schatten gelds zouden daardoor vrijkomen ten behoeve van het werk in de gemeenten. Ik meen, dat ik hiermee uitspreek wat er leeft bij een niet onaanzienlijk aantal kerkeraden en kerkvoogdijen". Tot zover ds. Exalto in zijn minderheidsrapport, dat in zijn geheel opgenomen is in het nummer van 27 november 1969 van dit blad. Prof. v. B. meent, dat deze „de dingen wellicht wat al te eenvoudig ziet, doch ( ) in ieder geval de vraag aan de orde stelt, of wij bij de opzet van het landelijk apparaat van de kerk niet te hoog hebben gegrepen. Deze vraag zal met het oog op de noodtoestand in vele gemeenten door de verantwoordelijke personen en organen zeker grondig onder de ogen moeten worden gezien".

Hoe is het met de vrijgestelde predikanten? Zijn dat er veel? Op de slotdag van de predikantenvergadering te Utrecht (8 april jl.) heeft de secretaris-generaal, ds. F. H. Landsman meegedeeld, dat op een totaal van bijna 2000 predikantsplaatsen er 26 predikanten zijn vrijgesteld voor bestuurlijk werk in landelijk of provinciaal verband: 14 voor het landelijk jeugdwerk, 9 voor het secretariaat van een provinciale kerkvergadering en de 3 rectores van het seminarie „Hydepark" te Driebergen. Daarnaast zijn er 65 predikanten werkzaam in vormingswerk, evangelisatie, aan de opleiding en volkshogescholen, in de leiding van de zending, bij het Bijbelgenootschap, als industriepredikant, in het maatschappelijk werk, bij de jeugdorganisaties, bij de overheid en in de radio-en televisiewereld. Maar deze categorie komt niet voor rekening van de algemene kerk.

Het aantal vrijgestelde predikanten is dus niet groot: 26, al mis ik bij de omschrijving van de onderdelen van dit getal de beide secretarissen van de generale synode. En er zijn er nog meer die ik mis, nl. de secretarissen van diverse raden. Hoe dat zit met de genoemde 26 weet ik niet en begrijp ik niet. Hoe ook, in elk geval komt behalve de vrijgestelde predikanten een groot aantal raden en commissies, elk met hun eigen groter of kleiner apparaat voor rekening van de landelijke middelen van de kerk. Voor het volgend jaar moet besnoeid worden voor ƒ 500.000 tot ƒ 600.000. Dat is bepaald geen gering bedrag. Efficiency deskundigen zullen het werk doorlichten en adviseren waar bezuinigd moet worden. Bezuiniging op zo grote schaal is moeilijk. Het betekent een stap terug. Maar is 't landelijke werk ook niet te breed opgezet? Is onze kerk niet topzwaar?

De heer Lambert Erné, voorzitter van de nederlandse organistenvereniging heeft op de laatste jaarvergadering van deze vereniging dezelfde dingen aan de orde gesteld. „De Rotterdammer" van 20 mei jl. schrijft daarover: „Bij de plaatselijke gemeenten groeit steeds meer verzet tegen het veel te dure centrale apparaat, met zijn raden en comissies, die in elke provincie weer vertakkingen hebben. De heer Erné pleitte voor openheid in de hervormde kerk, ook over de besteding van de gelden. Er zou vaak geld over de balk worden gegooid via raden en commissies die zich eerder heersend dan dienend tegenover plaatselijke gemeenten zouden gedragen". Tot zover de heer Erné.

Er dienen m.i. ten aanzien van deze zaken twee dingen te gebeuren:

1. de Generale Financiële Raad zal een volledige openheid moeten gaan betrachten. Het is niet langer aanvaardbaar, dat de kerkvoogdijen wel een jaarlijks stijgend quotum dienen te betalen, terwijl zij over de exacte besteding van de gelden onkundig worden gehouden. In een betrekkelijk kleine gemeente bedraagt de aanslag al duizenden guldens. Evenmin als een kerkvoogdij geheimzinnig mag doen over haar beheer, mag de G.F.R., de „kerkvoogdij van de generale syde" dit tegenover het geheel van de kerk.

2. laat gerust een aantal raden en commissies voorlopig rnaar op non-actief gesteld worden, ik vermoed dat kerk en gemeenten hen nauwelijks zullen missen. Versobering kan niet alleen gedwongen maar ook heilzaam zijn.

Met een lagere aanslag voor het quotum zouden de kerkvoogdijen geholpen zijn, althans enigszins. Wat staat hun verder te doen om uit de zorgen te komen? Prof. v. B. stelt terecht, dat de gemeenten niet de toevlucht kunnen nemen tot beperking van het werk op internationaal niveau. Dit werk wordt behartigd door zendingscommissie en diakonie. Daarop mag niet besnoeid, het ligt ook niet op het terrein van de kerkvoogdij. Prof. v. B. besluit zijn artikel aldus: „Wat de activiteiten op plaatselijk en landelijk niveau betreft, deze zullen geducht moeten worden „doorgelicht", opdat passende maatregelen kunnen worden genomen. Schrikken wij daarvoor terug, dan zullen de zorgen van onze kerkvoogdijen blijven toenemen en zullen wij met open ogen moeten aanzien, hoe de ene gemeente na de andere het niet meer kan bolwerken en afsterft. In ieder geval zal een serieuze en besliste aanpak van al deze problemen aan de kerkvoogden nieuwe moed geven om het uiterste te doen om hun rekening sluitend te maken".

Daarbij wil ik de volgende opmerkingen maken:

1. Laten wij goed beseffen, dat de noodsituatie waarin menige kerkvoogdij (en ook de G.F.R.) is gekomen, gevolg is van de ingezonkenheid van kerk en gemeente. Ook waar actie is, is deze niet een uiting van geloofsleven. Het afnemen van de offervaardigheid en het toenemend tekort aan predikanten zijn beide een gevolg van de matheid en dorheid die over de kerk liggen. Een kerk, die vervreemd raakt van het Evangelie boet steeds meer aan werfkracht en offerbereidheid in. De kerk moet leven onder het Woord, heeft vorige week dr. G. de Ru, oud-praeses van de synode op de jaarvergadering van de Confessionele Vereniging met nadruk betoogd. Blijkens het verslag in „De Rotterdammer" van 21 mei jl. zei dr. De Ru ook, dat, wanneer de kerk zeer klein en als tot niet schijnt gekomen te zijn in de ogen van de mensen (art. 27 van de N.G.B.), zij niet zenuwachtig moet gaan werken met stimulantia als „efficiency-onderzoeken" of daden willen gaan stellen, die de goedkeuring van de wereld wegdragen, maar als met Pinksteren wachten op de grote daden Gods.

Dat zijn behartigenswaardige woorden. Alleen in wederkeer tot God en zijn Woord ligt genezing voor de kerk. In een kerk, waarin het Woord Gods niet of nauwelijks nog verkondigd wordt, waarin geen zondaren tot God worden bekeerd, kunnen allerlei dingen op touw worden gezet, maar daar wordt God niet meer geëerd en geen mens getroost met het middelaarswerk van de Here Jezus Christus. Dan ontbreekt óók de liefde tot geven èn zichzelf te geven in ambt en dienst. Als wij de wortel van de nood voorbijgaan, kan men het kerkewerk gaan besnoeien tot er niets meer te besnoeien valt. Maar het is toch ook naar de Schrift, dat de Landman vruchtbare ranken reinigt, maar onvruchtbare wegneemt (Joh. 15)? De kerk is nooit zonder gevaar voor haar bestaan ontrouw aan haar roeping!

2. Laten de kerkvoogdijen gelovig en biddend bezig zijn. Het is, met name voor de „niet-aangepaste" kerkvoogdijen, van grote betekenis dat er een goed en vruchtbaar contact is met de kerkeraad. Prestige-kwesties mogen er eenvoudig niet zijn. Spanningen tussen beide colleges ten gevolge van richtingsverschillen mogen de gemeente niet duperen en behoeven niet te verhinderen, dat men een verantwoord financieel beleid voert.

3. Vroeger was het lidmaatschap van de kerkvoogdij vooral een erezaak („de heren van de kerkvoogdij, de broeders van de kerkeraad"), dat is nu voorgoed voorbij. Kerkvoogd zijn houdt ook in: alles wat de kerk waardig is bedenken om de nodige middelen bijeen te brengen en daartoe zelf ook de gemeente in trekken.

4. Waar zij nog bestaan behoren ongeestelijke dingen als het verkopen van plaatsen direct te worden afgeschaft. Zulke dingen, al hebben zij jarenlang bestaan, zijn een schande voor een christelijke gemeente.

5. Geheimzinnigheid met de financiën moedigt de gemeente bepaald niet tot geven. Er zij dus zo veel mogelijk openheid. Er zijn verschillende manieren om de gemeente bij het financiële beleid te betrekken: gemeenteavond, schriftelijke toelichting op rekening en begroting, nauwlettende inning van de vrijwillige bijdragen, goed voorbereide acties voor bijzondere projecten als bouw en restauratie van kerk of pastorie enz.

Ik ben ervan overtuigd, dat wanneer de gemeenten op deze wijze bezig zijn, heel veel zorgen van de kerkvoogdijen verlicht zullen worden en verdwijnen. Want waar de Heilige Geest werkzaam is, is liefde voor de Here en voor de eredienst. De financiële nood is als een rood licht: hoe staat het met het geloof, de hoop en de liefde van de gemeente?

Zou het niet zo zijn, dat de kerkvoogdij (behoudens die van een „miniatuurgemeente") het niet meer kan bolwerken omdat de gemeente afstierf? En zou het niet zo zijn, dat een gemeente afsterft wanneer en omdat zij niet bleef bij het levende Woord van de levende God?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 mei 1970

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De zorgen van de kerkvoogdijen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 mei 1970

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's